Lessen om goed te leren lobbyen

Met het overlijden van Anton Geesink raakte Nederland een zetel in het IOC kwijt. Terwijl het met het oog op de organisatie van grote toernooien van belang is op het hoogste niveau vertegenwoordigd te zijn....

Ze was ‘naïef’, zei ze. Denken dat ze zomaar op basis van haar blauwe ogen en verdiensten uit het verleden in de top van een internationaal sportbestuur gekozen zou worden. Rita van Driel, sinds november 2009 bestuurslid van de International Paralympic Council (IPC), de wereldbond voor gehandicaptensport, kan er nu wel om lachen.

Van Driel heeft per slot van rekening haar hoge bestuurlijke baan binnengehaald. Ze zit in het hoogste echelon van haar sport, een plek waar Nederlanders zo vaak ontbreken. ‘Ik werd net op tijd gewaarschuwd. Tijdens een van de masterclasses van NOC*NSF vroeg iemand aan me: zeg Rita, hoe ziet jouw campagneplan er uit?’

‘Nou gewoon’, antwoordde Van Driel. ‘Ze kennen me toch?’ Haar referenties: ‘Ik ben heel actief in de gehandicaptensport en heb andere internationale functies gehad, in de gecombineerde evaluatiecommissies voor de Winterspelen. En ik was technisch gedelegeerde voor het noordse skiën in Salt Lake City.’

Dus hoezo campagne voeren?

Van Driel kreeg te horen dat ze moest gaan lobbyen en een beetje snel ook. Er waren 25 kandidaten voor 10 bestuurlijke plaatsen. Er werden stemmen uitgebracht door 130 lidbonden en een aantal paralympische sporten. ‘Ik moest een tekst maken van 300 woorden. Ik heb een motto bedacht: Connect, Share & Empower. Van verbinden, delen en beter worden. Raak ik de kern van mijn werk, was de vraag. En is dit behoorlijk Engels, dat was een andere.’

Zo ging ze naar Kuala Lumpur, naar de jaarvergadering van de IPC. Ze had de tekst op een mooie kaart, met foto, laten drukken. Het werden drukke dagen bij het verspreiden. Rita van Driel wilde er iets aardigs bij doen, als ze een mogelijke ‘stem’ aansprak. Cadeaus zijn officieel verboden, net als wervende reizen naar leden in andere landen. Een speldje vond ze te klein. Het werd een mosqueton, een klimhaak uit de bergsport, met een oranje vlaggetje eraan.

De workshops in Maleisië waren de gelegenheid haar haken uit te reiken. ‘En ik had een strategie bedacht om samen te werken met een Australische kandidaat. We gebruikten elkaars netwerken. We deden een goed woordje voor elkaar.’

Ze leerde al die praktische handigheden van de leermeesters van de Masterclass Internationaal Sportbestuur, van IOC-erelid Hein Verbruggen, van ex-IOC-lid Els van Breda Vriesman en van voormalig internationaal hockeydirecteur Hans Bertels. ‘Ik moest ervoor zorgen dat ik bekender werd, vonden ze. Dat is niet echt mijn natuur. Maar ik stapte op Phil Craven, de voorzitter van de IPC, af. Ik vroeg hem: wat vind je ervan als ik in jouw bestuur kom? Ik ken hem goed. Craven zei het geweldig te vinden.’

Van Driel moest keihard aan de slag in Kuala Lumpur. Ze had de uitnodigingen van de WK zwemmen voor gehandicapten in Eindhoven meegenomen. Het toernooi was in 2010. ‘Ik had ze gevraagd een mooie invitatie te maken, plus een filmpje. Dat presenteerde ik in de pauze van een workshop. Dan gaf ik ze de uitnodiging en zei: by the way, ik ben ook kandidaat voor het hoofdbestuur.’

Zo kwam Rita van Driel aan 66 stemmen, genoeg om in de eerste ronde in het bestuur gekozen te worden. ‘Ik werd, zonder dat ik het aanvankelijk wist, gesteund door een Amerikaanse die mij kende van mijn werk bij de Paralympische Winterspelen. Zij vond mijn leiderschap heel goed, iets dat je mij zelf niet zomaar hoort zeggen. Ze had contacten met islamitische landen. Die stemmen kreeg ik via haar.

‘Draag een naamkaartje op je revers, zei ze. Zo’n accreditatiekaart hangt altijd voor je borsten. Daar gaat niemand op staan loeren. Nooit aan gedacht. En doe iets opvallends aan om tussen al die mannen in grijs en blauw op te vallen.’

Zo werd Rita van Driel vorig jaar, voor een termijn van vier jaar, gekozen. Ze is op dat niveau als Nederlandse afgevaardigde een tamelijk verdwaalde figuur. Het is zoals de vorige maand overleden Anton Geesink immer betoogde: Nederland heeft onvoldoende vertegenwoordigers in het internationale sportbestuur. Omdat het bestuur van het Nederlands olympisch comité NOC*NSF dat volgens Geesink niet aanmoedigde, vond het IOC-lid het vorig jaar zelfs tijd dat het college moest opstappen.

Het was in de tijd dat Marije Dippel namens datzelfde NOC*NSF al lang actief was met een masterclass, waarin talentvolle sportbestuurders opgeleid worden voor een rol in de internationale wereld. Vier talenten begeleidde ze ten tijde van de uitspraken van Geesink, in oktober te Kopenhagen.

Intussen zijn het er dertien, met Trinko Keen, Bert van Oostveen, Erik van Heijningen en Rita van Driel als eerste leerlingen. Haar nieuwste aanwinsten zijn Henk-Jan Zwolle, Irene Eijs, Chiel Warners, Sylvia Barlag, Michiel van Dijk, Karin van Bijsterveld, Marcelien de Koning, Mark Huizinga en Arnold Vanderlyde. Onder hen zijn twee olympische kampioenen, Zwolle en Huizinga. Dat is een pre in het klimaat van sportbesturen.

Dippel laat in haar ‘klasje’ op Papendal ervaren bestuurders als Hein Verbruggen, erelid van het IOC, aan het woord. ‘Voor mij is Verbruggen wel een soort van hoogleraar.’

Er zijn drie collectieve klassebijeenkomsten per jaar, maar de trajecten zijn ‘heel individueel’ toegesneden. Er worden profielen opgesteld, ontwikkelingsgericht. Dippel: ‘Je kijkt wat je nu in huis hebt. En in welke competentie je zou moeten investeren. Zo’n klas met ex-topsporters is apart. Die sporters hebben een achterstand wat bestuurskennis betreft. Het is mooi dat ze kunnen delen in de ervaring van mensen die op die plekken hebben gewerkt.’

Lobbytechniek staat op het programma. Dippel: ‘Je moet ervoor geschikt zijn. Eens een hork, altijd een hork, zeg ik maar. Als je dat niet kunt, voel je je oncomfortabel in dit soort circuits. Het gaat erom: hoe zit iemand in elkaar. Dat is niet helemaal te vormen. Ik ben wel op Clingendael geweest, om ze te informeren wat wij doen. Je moet onderhandelingstechniek aanleren, dan is Instituut Clingendael een mogelijkheid. Sportbestuur, daar zitten overeenkomsten in met het diplomatieke circuit. Ons werk is op maat.’

Met dertig bonden heeft Dippel een traject afgesproken voor de komende jaren. ‘Er is een plan voor ze gemaakt. Plus een strategische scan. Wat is de internationale positionering van de bond? Welke evenementen wil je binnenhalen? En voor het acquireren van zo’n toernooi moet je een zetel in het internationale bestuur bezetten.’

Het Nederlands klinkt niet vaak in de hoogste kringen van de internationale sport. In het IOC is er alleen nog prins Willem-Alexander. In twee jaar verdwenen drie Nederlandse leden: Verbruggen, Van Breda Vriesman en Geesink.

In internationale besturen zijn Jan Dijkema, vicevoorzitter van de internationale schaatsunie (ISU), Jan Albers (hockeyfederatie FIH) en Joop Atsma (hoofdbestuurslid wielrenunie UCI) de hoogst geplaatsten. Michael van Praag (Europese voetbalunie UEFA) en Erik van Heijningen (Europese zwembond LEN) horen daar ook bij. En dan is er nog een secretaris-generaal (Jeroen Pels) bij de ISAF (zeilen).

In lagere echelons zijn tal van Nederlanders actief, leden van dopingpanels, kascommissies en technische commissies. Het zijn er tegen de 200, volgens het rekensommetje van Dippel. ‘Het valt wel mee met die slechte vertegenwoordiging van Nederland.’

Hoe dan ook, bovenin is het rustig. De enige Nederlander die een internationale sportbond voorzit, is Jan Fransoo. De Eindhovense hoogleraar is preses van de korfbalfederatie IKF. Dat zetelt in Zeist, op het terrein van de KNKV, het nationale korfbalverbond. Fransoo is ook voorzitter van de ARISF, de olympisch erkende bonden. Hij kent de oorzaken van de verloren bestuursinvloed. ‘Het is deels toeval. Daarover moeten we niet al te dramatisch doen. Aan de andere kant heeft het bij NOC*NSF een aantal jaren ontbroken aan heus beleid op dat gebied. Dat is nu een stuk beter. Er is nu beleid op dat gebied. Het is een jaar of zes erg veronachtzaamd.

‘Andere landen maker er veel meer werk van. Als een Italiaan voorzitter of secretaris wordt van een grote federatie, dan krijgt hij een bureau in Rome, bij het olympisch comité, en geld om zijn belangen te vertegenwoordigen. Twintigduizend euro, om zo iemand wat makkelijker te laten reizen. Reisgeld. Wat belangrijk is als je je als land wilt neerzetten. In Nederland doen we daar een beetje moeilijk over.’

Die tegemoetkoming bestaat in Nederland niet. ‘Vanuit het NOC niet, en ook van het ministerie van VWS (Sport) komt er niets. Tot een aantal jaren geleden was er een toelage voor internationale bestuurders, maar die is stopgezet. In mijn geval heb ik steun van het Nederlands korfbalverbond.

‘Ik denk dat het verstandig is als men gedifferentieerd meer middelen inzet. Als international bestuurder kun je kosten claimen bij je federatie. Maar het is ook hobby. Dat betekent dat je veel uit eigen zak betaalt. De uren sowieso. Die zijn onbetaald. Ik neem verlof op. Ik ben voltijds hoogleraar aan de TU in Eindhoven, 50, 60 uur per week. Mijn werkgever is redelijk flexibel.’

Henk Rottinghuis probeert dit najaar in Taipeh de voorzitterspositie van de internationale hippische federatie (FEI) over te nemen. De paardenman uit Nederland is een campagne begonnen om prinses Haya van Jordanië van de hoogste post te krijgen. Blauw bloed beconcurreren in deze tak van sport heet een moedige stap. ‘Sommigen noemen het dom’, zegt hij.

De verkiezingsplannen komen onverwacht voor de man die tot voor kort de hoogste baas van Pon Holding was. ‘Als je me dit een half jaar geleden had gezegd, had ik je uitgelachen. Maar ik ben ook ijdel, anders had ik mijn vinger niet opgestoken.’

Rottinghuis heeft een honderd dagen durende luistercampagne achter de rug en schrijft nu aan zijn verkiezingsprogramma. Hij profileert zich als de man die de wereld van de paardensport te ‘Eurocentrisch’ vindt. ‘We moeten een wereldbond zijn. Ik heb bij een Afrikaans congres in Johannesburg gezegd dat ik in 2028, bij de Spelen in Nederland, graag een Zuid-Afrikaanse winnaar zie. Als we geen echte wereldsport worden, dan verliezen we de race tegen sporten die dat wel zijn.’

Rottinghuis wordt bij zijn kandidatuur gesteund door de nationale bond KNHS, verder komt het vooral aan op zijn eigen (financiële) kracht. ‘Het is typisch Hollands dat er geen ondersteuning is. Wil je hieraan mee doen en een kans hebben, dan kun je niet kneuterig Hollands opereren. De Nederlandse regering moet begrijpen dat we dat olympisch vuur voor 2028 samen moeten aansteken.

‘Ik reis me suf, ik heb een site, ik organiseer hulp. Ik kan het me permitteren. Maar ik houd het bedrag dat het kost voor me, voordat mijn eigen vrouw gaat protesteren.’

Chiel Warners, ex-tienkamper, vijfde bij OS 2004
Waarom neemt u deel aan de masterclass voor sportbestuurders?

‘Ik doe eigenlijk de cursus omdat ik als toekomstig sportbestuurder iets wil terugdoen. Als atleet liep ik nog weleens te klagen over deze mensen als iets niet ging, of te traag verliep. Daarom vind ik ook dat je het dan ook zelf moet kunnen. Klagen vanaf de zijlijn is gemakkelijk, maar in de praktijk is het altijd moeilijker. Dat besef je je niet als sporter.’

Welke ambitie heeft u?

‘Voorlopig zit ik in het bestuur van de Atletiekunie en doe ik dingen in de atletencommissie voor NOC*NSF. Ik denk dat wij als ex-topsporters het nodige kunnen toevoegen aan het al bestaande bestuursklimaat. Op mijn beurt leer ik weer van anderen. Op termijn wil ik wel iets voor de Europese atletiekunie betekenen. Daarin heb je meer vrijheid dan in de overkoepelende IAAF.’

In vergelijking met sport is besturen toch saai?

‘Nee, niet zozeer saai, het is meer dat je het niet gewend bent als topsporter. Als topsporter denk je heel anders. Als bestuurder moet je meer overleggen, soms diplomaat zijn. Als topsporter denk je vaak alleen aan jezelf. Dat is soms wennen.’

Wordt u ooit IOC-lid?

‘Ik denk niet dat ik daar nu de aangewezen persoon voor ben. Je moet, als je IOC-lid wilt worden, toch de nodige faam hebben opgebouwd in de sport, of als bestuurder al het nodige hebben bereikt. Ik heb dat niet gedaan als sporter, en als bestuurder sta ik aan het begin.

Marcelien de Koning, zeilster, olympisch zilver 2008
Waarom neemt u deel aan de masterclass voor sportbestuurders?

‘In het zeilen duurt het vrij lang voordat er beslissingen worden genomen en daar wil ik wat aan veranderen. Topsporters in het bestuur kunnen daarin verandering brengen. Dat komt het zeilen ten goede, denk ik.’

Welke ambitie heeft u?

‘De Spelen van 2028 naar Nederland halen, dat is mijn uiteindelijke doel. Daarbij wil ik in de atletencommissie van het IOC proberen te komen.’

In vergelijking met sport is besturen toch saai?

‘Ha ha, ja als topsporter ben je dit niet gewend. Vooral het politieke gedeelte, met al dat lobbyen, is moeilijk voor ons omdat we het niet gewend zijn. Als topsporter zijn we gewend dat alles gedaan wordt.’

Wordt u ooit IOC-lid?

‘Ik denk dat het te hoog gegrepen is voor mij. Er gaat veel tijd en energie in zitten en buiten het zeilen om heb ik niet de luxe om lekker achterover te leunen.’

Mark Huizinga, judoka, olympisch kampioen in 2000
Waarom neemt u deel aan de masterclass voor sportbestuurders?

‘De cursus is bedoeld om meer topsporters op te leiden als bestuurder. Op termijn wil ik het misschien wel, maar ik ben er nog niet helemaal uit. Ik ben wel een regelmatige bezoeker van de bijeenkomsten. Ik zit er een beetje half-half in.’

Welke ambitie heeft u?

‘Als ik ambitie heb in de toekomst, ligt die bij de Internationale Judo Unie. Daar ligt mijn eerste prioriteit.’

In vergelijking met sport is besturen toch saai?

‘Ik weet het niet. Ik kan daar nog niet zoveel over zeggen. Als topsporter heb ik daarmee geen ervaring.’

Wordt u ooit IOC-lid?

‘Ik sluit niets uit op termijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden