Postuum Michel Zanoli

Michel Zanoli had het leven kunnen leiden dat hij zich wenste - als hij maar had geweten welk leven dat was

Vierhonderd dromen en niet één kwam er uit. Michel Zanoli had de succesvolste renner van zijn generatie kunnen zijn. Hij werd het niet.

Michel Zanoli 1996. Beeld ANP

Het is de dag na Kerstmis, de laatste zaterdag van 2003, als Michel Zanoli zijn vader bij de voordeur op het hart drukt: ‘Je moet me bellen maandag, voor twaalven, vergeet het alsjeblieft niet. Voor twaalf uur!’

Twee dagen later pakt John Zanoli voor het middaguur de telefoon. Het was geen raar verzoek geweest, hij zou zijn zoon sowieso hebben gebeld. ‘Zanne’, zoals hij hem liefkozend noemt, moest eraan worden herinnerd dat hij in Den Haag zijn paspoort ging halen.

De jongen had zich in het hoofd gezet dat hij naar Thailand wilde. Dat was zijn beloofde land geworden. Daar zou hij zijn leven weer op kunnen bouwen.

Anderen geloofden daar allang niet meer in. Vierhonderd dromen had hij. Aan elke droom begon hij even enthousiast. Maar als Zanoli eenmaal door had hoe lang de weg was, haakte hij af. Altijd kwam er wel iets tussen. Waarom wist hij zelf ook niet. Hij kreeg er geen grip op.

Zeventien jaar was hij pas toen zijn vader hem naar Schiphol bracht voor een trip met de nationale wielrenselectie van bondscoach André Boskamp. Ze gingen naar Australië. John Zanoli zei tegen zijn zoon dat hij er maar van moest genieten, dat het ‘machtig mooi' zou worden.

Maar de jongste Zanoli was allesbehalve uitgelaten. ‘Ik voel me zo ongelukkig pa.’

‘Wat is er dan Zanne? Je gaat toch naar Australië, dat wil je toch?’

‘Er is helemaal niets pa, maar ik voel me zo ongelukkig.’

Het was voor het eerst dat zijn vader het verdriet in de ogen van zijn zoon ontwaarde. Die blik is nooit meer uit zijn herinnering geweest en zou nog vaak terugkeren.’

Shitleven

‘Wat een shitleven heb ik’, vertrouwt Zanoli in 2003 op tweede kerstdag zijn beste vriend Jos Mooij toe. Hij was er, eenzaam in een leeg appartement in Haarlem, helemaal klaar mee. ‘Ik zie al die gezinnetjes gezellig bij elkaar zitten. Wat moet ik nou?’

Hij laat Mooij beloven dat ze oudjaarsnacht samen doorbrengen. Zanoli wil die avond niet alleen zitten, het idee alleen al maakt hem nerveus. Als twee ‘zielige’ vaders zouden ze naar Zandvoort rijden. Naar het strand, waar ze als pubers hun tijd doorbrachten als de andere jongens van hun wielervereniging aan het trainen waren. Het moest een herinnering worden aan betere tijden.

Soms wist hij best wel wat hij wilde.

Eerder die week had Zanoli zijn enige andere overgebleven vriend, Pelle Kil, gezegd dat hij jaloers op hem was. ‘Je hebt een gezinnetje, een prachtig kindje, een leuke vriendin, een mooi autootje, je gaat af en toe naar Amerika: zorg maar dat je er trots op bent.’

Iedereen had alles, hij had niets, zo voelde het. Terwijl de wereld ooit aan zijn voeten had gelegen.

Zanoli kon alles, beweerde men toen. Wat een ander na een jaar trainen lukte, kon hij na twee dagen. Hij had het kasteel kunnen krijgen, dat hij wilde bouwen. Hij had het gezin kunnen hebben, waar hij zo naar hunkerde. Hij had het leven kunnen leiden dat hij zich wenste. Als hij maar had geweten welk leven dat was.

Zijn enige leidraad was dat het niet saai moest zijn. Hij wilde net als iedereen het huisje, boompje, beestje. Maar als hij het had gevonden, was het niet genoeg, ging hij op zoek naar meer en ontglipte alles hem weer.

‘Die tweestrijd in zijn hoofd, nooit rust vinden, het moet voor hem een hel zijn geweest', zegt zijn vader.

Zijn verhaal is daarom niet het verdriet van de renner die depressief wordt van de gedachte dat zijn carrière voorbij is. Die tijdens zijn sport zo verslaafd is geraakt, dat hij daarna niet zonder drugs kan. Hij mag niet in één adem worden genoemd met Marco Pantani.

Zijn verhaal heeft met wielrennen eigenlijk weinig te maken, hoewel het zijn reddingsboei was. Zelfs de laatste twee jaar, waarin het leven bijna ondraaglijk was, trok hij er regelmatig op uit met Kil of Meike de Bruijn, de tweede vrouw van zijn vader.

‘Wielrennen hield hem op de been’, vertelt Mooij. ‘Het heeft hem lang in leven gehouden.’

In Casablanca werd Zanoli in 1986 wereldkampioen wielrennen bij de junioren. Dat was betrekkelijk eenvoudig. Hij moest gewoon opletten, ervoor zorgen dat die jongens uit Soekoeboekoe hem niet in de weg reden en dan zou hij winnen.

Zijn vader twijfelde. Want moest hij daarvoor niet meer trainen? ‘Maak je niet druk, zolang ik mijn kop erbij hou, kan ik niet verliezen’, zei Zanoli dan. Zo gebeurde het altijd.

Fietsen was niet leuk, fietsen was - omdat hij het goed kon - niet meer dan de kortste weg naar geld, naar een grotere auto, naar mooiere kleren, naar een avontuurlijk leven.

Bovendien waren de wedstrijden kort en snel en was de cultuur die om de sport hing er één van macho's. Dat paste hem. Hij reed in een sportwagen, leerde motorrijden en deed aan bergbeklimmen.

Als het leven geven en nemen is, nam Zanoli vooral. Jans Koerts, Tom Cordes, Teun van Vliet, Gert Jacobs: allemaal boden ze hem onderdak, overal bedankte hij met ruzie.

Pelle Kil haalde hem in 1998 naar Amerika om er voor zijn ploeg (SmarTalk) te gaan rijden. Om hem nog maar weer een nieuwe kans te bieden. Maar zijn loopbaan was al te ver afgegleden om er nog iets van te maken. Kil: ‘Hij stapte steeds vaker af en dan zag ik hem met een ijsje in de hand langs de kant staan. Het ging gewoon niet meer.’

Met zijn imposante en krachtige postuur had hij klassiekers kunnen winnen. Maar zijn geest kon alleen korte, snelle criteriums aan, die eindigden in een sprint.

Toen hij zich in 1992 in Santa Rosa meldde voor het trainingskamp van Motorola, gooiden ze hem daar een overall toe. Ze dachten dat hij de nieuwe mecanicien was. Zanoli woog over de honderd kilo en zag er verwilderd uit. ‘Michel had genoeg kwaliteit, maar je kon niet op hem rekenen’, vertelt Meike de Bruijn.

Het maakte hem niet populair bij ploegleiders. Nergens heeft hij één seizoen afgemaakt. Zanoli had maling aan iedereen en een bloedhekel aan mensen met autoriteit. ‘Hij wilde eruit, hij wilde over de grens, hij wilde los’, zoekt zijn vader naar de juiste woorden.

Niet in het gareel

Amper vier jaar was hij toen zijn vader door de directie van de kleuterschool werd uitgenodigd voor een gesprek. Een juffrouw van wie hij zelf nog les had gehad, zei tegen John Zanoli: Goh, wat leuk dat ik jouw zoon nu ook in de klas krijg. ‘Na twee weken kwam ze naar me toe en vroeg: ‘Is het jouw zoon wel? Hij is wel lief, maar ik krijg hem niet in het gareel’.’

Toen hij zestien werd, kreeg de familie een grote bos bloemen thuisgestuurd van de directeur van de mavo. Want nu Michel niet langer leerplichtig was, hoefde hij niet meer naar school te komen. Of hij alsjeblieft weg wilde blijven?

Misschien, vertelt zijn vader, had hij zijn poot stijf moeten houden en Michel terug moeten sturen. Misschien is hij als vader te trots geweest toen zijn zoon veel wedstrijden won. ‘Ik heb zo vaak gedacht: wat heb ik verkeerd gedaan? Ik weet het niet.’

De scheiding van zijn ouders, in 1986, heeft zonder twijfel veel invloed op hem gehad. Jaren later zei hij daar zelf over: ‘Wielrennen was toen een vlucht, ik vond er mijn rust in. Constant op reis zijn voelde als een bescherming. Onbezorgd, aan niets anders denken dan aan fietsen. Zo ben ik wereldkampioen geworden.’

De kinderen konden in eerste instantie bij geen van beide ouders terecht, uiteindelijk nam John Zanoli ze onder zijn hoede. ‘Michel heeft er een tik van gehad', zegt hij. ‘Maar ik heb het er vaak met hem over gehad. Het was niet de oorzaak van zijn onrust.’

Hij heeft zich zo vaak afgevraagd waarom hij zelf zo'n grijze muis is, zijn dochter eveneens een rustig leven leidt, maar zijn zoon daar geen genoegen mee kon nemen. Tot antwoorden kwam hij nooit.

Uiterlijk van een woesteling

Zijn postuur heeft hem niet geholpen, denkt zijn vader. Hij leek met zijn lengte en uiterlijk een woesteling. Mensen waren bang van hem. Maar er waren er ook die hem uitdaagden en Zanoli ging er graag op in. Zo dacht hij zich te bewijzen.

Zijn pech was dat als híj wat deed, het nooit zonder gevolgen was. Als vroeger in de buurt alle jongens een steen in de richting van een ruit wierpen, was hij de enige die raak gooide.

Natuurlijk zoemden de camera’s van de Amerikaanse televisie juist op hém in op het moment dat hij in de Tour DuPont een dreun uitdeelde aan publiekslieveling Davis Phinney. Niemand had er een boodschap aan dat juist op die dag in Limburg zijn dochter ter wereld kwam, van wie hij wist dat hij haar nooit zou mogen zien. En dat dat die stoere Zanoli van binnen verscheurde.

‘Je moet hem in tweeën splitsen', zegt zijn ex-vriendin. ‘Hij was die amicale, ontwapenende, zachtmoedige vent, een gezelligheidsdier die dol was op kinderen. En hij was de man die geen grenzen kende, die onrust bracht, agressief was en mensen meesleepte in dingen, waar ze niet in meegesleept wilden worden. Daar valt niet mee te leven.’

Alles leidde uiteindelijk tot een conflict. De relatie met zijn moeder en zus verbrak hij twaalf jaar geleden na een hoog opgelopen ruzie. Zijn vader zag hem na onenigheid over een computer drie jaar niet. Zijn vrienden, Jos Mooij en Pelle Kil, konden hem soms maanden uit het oog verliezen. Maar hij wist dat hij bij die drie altijd terecht kon.

Toch peinsde geen van hen erover hem in huis te nemen. Kil heeft hem eens afgezet bij het Centraal Station van Amsterdam, waar Zanoli als dakloze rondzwierf. Het was uit zelfbescherming, want iedereen die hem de hand reikte wist dat hij ervoor moest waken niet meegesleurd te worden door de wervelwind.

‘Soms moest je hem loslaten, anders ging je er zelf aan onderdoor. Hij wist wel dat het niet kon wat hij deed. Hij heeft hier op deze bank zitten janken als een klein kind’, vertelt zijn vader. ‘Na zo’n depressie beloofde hij altijd beterschap en liep hij weer even in het gareel. Dan bedachten we hoe het verder moest en dacht je op maandag: nu heb ik hem zover. Op donderdag was hij je ontglipt.’

De hulpverleners die met hem aan de slag gingen, kletste hij onder tafel. In 2002 kreeg hij, na een zelfmoordpoging, in het Kennemer Gasthuis in Haarlem een net afgestudeerde psychologe toegewezen. Ze is huilend van de eerste afspraak weggelopen.

Hij wilde niet geholpen worden. Hij was niet ziek en dus moesten de mensen niet zeuren. ‘Michel was verbaal sterk’, vertelt Mirjam Baars. ‘De hele wereld was gek, behalve hij, redeneerde hij.’

Nachtenlang hebben ze samen over het leven gefilosofeerd. ‘Ik hield dan altijd vol dat een mens van nature goed is. Hij was ervan overtuigd dat mensen slecht zijn. Hoe kon het anders dat er zoveel ellende in de wereld was?’

Een normaal bestaan

Zanoli heeft echt wel geprobeerd om een normaal bestaan op te bouwen. Vooral toen zij hem vertelde dat hij voor de tweede keer vader werd, beloofde Zanoli beterschap. Voor zijn zoon wilde hij alles doen. Hij ging werken in een sportwinkel. Later volgde hij een computercursus en vond hij werk bij Heineken en Nissan.

Zanoli was er trots op. Hij ging elke dag naar zijn werk, had een keurig pak aan, hij hoorde bij de maatschappij. ‘Maar op vrijdagmiddag dacht hij: nu moet ik toch maar gaan leven, want dit is het niet. Hij gaf drie keer zoveel uit als hij verdiende, dus vond hij het eigenlijk een beetje zonde van zijn tijd daar te gaan zitten’, vertelt Mooij.

Het was de laatste reddingsboei die hij losliet. Zoveel kansen heeft hij gehad, even zovele heeft hij er vergooid. ‘Op een gegeven moment had hij geen vaste woonplaats, geen vast telefoonnummer, geen arts, geen verzekering, geen paspoort meer’, vertelt Meike de Bruijn. ‘Hij was niemand geworden in de maatschappij.’

Hij raakte aan de cocaïne, zat in de gevangenis in Almere, werd in elkaar geranseld door uitsmijters, van de weg gereden door een auto en na een handgemeen uit het Amsterdamse opvangcentrum Jellinek gezet.

Dagenlang heeft zijn vader in 2002 nog eens naar hem gezocht. ‘Hij realiseerde zich wel dat hij zich onmogelijk maakte en dat vond hij vreselijk’, zegt zijn vader. ‘Maar er was geen weg terug.

Niet meer te helpen

‘We wisten al een tijd dat hij niet meer geholpen kon worden. Hij wilde het ook niet meer. ‘Begrijp je me dan niet', vroeg hij dan. Nee jongen, dat begrijp ik niet. Ik heb zo vaak gezegd: als je je weer slecht voelt, bel me op, ik kom. Er zijn zoveel mooie dingen om voor te leven. ‘Dat vind jij, dat het mooie dingen zijn’, zei hij dan. Hij wist niet hoe ze te bereiken. Dan hoop je bijna. . ., het moet een keer stoppen.’

Als Michel Zanoli op maandag 29 december 2003 de telefoon opneemt klinken op de achtergrond de luide tonen van Nirvana, zijn lievelingsmuziek. Het verzoek van zijn vader het geluid zachter te zetten, gaat verloren.

‘Ik hou van je pa, dat weet je toch? Ik hou van je’, schreeuwt Michel door de hoorn.

‘Ja, Zanne, dat weet ik, ik hou toch ook van jou. Maar jongen, zet die muziek nou even wat zachter.’

‘Ik hou van je, niet vergeten dat ik van je hou hoor.’

‘Dat weet ik toch Zanne. Maar vergeet nou niet dat je straks naar Den Haag moet.’

Dan wordt de hoorn op de haak gegooid. Zijn vader probeert nog terug te bellen, maar krijgt geen gehoor meer.

Die middag wordt Michel Zanoli vlakbij station Spaarnwoude gevonden, hij werd 35 jaar.

Sportjournalistiek is bij uitstek het speelveld van de romanticus. Deze verhalen bewijzen dat

De Volkskrant houdt van verhalen die voldoen aan de Wet van Wagendorp, verhalen die de droge cijfers overstijgen en de meeslepende menselijke geschiedenis achter de sport beschrijven. Een aantal van deze verhalen – eerder gepubliceerd in de Volkskrant – kun je hier lezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden