Leve Feyenoord 1!

De geschiedenis van het 100-jarige Feyenoord laat zich aflezen aan de liederen over de club. Ze worden gemaakt als er iets te vieren valt – maar ook in mindere tijden laat de zingende Feyenoorder van zich horen....

6mei is een historische datum voor Feyenoord. Op die dag won de club in 1970 niet alleen de Europa Cup I, maar voeren zeven jaar eerder ook in alle vroegte twee supportersschepen uit naar Lissabon voor de tweede halve finale in hetzelfde toernooi, tegen Benfica. Organist Cor Steyn was een van de artiesten die de fans aan boord vermaakten. Elke keer als hij Hand in hand speelde, zette hij een streepje in zijn zakboekje. Op de eerste avond kwam hij al tot 957, meldde Het Vrije Volk. De clubhymne groeide rond die tijd uit tot een nationaal strijdlied.

Als het legioen zijn helden wil ondersteunen, heeft het – als geen andere supportersschare – een ruime keuze uit echte clubliederen. Het aan de wederopstanding van begin jaren negentig gerelateerde Feyenoord, Feyenoord (wat gaan wij doen vandaag?), van Cock van der Palm, rolt nog regelmatig van de tribunes. Net als de door Peter Koelewijn, een Eindhovenaar nota bene, geschreven regels Niets is sterker dan dat ene woord, Fey-e-noord. De bombastische, door Lee Towers vertolkte hymne is de muzikale markering van de laatste landstitel uit 1999, en rond de UEFA-Cupfinale in 2002 genoot Put Your Hands Up For Pi-Air grote populariteit bij de zanglustige supporters.

Ook de viering van het 100-jarig bestaan brengt veel muzikanten in stelling. Met echte supporters als Henk Numeijer (Ja, dat is Feyenoord), de Jaeltes (Feyenoord) en de Westlandse rockgroep Spint (Feyenoord 100 jaar) voorop. Feyenoord zelf kwam met de zielloze housestamper Wij zijn Feyenoord op de proppen. ‘Coolsingel, Brienenoord, Feyenoord, Feyenoord’, luidt het weinig geïnspireerde, doch goed meebralbare refrein. Een slap aftreksel van de huidige, aanstekelijke stadionhit Super Feyenoord, van The Champ.

Het Hand in hand wordt, zij het in de 21ste eeuwse ADHD-versie, nog altijd aangeheven in de Kuip en zal ook de nieuwe odes ongetwijfeld overleven. De eerste plaatversie, uit 1962, werd geproduceerd door Johnny Hoes, geschreven – althans de coupletten – door Jaap Valkhoff en gezongen door Jackie van Dam, drie rasechte Rotterdammers. De derde regel, ‘Geen woorden maar daden’, werd spreekwoordelijk voor de onvermoeibare werklust van de Maasstedeling. Merkwaardig eigenlijk, want in die periode werd het elftal met spelers als Moulijn, Schouten en Bennaars eerder geassocieerd met sprankelend, aanvallend voetbal dan met een mentaliteit van opgestroopte mouwen.

Het marslied vormde in 1963 een stijlbreuk met de ouderwetse clubliederen, die vooral voor de Tweede Wereldoorlog op feestavonden werden gezongen en vaak een cabaretesk karakter hadden. Alleen al de productie aan liedteksten door de Amsterdamse administrateur van Feyenoord, Phida Wolff, in clubblad De Feyenoorder was schier eindeloos.

De beginregels van diens in 1947 als ‘het officiële clublied’ gepubliceerde tekst doen sterk denken aan de veel oudere Ajax Marsch: ‘Daar schalt een juichtoon langs de velden/ Die wordt door heel het land gehoord/ Er valt weer roem en eer te melden/ Van onze club, ons Feyenoord.’ Met drie andere authentieke clubliederen verscheen het in 1962 op een plaatje van het Rotte’s Mannenkoor. Het sneeuwde volledig onder in de Hand in hand-hysterie van die dagen – de prijs werd al snel verlaagd van 5,50 gulden naar 2,75.

Tegenover de hoogdravende strofen van Wolff c.s. stonden de betere Sinterklaasrijmen als ‘Zie ginds komt het Feyenoord-elftal weer aan/ Met rood-witte shirtjes, ik zie ze wel gaan/ Hoe huppelt het elftal het veld op en neer/ Zij loeren op goaltjes als hun groote eer’, in het kampioensjaar 1928 gepresenteerd als Feestlied RVV Feyenoord.

In 1921 componeerde Jacques Blazer – eerder verantwoordelijk voor de befaamde Spartamarsch – de instrumentale Feyenoord Kampioen-marsch, ter ere van de behaalde titel in de overgangsklasse. De halverwege de jaren twintig populaire schlager Ich hab’ mein Herz in Heidelberg verloren leidde tot een clublied dat de gebroeders Geurtz, supporters sinds 1924, zich jaren later nog letterlijk herinnerden en voor Stadsradio Rotterdam ten gehore brachten: ‘Ik heb mijn hart bij Feyenoord verloren/ Al op een mooie winterdag/ Het spel van Rood en Wit kan mij bekoren/ Het was het mooist wat ik ooit zag.’

De toptien-notering van Hand in hand was de voorbode van de vele platen waarmee producers als Johnny Hoes en Pierre Kartner in de jaren zestig inhaakten op de internationale successen van Nederlandse clubs. Lokale zanghelden met een Feyenoordhart doken eveneens geregeld de studio in. De plaatjes rond het winnen van Europa- en wereldcup in 1970 waren niet te tellen. Alleen al aan het stukgetrapte brilletje van een reservespeler, Joop van Daele, werden twee singles gewijd.

Het duo Jaap Valkhoff en Henk Numeijer vroeg zich af wat er verder nog te halen viel, nu hun club de beste van de wereld was: ‘Wat wil je nog meer, ik zou het echt niet weten/ Misschien een wedstrijd tegen andere planeten?’ Authentieke strofen die een gemeend supporterslied naar een hoger niveau tillen. Overigens lag de single nog niet in de winkel of Feyenoord was alweer uitgeschakeld door het nietige UT Arad, waarvan later nooit meer iemand iets vernomen heeft.

Hilarisch, in al zijn charmante eenvoud, is het plaatje dat de selectie opnam na het uitschakelen van AC Milan in november 1969. ‘Wat is dat voor een club, die club uit Rotterdam/ Europa Cup en Europoort, dat is Feyenoord’, zongen de voetbalhelden zonder enige schaamte. Phida Wolff dacht er het zijne van: ‘Bij het lezen van de naakte tekst zal men wellicht het voorhoofd rimpelen over de ‘taalschoonheid’ en als conclusie poneren, dat het op zijn janboerenfluitjes is gedaan. Men verlieze echter niet uit het oog, dat de tekst heel gemakkelijk moet aanspreken, ondersteund als deze pleegt te worden door een pittig muziekje.’ De single, te koop in kruideniers- en groentewinkels, leverde de – uit Amsterdam afkomstige – producenten een gouden plaat op.

Ook in slechte tijden bleven de nieuwe liederen opduiken. ‘Het zit weleens mee, het zit wel eens tegen’, zong Dorus al in zijn verder triomfantelijke Wie heeft er weer het laatste woord (Feyenoord), uit 1969. Beter dan met dit cliché kan de wisselende gemoedstoestand van een Feyenoordfan niet worden verwoord.

Opvallend is de single die ene Coen Kuip uitbracht onder de aandoenlijke titel Blijf proberen Feyenoord. In 1972 eindigde Feyenoord, met een puntenaantal waarmee het zich heden ten dage in de handen zou wrijven, als tweede achter het ongenaakbare Ajax. Een prestatie die destijds werd gezien als een verloren seizoen. Gelukkig belooft de zanger betere tijden: ‘Ja dan knallen we Amsterdam/ Met hun herrie, hun tamtam/ Over het IJ en het Rokin/ Rechtstreeks de vernieling in.’

Daarmee gaf Coen Kuip de ook op plaat bestaande controverse tussen Ajax en Feyenoord een flinke impuls. Op dat punt spande Gerard Cox in 1970 de kroon. De knipoog in zijn treurmars Ajax is dood (‘Moeder ik verzuip/ De cup staat in de Kuip’) werd in Amsterdam niet overal op juiste waarde geschat. Ajax is niet dood, beet Tante Leen venijnig terug vanaf vinyl, Ajax is springlevend – het bewijs, drie Amsterdamse Europa Cups op rij, moet voor Cox afdoende straf zijn geweest.

Drie jaar eerder bracht Dorus het ongelukkige gevoel van een in de hoofdstad ronddolende Rotterdammer – met kaartjes op zak voor de wedstrijd Ajax - Feyenoord – treffend onder woorden. ‘Wat een Rotterdammer het mooist aan Mokum vindt? Da’s de laatste trein naar Rotterdam, dat weet toch elk kind!’

De mooiste karakterschets van de veelgeplaagde Feyenoordfan geeft Werkmansleed, dat Gerard Cox ten gehore bracht in het satirische KRO-programma Cursief. Een weemoedige ballade over het ellendige leven van de hardwerkende havenarbeider. Gelukkig heeft-ie altijd zijn cluppie nog: ‘Feyenoord, Feyenoord, wor maar lekker kampioen’, klinkt het mistroostig, maar immer hoopvol. Je proeft het zondagmorgengevoel: lopend op weg naar de Kuip drogen de straten langzaam op en breekt een voorzichtig, rood-wit zonnetje door de grijze wolken.

Een Feyenoordsupporter moet engelengeduld hebben. ‘Tien jaar moesten we wachten’, verzuchtte ’t Legioentje in Feyenoord kampioen, uit 1984. Waarna een nieuwe periode van wanprestaties volgde. Maar zie, ‘We zijn weer olifant in plaats van muis’, zong de selectie van 1992 parmantig, met twee kersverse bekertitels op zak. Waarmee de zingende Feyenoordselectie voor de tweede maal een topveertighit scoorde.

Dat is die Ajacieden toch maar mooi nooit gelukt.

Met dank aan Paul Groenendijk

Het Hand in hand wordt, zij het in de 21ste-eeuwse ADHD-versie, nog altijd aangeheven in de Kuip.

06VOvoorkant_ph01

Aan boord optredende artiesten, onder wie John Kraaijkamp sr. (tweede van rechts op de voorste rij), poseren op 6 mei 1963 voor de Groote Beer en de Waterman, de schepen die het Feyenoord-legioen naar Lissabon zullen brengen voor de uitwedstrijd tegen Benfica.

Foto ANP / Guus de Jong

06VOvoorkant_ph02

06VOvoorkant_ph03

06VOvoorkant_ph04

06VOvoorkant_ph05

06VOvoorkant_ph06

Een Duits marslied?

Voordat de Feyenoordfans zich het Hand in hand, kameraden toe-eigenden, was het een van de vele algemene voetballiedjes. De oudst gevonden vermelding komt uit de Sportkroniek van 4 augustus 1947 van A.H. Kenters, voorzitter van Excelsior: ‘We hebben ze weer gehoord, langs vele tribunes, in vele toonaarden, die schone hymne Geen woorden maar daden. Het Rotterdamse COAL is er indertijd mee begonnen en de voetbal-goegemeenschap nam het lied prompt over en aldus werd het voetballiederenrepertoire met een machtig epos verrijkt. Geen woorden maar daden! Hebt u ooit een zinrijker woord gehoord? Laast Gij ooit iets verheveners in uw lijfblad? Ik pink nog eens een traan weg.’

Over de authenticiteit van het refrein was begin jaren zestig, rondom de halve finale in het Europa Cup I-toernooi tegen Benfica, heel wat te doen. Het zou een oud kampioenslied van het Dordtse Emma zijn en het dook in 1934 al op als refrein in een jubileumlied van het Schiedamse SVV: ‘Hand in hand, kameraden/ Hand in hand werkt allen mee/ Nu geen woorden maar daden/ Leve SVV.’ Tekst van gelijke strekking was te vinden in de ASV-Marsch, het door kapelmeester Isé Joëls in 1927 geschreven clublied van de Atlantic Sport Vereniging van de Holland Amerika Lijn.

In een ingezonden brief wees muziekleraar L. van der Steen op een liedbundel met Duitse volkswijsjes en marsliederen uit 1887. Daarin zou de originele bladmuziek staan, geschreven door de pianist Wilhelm Speidel. De zoektocht naar het origineel heeft tot nu toe nog niets opgeleverd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.