'Laat mij nou een paar jaar mijn gang gaan'

Het eeuwige geklungel van NEC, het bijna jaar na jaar vechten tegen degradatie uit de eredivisie. Dat moet maar eens afgelopen zijn, vindt Hans van Delft....

BIJ NADERE beschouwing is het zo vreemd nog niet dat Hans van Delft, de nieuwe voorzitter van NEC, zetelt in een antieke villa naast het Keizer Karelplein, op de hoek van de aloude Oranjesingel. Tenslotte is er wel meer oud aan de Nijmegen Eendracht Combinatie. De stad is oud, aanvoerder Anton Janssen mag met zijn ruim 33 jaar voor een voetballer oud heten en stadion De Goffert zou op de monumentenlijst niet misstaan.

Opmerkelijk is het evenmin dat de NEC's topman met zakendoen rijk is geworden en over die rijkdom niet buitengewoon geheimzinnig doet. Het Hollands welvaren straalt van hem af, van zijn ietwat Wiegeliaanse hoofd en gestalte, van zijn strakke maatpak en van zijn kantoor, gesitueerd in een villa vol schilderijen en sculpturen, de Delta Art Gallery. 'Mijn vrouw en ik omringen ons graag met mooie kunst.'

Zo zijn ze steeds vaker, de moderne bazen in het moderne clubvoetbal. Zakenlui met een passie voor het eigen ego, met een passie voor kunst, met een passie voor het speeltje van het volk, met een daadkracht die het aardse bijna ontstijgt. Een nieuw stadion bouwen? Doen we even, laat dat maar aan ons over. Een plaats in de top of subtop van de eredivisie? Moet kunnen, over een jaar of wat is het zover. Nieuwe sponsors aantrekken? Geen probleem. Het ledental van de businessclub verdubbelen? Moet mogelijk zijn.

Ze treden graag in de openbaarheid en noemen zich Dirk Scheringa, Karel Aalbers en Jorien van den Herik. Zou Hans van Delft, per 1 april jongstleden de grote roerganger van het kleine NEC, een van hen kunnen zijn? IJdeltuit met de ijdeltuiten?

Bij het betreden van de gallery rijst onwillekeurig het vermoeden dat Hans van Delft, tot 1989 fabrikant van papier en plastic bekertjes, sindsdien handelaar in onroerende goederen, de Nijmeegse variant is van Dirk Scheringa, de Opmeerse kredietverlener annex museumbaas, die zich inkocht bij AZ, in de strijd tegen degradatie lukraak spelers kocht, de trainer op non-actief stelde en niet schroomde op het pluche van die trainer plaats te nemen. Als het elftal nu eens zus of zo ging spelen, in een ruit in plaats van in een driehoek, dan zou het allemaal wel goed komen. Mooi niet dus.

Van Delft barst in een schaterlach uit als hem de vraag wordt gesteld of hijzelf ook vindt dat hij op het eerste gezicht wel wat weg heeft van het type Scheringa en bast zodra de schaterlach is verstomd: 'Onzin, absolute onzin.' Geduldig legt hij uit dat elke gelijkenis met zijn geachte collega van AZ louter op toeval berust.

'Scheringa heeft een museum, deze gallery staat op naam van mijn vrouw.

'Scheringa heeft eigen geld gestoken in zijn club, ik peins er niet over dat bij NEC te doen. Ik heb nog geen gulden in de club geïnvesteerd, en ik ben ook niet van plan dat te doen, nu niet, straks niet en nooit niet.'

'Scheringa bemoeit zich, als het tenminste waar is wat zoal over hem geschreven is, met het spel, met de tactiek, misschien ook wel met de opstelling. Dat zal ik nooit doen. Ik wil het niet en ik kan het niet. Doodeenvoudig omdat ik nu eenmaal de ballen verstand van het spelletje heb.'

'Ik moet er niet aan denken om in de kleedkamer te oreren zoals Scheringa heeft gedaan. Jakkes'

Maar het grootste verschil tussen hem en Scheringa, en dat wil Van Delft toch wel heel graag beklemtoond zien, is dat het AZ van Scheringa uit de eredivisie is getuimeld en dat het NEC van Van Delft toch maar mooi aan rechtstreekse degradatie is ontsnapt en via de nacompetitie, zeker weten, ook volgend seizoen in de eredivisie te bewonderen zal zijn.

In zijn jonge jaren was voetbal zijn favoriete sport niet. Dát heeft hij tenminste wel gemeen met zijn Alkmaarse collega. De jonge Van Delft hield er andere liefhebberijen op na. Tennissen, zijn best doen op de HBS, opklimmen naar de top van Depa, de papierfabriek van zijn vader.

De elegantste voetballer die NEC ooit heeft voortgebracht, Tini van Reeken, woonde in de Bloemersstraat maar een paar deuren verder, maar denk vooral niet dat de jonge Van Delft ooit op de Hazenkamp-tribune klauterde om zijn buurjongen te zien goochelen met de bal. Hij wist waar het stadion lag, in het Jonkerbos tegenover een begraafplaats annex rouwcentrum, maar verder strekte zijn kennis van de volksclub niet.

0 OOIT WAS HIJ in de jaren zestig, toen NEC goede sier maakte in de salon van het betaald voetbal, getuige van de fluwelen passes van Tini van Reeken, van het harde sjouwen van Bennie Werts, de punters van Chris Geutjes, de zweefduiken van Nico de Bree, de in Nijmegen nog altijd populaire 'witte schicht', van de kopballen van de brildragende back Smit.

En waar was Hans van Delft, toen NEC in de herfst van 1983 met zijn kappers en draaiers Jantje Peters en Frans Thijssen Europa onveilig maakte? Brann Bergen, de bedwinger van PSV anno 1996, in de eerste ronde van het toernooi voor bekerwinnaars versloeg en in de tweede ronde thuis brutaalweg met 2-0 voor kwam te staan tegen het ook toen al grote en machtige Barcelona.

In een of ander tennisstadion waarschijnlijk, want Van Delft was in die jaren betrokken bij de organisatie van tennistoernooien voor oud-profs, de Okkers, de Newcombes en de Nastases. Hij frequenteerde Roland Garros, Wimbledon en andere grote tennisstadions, maar kwam zelden of nooit in De Goffert. Hij had nu eenmaal niets met NEC en NEC had nu eenmaal niets met hem.

Hans van Delft kende nog niet eens de eerste strofe van het clublied, een rijmelarijtje dat zeker in die gouwe jaren elke supporter op de Hazenkamp-tribune uit volle borst meezong, zonder ook maar een strofe te hoeven spieken.

Daar, aan de boorden van de Waal, ligt de oude Keizerstad;

die door de eeuwen heen de taal des keizers nooit vergat.

Die taal van vechten voor het doel kregen wij van hen mee,

met juist beleid, de hoofden koel, vechten voor NEC.

Toch wisten ze hem, de geslaagde zakenman met een 'groot hart voor Nijmegen', te vinden toen in de boezem van de club het idee rijpte om een nieuw stadion te laten verrijzen op de puinhopen van De Goffert. Er werd een stuurgroep van wijze en invloedrijke burgers geformeerd en weldra bereikte hem het verzoek of hij zin en tijd had om daarin zitting te nemen. Van Delft had tijd, want zijn papierfabriek met een jaaromzet van ruim 100 miljoen was inmiddels verkocht, en zin, nee dat had hij niet, maar zin kon hij natuurlijk altijd maken.

Van het een kwam het ander. De eerste man van de club, Lex Coenen, raakte begin dit jaar aan het sukkelen met zijn gezondheid en moest zijn functie neerleggen. Er verschenen twaalf namen op het lijstje van de commissie van aanbeveling, met die van Van Delft op de eerste plaats. Hij voelde zich vereerd en hapte toe. 'Ik ben ook maar een mens en een zekere mate van ijdelheid is mij niet vreemd. Dat zal best een rol hebben gespeeld.'

Maar geen overheersende rol, denkt Leen Looyen, de technisch directeur en interim-trainer sinds het ontslag van Wim Koevermans, zeker te weten. 'Er lopen in de voetbalwereld nogal wat engerds rond. Ik zal geen namen noemen, iedereen kent ze wel, de egotrippers en ijdeltuiten. Van Delft is beslist anders. Hij heeft zich hier niet ingekocht. Het belang van de club, het belang van Nijmegen, alleen daar is het hem om te doen.'

IJdelheid nochtans, Van Delft geeft het zelf toe, en een tikkeltje afgunst. Wat Arnhem, het vijandige Arnhem met Vitesse uithaalt, Europees voetbal en straks een hypermodern stadion, het Gelredome, dat zit hem en met hem alle andere Nijmegenaren niet lekker. 'Nijmegen is een typische voetbalstad, meer dan Arnhem ooit geweest is en ooit zal zijn.'

De Nijmegen Eendracht Combinatie raakte in de afgelopen tien, twintig jaar door verkeerd beleid, door slecht management, door magere prestaties op het veld in de versukkeling. De club zag haar aanhang meer dan halveren, van pakweg 15.000 gemiddeld in de jaren zestig en zeventig naar 4.500 gemiddeld nu, en Arnhem heeft, geeft Van Delft ruiterlijk toe, daar heel handig op ingespeeld. 'Arnhem is met het Gelredome niet meer in te halen, daar moeten we in Nijmegen maar in berusten. Vitesse is geen serieuze concurrent meer. Onze toppositie in de provincie hebben we verspeeld. Maar dat wil nog niet zeggen dat Nijmegen als voetbalstad geen toekomst meer heeft. NEC is van oudsher van het volk en voor het volk. De club heeft in potentie een grotere aanhang dan Vitesse.'

Vitesse mikt op 27 duizend toeschouwers gemiddeld in het Gelredome, uit Arnhem en omgeving, uit Tiel, Rheden, Bemmel en Elst en, zo hopen ze in Arnhem, uit Nijmegen vooral. Niet voor niets verrijst het stadion ten zuiden van de Rijn, op hooguit tien autominuten van de keizerstad. Daar is, vermoedt men in Nijmegen, ongetwijfeld goed over nagedacht door voorzitter Aalbers en de zijnen.

Maar niet goed genoeg, pareert Van Delft. Een Nijmegenaar die in Arnhem naar het voetballen gaat, een Nijmegenaar met het clubsjaaltje van Vitesse om de hals? Onbestaanbaar. 'Arnhem en Nijmegen, dat zijn twee verschillende werelden. Arnhem is Hollands, Nijmegen is Bourgondisch. Arnhemmers gaan stappen in Nijmegen, Nijmegenaren zullen dat nooit in Arnhem doen. Laat Vitesse nou maar dat grote stadion bouwen. Ik wens ze daar veel geluk en voorspoed mee en ik hoop van harte dat ze het stadion vol krijgen. Maar wij hoeven zo'n accommodatie niet. Het stadion dat wij nastreven zal klein zijn, niet meer dan tien- hooguit twaalfduizend plaatsen, intiem en gezellig. Een stadion waar gevoetbald, geleefd en hopelijk gefeest wordt. Een bruine kroeg in het groot.'

Die kroeg moet er dan wel gauw komen, want Arnhem is ambitieus en het gevaar is niet denkbeeldig dat NEC nog eens zal worden opgeslokt door de grote, boze buurman. NEC als filiaal van Vitesse, er zijn Nijmegenaren die bij de gedachte daaraan de slaap niet kunnen vatten. Maar die angst is op niets gebaseerd, stelt Van Delft de goegemeente gerust. 'Ik ben altijd zelfstandig ondernemer geweest en kan iedereen verzekeren dat ik nooit een opleiding tot filiaalchef heb genoten. Mensen boven mij kan ik niet verdragen. Ik had als jonge jongen al moeite met de autoriteit van mijn vader.'

Mooi gesproken, denkt en zegt Leen Looyen, die al een half mensenleven werkzaam is in de Goffert en de gevoeligheden van de Nijmeegse voetbalziel beter dan wie ook kent. 'Als dat gebeurt, als Vitesse NEC overvleugelt en ook nog eens opslokt, dan zijn de rapen gaar. Breken de supporters de tent af en doet het bestuur er verstandig aan naar een heel ver en vreemd land te emigreren, en wel zo snel mogelijk.'

Van Delft vraagt de supporters om geduld. 'Laat mij nou maar een paar jaar mijn gang gaan. Ik ben een bouwer en ga een uitdaging niet uit de weg. Nijmegenaren zijn cynisch of cynisch geworden door het feit dat hun club nu al jaren achtereen vecht tegen degradatie. Ze denken al gauw dat het onmogelijk is wat ik wil met deze club. Maar ik geef ze op een briefje dat het wel degelijk mogelijk is. Over drie, vier jaar zal de begroting verdubbeld zijn, is er een nieuw stadion, zal de club in al haar geledingen geprofessionaliseerd zijn en maakt de ploeg deel uit van de Top-10.'

Looyen moet dat allenaal nog zien gebeuren, maar hij is geneigd zijn nieuwe baas het voordeel van de twijfel te geven. 'Van Delft is tot veel in staat, dat geloof ik zeker. Hij heeft relaties in de zakenwereld, kan leiding geven en heeft zonder enige twijfel het vermogen om de begroting op te trekken naar 14 á 15 miljoen, wat nodig is om in de middenmoot van de eredivisie te spelen. Maar ik heb hem in ons eerste gesprek ook gewaarschuwd. Pas op, een voetbalclub runnen is wat anders dan een bedrijf runnen. Bij NEC lopen veel vrijwilligers rond, die maken zeker zeventig procent van het totale bestand uit. Die mensen hebben veel voor NEC betekend. Ze hebben de club groot gemaakt. Professionaliseer de club, doe dat gerust, want het is nodig, maar hou die vrijwilligers alsjeblieft in ere.'

0 ET RUNNEN VAN een club, zelfs van een bescheiden eredivisieclub als NEC met al die vrijwilligers, is, zo weet Van Delft intussen, al duur genoeg. 'Wat mij bij mijn aantreden, toen ik voor het eerst inzage kreeg in de boeken, vooral opviel was de post salarissen. Daar ben ik enorm van geschrokken. Niet zozeer van de totaalbedragen alswel van de procentuele verhogingen die de spelers sinds het Bosman-arrest hebben bedongen. In het bedrijfsleven heb ik dat nooit meegemaakt. Ook daar gaan de lonen omhoog, maar die stijgingen zijn dan toch vooral gerelateerd aan de prestatie.'

Van voetbal heeft hij geen verstand, al wordt hij sinds zijn aantreden regelmatig waargenomen op de ereterrassen, maar het is hem wel opgevallen dat 'van de drie miljoen die we van van Sport 7 hebben gekregen, geen voetballer beter is gaan spelen. We zijn er alleen maar armer van geworden.' Wat hem bovendien onaangenaam verraste was dat clubtrouw niet langer bestaat. 'Er zijn er nog maar een paar die voor een paar centen meer niet bij je weglopen. De spelers zijn buitengewoon mondig waar het gaat om hun loon. Als dat zo doorgaat, bestaat een ploeg straks niet uit elf spelers, maar uit elf bv'tjes'

Leen Looyen kan zijn voorzitter moeiteloos voorrekenen dat de salarissen minimaal verdubbeld zijn. 'Tachtig procent van de meeropbrengsten uit de televisiecontracten is opgegaan aan tussentijdse loonsverhogingen. Daardoor kampen nogal wat clubs met grote liquiditeitsproblemen. Ik gun de spelers dat extra loon van harte, maar ze moeten wel bedenken dat ze met hun financiële eisen de werkgelegenheid in gevaar brengen. De KNVB heeft dat allemaal maar toegelaten en het is daarom aan de KNVB om in te grijpen. Er zou een convenant moeten komen, noem het voor mijn part een CAO, waarin de hoogte van de salarissen wordt geregeld en waarin het toekennen van tv-gelden wordt gekoppeld aan bepaalde voorwaarden.'

Van Delft tilt daar vooralsnog niet zwaar aan. Het valt allemaal wel te behappen, denkt hij, want voetbal is, denkt hij, een 'groeimarkt die enorm in beweging is. De aandacht van de media voor sport en voor voetbal in het bijzonder groeit nog steeds. Kijk naar Engeland, kijk naar Duitsland, kijk naar ons eigen land. De sector gaat in sneltreinvaart vooruit. Je moet wel erg naïef zijn om daar niet van te profiteren.'

Het klinkt Looyen als muziek in de oren. Eindelijk een voorzitter die van wanten weet. En dat zijn baas zo weinig benul heeft van voetbal dat hij niet eens weet wat er in de bal zit, lucht of zaagsel, is alleen maar meegenomen. 'Zo zouden al die voorzitters moeten zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden