Interview Lee Towers

Lee Towers is al 25 jaar de crooner van de Rotterdam Marathon

Hij is de mascotte van de recreanten. Als Lee Towers zijn You’ll never walk alone inzet, weten 17 duizend lopers zondag in Rotterdam dat het uur U daar is. Kippevel.

Lee Towers zingt de duizenden deelnemers aan de marathon van Rotterdam voor de start toe vanaf een hoogwerker op de Coolsingel. Beeld Ronald Hoogendoorn

Twee bruine boterhammen, een met kaas, de ander met appelstroop. Daarna een bakje kwark. Een kopje koffie en ­onderweg in de auto de stem opwarmen met zangoefeningen. Al 25 jaar lang verloopt de voorbereiding van Lee Towers op de marathon van ­Rotterdam volgens hetzelfde patroon.

Traditiegetrouw zingt Towers (echte naam: Leen Huijzer) voor de start de klassieker You’ll Never Walk Alone.  Aan de voet van de Erasmusbrug, vanaf een gifgroene hoogwerker, geeft hij de circa 17 duizend deelnemers vlak voor hun beproeving van 42 kilometer, een ­‘adrenalinestoot’ mee. De Erasmusbrug is het beeld van het loopfestijn, Towers het geluid.

In de lobby van het Kurhaus, om de hoek van zijn appartement in Scheveningen, vertelt Towers dat hij ook dit jaar weer berichtjes heeft ontvangen van deelnemers die hem haast bezorgd ­vragen of hij er ook deze editie weer bij is. Ze hoeven niet te wanhopen. ‘Ik ­behoor tot de inventaris.’

Het idee om Towers, hoog boven de ­lopers uittorenend, You’ll Never Walk Alone te laten zingen, is van directeur Mario Kadiks, ‘de baas van het hele spul’. 

‘Hij zei: ‘Leen, ik wil een beetje omlijsting van de marathon. Lijkt het je wat om te komen zingen?’ Sindsdien zijn de marathon en Towers met elkaar vergroeid geraakt.

Niet dat hij zelf een fanatiek loper is. In zijn jonge jaren deed Towers aan judo. ‘Hier, moet je kijken.’ Hij rolt zijn broekspijp op. ‘Twee japen. Ze hebben me helemaal in elkaar geschopt.’ Op zijn 21ste werd zijn meniscus verwijderd. Later volgde nog een operatie. Van hardlopen is het nooit meer gekomen.

Soms zakt Lee Towers deze ochtend in het Kurhaus bijna weg in het zachte bankstel. Dan moet hij gaan verzitten. Bij langere optredens staat tegenwoordig een kruk klaar. Sinds een operatie aan zijn rug, zeven jaar geleden, waarbij een zenuw werd geraakt, loopt hij stram. Na het interview helpt de verslaggever hem in zijn jas. ‘We zijn geen 18 meer hè.’

13.000 keer zijn lijflied

Towers (73) is een icoon in de Nederlandse muziekgeschiedenis. 51 keer zong hij sportpaleis Ahoy vol. Hij was de man die een sprankje Las Vegas naar de polder bracht, maar tegelijk ook een jongen van het volk bleef. Opgegroeid in een zwaar christelijk gezin in Bolnes, onder de rook van Rotterdam.

Zijn vader, geboren in 1888, werkte bij Hollandia, het bedrijf van de vader van oud-premier Ruud Lubbers. Het was sappelen geblazen. Geld voor vakanties was er niet. Hoe vaak hoorde hij in zijn jeugd niet dat ene zinnetje: ‘Nee Leen, dat is niet voor ons soort mensen weggelegd.’

Als onderhoudsmonteur in de Rotterdamse haven kreeg hij van Willem Duys een kans in de entertainmentindustrie. Misschien past You’ll Never Walk Alone daarom wel zo goed bij hem, zegt ­Towers. ‘Mensen weten dat het mij ook niet is komen aanwaaien. Ik ben het bewijs dat je met hard werken wél van een dubbeltje een kwartje kunt worden.’

You’ll Never Walk Alone werd in 1945 door Richard Rodgers en Oscar ­Hammerstein geschreven voor de musical ­ Carousel, maar is het bekendst in de versie van de Liverpoolse band Gerry & the Pacemakers uit 1963. Het nummer werd geadopteerd door de fans van Liverpool en wordt tot op de dag van vandaag voor elke thuiswedstrijd ­massaal meegezongen.

Towers transporteerde het nummer in 1975 naar die andere havenstad, Rotterdam, waar het ook door Feyenoord als lijflied werd omarmd. Snel uitgerekend komt hij uit op 13 duizend keer dat hij het nummer gezongen heeft. Op de ­uitvaart van voetballegende Coen ­Moulijn, maar net zo goed tijdens de Rijnweek in Rhenen.

Het is, zegt Towers, het ideale evenementennummer. ‘Iedereen kan uit You’ll Never Walk Alone halen wat-ie wil. Hoop, saamhorigheid, volharding; het zit er allemaal in.’

In de loop der jaren heeft hij vijf ­versies gemaakt: de originele uit 1967, eentje met een symfonieorkest, een Las Vegas-versie, een jazz-versie en de feest-versie. In Rotterdam zal zondagochtend, even voor tienen, de Las Vegas-versie klinken.

Towers begint te luchtdrummen. ‘Tak-tak-tak-tak-tak.’ Daarna valt hij zelf in: ‘Walk on’. Even later: ‘Hij blaast je meteen omver. Moet ook. Anders bereik je die mensenmassa niet. Het is de niet-lullen-maar-poetsen-versie.’

Nee, zenuwachtig is hij niet voor het optreden. ‘Het is maar één liedje dat ik hoef te zingen hè. Als ik daar eenmaal sta, komt de adrenaline vanzelf.’ Hoogtevrees heeft hij evenmin, al heeft dat niets met zijn bijnaam ‘de zingende kraanmachinist’ te maken.

Zijn wijsvinger gaat de lucht in. ‘Ik zal je wat moois vertellen. Ik was helemaal geen kraanmachinist, maar werkte als onderhoudsmonteur in de haven. Alleen was ik toevallig net een keer in zo’n kraan bezig toen de Avro opnames kwam maken. Ik heb het maar zo gelaten. De zingende kraanmachinist klinkt beter als de zingende monteur, toch?’

Ellebooggebaar

De gouden microfoon, waarmee hij steevast optreedt (‘Nee, ik heb hem niet in de auto liggen, technici nemen hem voor mij mee’) is ook zo’n toevalligheid. ‘Ik kreeg hem als dank van de bedrijven die in Ahoy voor licht en geluid hadden gezorgd. Eerlijk gezegd was ik er een beetje verlegen mee. Ik dacht: is dat niet een beetje over de top? Ik ben toch niet Tom Jones?’ Maar niet gebruiken zou ­helemaal ondankbaar zijn geweest. ‘Mensen bleken het prachtig te vinden. Het ellebooggebaar, die microfoon, op een gegeven moment gaat het bij je ­horen. Zo gaat dat.’

In de 25 jaar dat hij optreedt voor de marathon van Rotterdam is er nauwelijks iets voor hem veranderd. Hij komt aan, doet een soundcheck, wordt omhoog getakeld en wacht op, zoals hij het noemt, ‘het uur U’.

In de loop der jaren zag hij wel steeds meer mobiele telefoons de lucht ingaan, zodra hij begon te zingen. Op YouTube staat het vol met filmpjes. En de start­locatie veranderde. Van de Coolsingel ging het twee jaar geleden naar de voet van de Erasmusbrug. Als ambassadeur van Rotterdam vond Towers het prachtig. ‘Die plaatjes vanuit de lucht van het Manhattan aan de Maas. Schitterend.’

Hij mag dan in Scheveningen wonen (‘Alle ambassadeurs wonen in het buitenland, toch?’), Rotterdam is en blijft zijn stad. Hij is ambassadeur van de haven en erelid van de prestigieuze Marine Club. Twee gerenoveerde flatgebouwen dragen zijn naam: de Lee Towers.

De wederopbouw van de stad ging ­gelijk op met zijn carrière. Hard werken, nooit opgeven; het is hun beider motto. ‘In Rotterdam verkopen we de overhemden met opgerolde mouwen.’

Kippevel en high fives

Ergens appelleert You’ll Never Walk Alone ook aan dat sentiment. Vandaar dat het zo goed bij de marathon past, vindt hij. ‘Het heeft iets te maken met op dezelfde golflengte zitten, respect hebben voor elkaar. Er vertrouwen in hebben dat het altijd goed komt, hoe erg de situatie soms ook lijkt.’

Vanuit de lucht ziet Towers de emoties bij de duizenden deelnemers. En dat bezorgt hem weer kippevel. Alleen de toppers hebben nooit oog voor die zanger, hoog boven hen. Hij snapt het wel. ‘Je moet jezelf ook weer niet ­ overschatten. Ik denk niet dat die Afrikaanse jongens ooit van mij hebben gehoord. Als ik nou Tom Jones was... Ik ben er vooral voor de recreanten. De toppers zitten voor die start in hun eigen wereldje.’

Als hij klaar is wordt Towers direct naar beneden gebracht, zodat hij op tijd is voor het startschot, dat traditiegetrouw met een kanon wordt gegeven. Daarna staat hij klaar om deelnemers high-fives te geven. ‘Pats, pats, pats. Dan zie je de mensen glimmen. Blij en trots dat ze je gezien hebben.’

Geef nooit op

Vervolgens, als het voor de lopers begint, zit het voor hem erop. Sinds die rugoperatie blijft Lee Towers niet meer tot het einde van de marathon, maar hoort hij in de auto hoe het wedstrijdverloop is. De finish ziet hij thuis in Scheveningen voor de tv.

‘Never give up’, wil hij nog als boodschap meegeven aan de deelnemers. ‘Ik heb zo ongelofelijk veel respect voor die mensen. Maandenlang heeft hun leven in het teken gestaan van die marathon. Ze zullen pijn lijden, moeilijke momenten hebben. Maar ze zullen volharden, dat weet ik zeker. Aan het eind wacht de golden sky. Die medaille, de beloning.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.