Reportage Formule 1

Max verstappen: een meester in inhaalacties

Brazilië 2018 Max Verstappen (midden) jaagt op Valtteri Bottas (Mercedes) nadat hij Sebastian Vettel (Ferrari) is gepasseerd. Beeld REUTERS

De Formule 1-auto’s zijn aangepast om dit seizoen meer inhaalacties mogelijk te maken. Max Verstappen is er een meester in. ‘Wie hem in de spiegel ziet denkt: ik laat hem wel gaan, want anders achtervolgt hij me tot op de plee.’

Flirten met limieten

Inhalen is een van de opwindendste elementen van de Formule 1. Praat er met oud-coureur Johnny Herbert over en zijn ogen beginnen te twinkelen. Auto’s die met ruim 300 kilometer per uur op enkele centimeters afstand van elkaar rijden, maken een oerdrift los bij zowel toeschouwer als coureur, zegt hij.

De Brit reed tussen 1989 en 2001 liefst 161 Formule 1-races, waarvan hij er drie won. Hij reed tegen de allergrootsten: van racelegende Ayrton Senna tot recordkampioen Michael Schumacher. Wat die coureurs deelden? ‘Ze reden altijd op het randje, durfden net wat meer te riskeren dan een ander’, zegt Herbert. Het is volgens hem de ultieme blijk van stuurmanskunst. Het is moeilijk.

Max Verstappen etaleerde zijn ongewone talent voor inhalen meteen in zijn eerste seizoen (2015) toen hij het aandurfde iemand buitenom in te halen met 320 kilometer in de Blanchimont op het circuit van Spa-Francorchamps, een van de snelste bochten van de Formule 1. Het werd uitgeroepen tot actie van het jaar in de autosport, een prijs die hij al driemaal won. ‘Als 99 procent van de coureurs denkt ‘dit gaat mis’, dan denkt Max  ‘dit gaat goed’. En hij heeft meestal gelijk’, zegt Frits van Amersfoort, die Verstappen in 2014 onder zijn hoede had bij zijn Formule 3-team.

Rik Vernooij was dat jaar de race-engineer van Verstappen, de technicus die het intensiefst met hem samenwerkte en ook met hem communiceerde tijdens de race. ‘We zaten met Max na wedstrijden geregeld bij de scheidsrechters, omdat er op het scherp van de snede was ingehaald, en wij waren eigenlijk altijd van mening dat we gelijk hadden’, zegt hij.

‘Hij reed in de Formule 3 zoals hij kartte en in de Formule 1 reed hij zoals in de F3: op de limiet, maar er zelden over’, aldus Vernooij. ‘In de tussentijd is die onbevangenheid niet afgestompt doordat hij jaren bleef hangen in opstapklassen, waar inhalen zeldzaam is. Het is goed dat hij zo snel is doorgestoten. Voor hem en de Formule 1.’

Daarmee doelt Vernooij op het spektakel dat Verstappen naar de raceklasse bracht. In zijn eerste F1-jaar was hij met 49 inhaalacties meteen de passeerkoning van het seizoen. Een jaar later waren dat er 78 (in 21 races), het hoogste aantal voor een coureur sinds 1983. In zijn eentje nam hij toen zo’n 9 procent van al het inhalen voor zijn rekening.

De afgelopen twee jaar was inhalen lastiger. De auto’s werden in 2017 een kwart breder. Brede auto’s verstoren de luchtstromen meer, waardoor de snelheid omlaag gaat en de grip op het asfalt afneemt. Vlak achter een andere auto is de lucht het meest verstoord. Dat leidde tot minder inhaalacties. Voor dit seizoen is de aerodynamica op de auto’s drastisch versimpeld, zodat de auto’s weer makkelijker kunnen inhalen.

Oud-coureur Johnny Herbert vraagt zich af of het effect zal hebben. Simpelweg omdat de honderden aerodynamica-experts in dienst van de teams alweer manieren hebben gevonden om het effect van de nieuwe regels teniet te doen. Hun doel is zo saai mogelijk winnen. Dus: vooraan proberen te starten en zo min mogelijk inhalen.

Zo af en toe poogt de klasse met een kunstgreep het inhalen te verbeteren. In 2011 werd het Drag Reduction System (DRS) geïntroduceerd. Daarmee kan de coureur op bepaalde delen van de baan, als hij op minder dan een seconde van de auto voor hem rijdt, het opstaande deel van zijn achtervleugel tijdelijk horizontaal maken. Dat vermindert de luchtweerstand, wat een snelheidswinst van zo’n 10 kilometer per uur oplevert.

Na de introductie van DRS schoot het inhaalgemiddelde per race omhoog van dertig naar zestig acties. Het leidde ook tot kritiek. Inhalen was een knop geworden. Niet meer een talent. Dat zagen ook de fans. Het aantal kijkers van de Formule 1 tussen 2011 en 2017 nam ondanks DRS wereldwijd af van 515 miljoen naar 352 miljoen kijkers.

Johnny Herbert begrijpt die fans wel. Bij inhalen gaat kwaliteit boven kwantiteit, vindt hij. ‘Het is het ultieme tonen van skill. Hetzelfde geldt voor verdedigen. Daar moeten niet te veel regels voor zijn. Ik heb liever dat coureurs aan de fans tonen wie het best kan racen, dan aan de scheidsrechters.’

Multitasken voor gevorderden

Voor de argeloze Formule 1-kijker is er weinig toegankelijker dan een inhaalactie: de ene auto poogt de ander te passeren. En dat lukt of mislukt. In het hoofd van de coureur is het allesbehalve zo simpel. Het zo handig mogelijk sturen van de auto langs die van de concurrent is slechts een fractie van zijn takenpakket.

Een coureur opereert bij inhalen op de grens van wat het menselijk brein kan en wat in de natuurkunde mogelijk is. Verstappen moet voor een inhaalactie bijvoorbeeld blind zijn motorinstellingen aanpassen via zijn stuur, dat meer dan twintig knoppen bevat met allerlei functies. Ondertussen moet hij de informatie verwerken die hij krijgt van zijn team. Bijvoorbeeld over de banden van de voorganger.

‘Het gros der coureurs heeft alle hersencapaciteit nodig om de auto alleen al op de baan te houden’, zegt teambaas Frits van Amersfoort. ‘Coureurs als Max hebben dan alleen nog wat capaciteit over voor die ene bijzondere inhaalactie.’

Race-engineer Rik Vernooij herinnert zich het eerste Formule 3-weekeinde met Verstappen op het circuit van Silverstone nog als de dag van gisteren. ‘We verwachtten toen niet veel van hem. Het was zijn debuut en inhalen met Formule 3-auto’s is extreem lastig. Tijdens een race heb je misschien een of twee kansen’, zegt hij. ‘Jos (Verstappen, vader, red.) vertrouwde ons alleen toe dat het wel goed kwam toen hij zag dat de snelheid er was. Max passeerde vervolgens iemand vanuit het niets in een bocht waar ik het totaal niet verwachtte.’

Vernooij wist meteen dat dat hij met een uitzonderlijk talent te maken had. Veel vaker moet hij coureurs die met veel tamtam in een Formule 3-auto stappen na een race uitleggen waar het precies misging bij die ene opportunistische actie die uiteindelijk zes plekken kostte.

Op de vraag of inhaaltalent aangeboren of aangeleerd is, heeft Vernooij geen antwoord paraat: ‘Vanuit evolutionair oogpunt is het lastig te zeggen wie perfect is aangelegd om coureur te zijn, zoals bij een hardloper bijvoorbeeld wel mogelijk is. We rijden pas 150 jaar in auto’s. Misschien kan het over 200 jaar wel, als blijkt dat de nazaten van Verstappen ook zonder training snel zijn in de Formule 1’, zegt hij lachend.

In de wetenschap is er ook nog maar beperkt onderzoek naar gedaan. Zo blijkt uit een Italiaans onderzoek uit 2013 dat de hersenen van F1-rijders ten opzichte van niet-coureurs effectiever werkten tijdens het uitvoeren van visueel-ruimtelijke opdrachten. Nederlandse wetenschappers zagen in 2017 in de simulator alleen weinig verschil tussen profcoureurs en amateurs als het ging om algemene cognitieve en motorische vaardigheden.

Vernooij denkt dat het een combinatie van factoren is. ‘Een groot deel van de coureurs racet omdat ze de financiële mogelijkheden hebben om het te doen. Ze vinden het alleen niet zo leuk daar alles voor te laten. Maar als jij wilt leren om met vijf ballen te jongleren, wat inhalen feitelijk is, moet dat wel. Max heeft zo vaak ingehaald, waardoor het uiteindelijk instinct is geworden.’

Frits van Amersfoort sluit zich daarbij aan: ‘Je kunt een poppetje tot op zekere hoogte snel leren autorijden. Voor het echte racen en inhalen moet je alleen gevoel hebben. Je kunt daarbij niet echt één ding aanwijzen. Een auto op de baan houden is op het juiste moment remmen, gas geven en sturen. Op honderdsten van een seconde nauwkeurig.

‘Max is in de eerste plaats een product van zijn dna. Dat is daarna door Jos verder ontwikkeld. Met die kenmerkende Verstappen-mentaliteit. De ongebreidelde drang om altijd te winnen. Dat zie je in alles bij hem terug.’

Oefening baart kunst

Een coureur leert pas echt inhalen als hij het veel doet, zegt Formule 1-analist en oud-coureur Jan Lammers. Het spel van afhouden, dreigen en het kiezen van het juiste moment kost simpelweg tijd om in de vingers te krijgen.

Het valt Lammers op nu hij met zijn zoontje René (10) over kartbanen door Europa trekt. ‘Het loopt op circuits over van talent. Vooral met jongetjes die heel snel zijn over één ronde. Maar als ze dan in een groepje terechtkomen, duurt het soms wel vijf ronden voordat ze er voorbij zijn. Dat zie je ook nog in de Formule 1.’

Verstappen moest ook hard werken om zijn inhaaltalent te ontwikkelen. Toen hij 10 jaar was, ging hij geregeld op kartvakantie naar Italië met zijn vader Jos en de bevriende kartfamilie Pex.

‘Dan deden we elke dag zo’n veertig races van vijf ronden lang. Expres niet langer, want in de eerste vijf ronden gebeurt vaak het meest’, zei Verstappen tegen het Amerikaanse sportmagazine ESPN. ‘Elke keer begonnen we vanaf een andere startplek. Mijn vader had een iets snellere kart en wij moesten hem dan proberen in te halen of voorkomen dat hij ons inhaalde. Na de race bespraken we wat beter kon. Daar heb ik ontzettend veel van geleerd. Tegenwoordig denk ik amper na over mijn acties. Het gaat vanzelf.’

Volgens Lammers is Verstappen zo goed in inhalen, omdat hij nooit twijfelt. Zoals in Brazilië, in 2016, waar hij hij in de regen van de zestiende plaats opstoomde naar de derde plaats. ‘Hij doet het of hij doet het niet. En als hij het doet, vertrouwt hij erop dat het goedkomt. Dat weet ook degene die hem in de spiegel ziet. Die denkt dan ook eerder: ik laat hem wel gaan, want anders achtervolgt hij me tot op de plee.’

Het is iets dat Frits van Amersfoort in de Formule 3 al zag ontstaan in de hoofden van Verstappens concurrenten, ook al reed de Nederlander slechts één seizoen in de opstapklasse. ‘Dat is bij inhalen al de halve winst. Als Messi aan de bal is, reageert een verdediger ook anders.’

Volgens tweevoudig wereldkampioen Emerson Fittipaldi is verrassing het belangrijkste wapen van de inhaler, schrijft hij in een blog op de website van raceteam McLaren. ‘Als ik vlak achter iemand zat, ging ik kijken in welke bochten mijn auto beter was. Om dat niet te laten merken, ging ik extra dicht op hem rijden in een bocht waar ik hem sowieso niet ging inhalen. Zo bracht ik hem op een dwaalspoor.’

Jan Lammers legt uit dat de aanvallende coureur op tal van manieren in het hoofd van de ander kan kruipen. ‘Het is net zoals op de snelweg. Degene voor hem ziet hem alleen de spiegels. De achtervolger ziet hem op ware grootte. Dat kun je uitbuiten. Zorg dat hij veel in zijn spiegels kijkt, zodat hij minder op de weg let en eerder een fout maakt.

‘Maar zowel met inhalen als verdedigen wil je altijd balbezit hebben. Dus als ik voorop rijd en ik stuur naar links en die ander stuurt naar rechts, weet ik: ik heb hem in m’n zak. Als hij niet reageert, word ik onzeker. Dat spel escaleerde vorig jaar tussen Verstappen en Ricciardo in Azerbeidzjan (crash waarbij beide coureurs uitvielen, red.). Ze negeerden te lang elkaars schijnbewegingen. Dan gaat het fout.’

Lammers benadrukt dat meester-inhalers zich ook realiseren wanneer ze zich juist wel moeten laten inhalen. ‘Bijvoorbeeld als degene achter ze sneller is. Dan kunnen ze mee in het ritme van die ander om bij het volgende groepje te komen. De besten weten wanneer ze moeten vechten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden