WK afstanden 1.000 meter mannen

Kritische Kai Verbij schreeuwt het uit van vreugde na winst op de 1.000 meter

Pakken wat je pakken kan, is nu het credo van Kai Verbij, winnaar van de 1.000 meter bij de WK afstanden in Inzell.

Kai Verbij springt op de hoogste trede van het ereschavot voor de huldiging na de 1.000 meter. Beeld Klaas Jan van der Weij

Kai Verbij schreeuwt het uit als Kjeld Nuis zaterdagmiddag de finish op de 1.000 meter passeert. Hij is wereldkampioen, want de regerend olympisch kampioen is ruim drietiende seconde langzamer dan zijn 1.07,39. Hij valt Thomas Krol, die met 1.07,67 tweede is geworden, in de armen, zijn coach Gerard van Velde beukt hem op de rug. Terwijl Nuis met pijn in de benen en frustratie op het gezicht uitrijdt, gaat de 24-jarige Verbij op het middenterrein uit zijn dak.

Zo uitgelaten is Verbij bijna nooit. Een paar jaar geleden legde de Japanse Nederlander uit waarom. ‘Ik ben te kritisch naar mezelf. Als ik over de finish kom en het gevoel heb dat ik niet het beste uit mezelf gehaald heb, kan ik al niet meer juichen.’ In Inzell kon dat wel. ‘Dit waren mijn derde WK afstanden en voor het eerst heb ik echt laten zien wat ik kan.’

Er speelde nog iets. Verbij heeft geleerd zijn zegeningen te tellen. En zijn zeges. Jarenlang schaatste hij met één doel: olympisch goud. Alle trainingen en alle wedstrijden bezag hij in dat perspectief. En leuk vond hij dat niet altijd. ‘Het is een vrij monotoon leven. Het is een groot offer dat je moet brengen als schaatser.’

Lichte obsessie

Maar het werkte wel. Verbij groeide gestaag naar de internationale sprinttop. Hij werd in 2017 Europees en wereldkampioen sprint en zette zijn progressie voort in het seizoen erna. In de vier wereldbekerwedstrijden voor de Winterspelen stond hij elke keer op het podium. Soms op de 500, vaker nog op de 1.000 meter. De molenmakerszoon met de Japanse moeder leek er helemaal klaar voor de Olympus te beklimmen, tot hij een liesblessure opliep bij het olympisch kwalificatietoernooi.

De Hij plaatste zich met blessure en al voor de 500 meter en werd door de KNSB aangewezen voor de 1.000 meter, maar in Pyeongchang moest hij genoegen nemen met de negende plaats op de 500 meter en zesde plaats op de 1.000 meter.

De teleurstelling in Zuid-Korea schud­de hem wakker. Hij moet op weg naar de Winterspelen in 2022 niet weer met oogkleppen op rijden, maar ook de tussenliggende successen koesteren. ‘De Spelen waren een lichte obsessie voor mij en in december – pats – was het klaar. Ik vind het spijtig dat ik de titels die ik daarvoor won niet heel serieus nam’, zei hij zaterdag na de huldiging. ‘Pakken wat je pakken kan, zeg ik nu. Winnen wat je winnen kan.’

Gemakkelijk was het niet om het voor elkaar te krijgen. De liesblessure sloeg een krater in de opgaande lijn die zijn schaatsloopbaan tot dan toe was geweest. Het olympisch seizoen ging als een nachtkaars uit. Aan het begin van deze winter, na een zomer vol sponsorperikelen, was Verbij nog niet op zijn oude niveau. Dat was moeilijk voor hem. ‘Het is soms frustrerend om te zien hoe sterk de rijders om je heen zijn. Op de 500 en 1.000 meter zitten er kanonnen tussen, echt monsters.’

Eén tegen de rest

Dat het hem deze winter nog niet vaak lukte om de sprintmonsters te verslaan, motiveerde hem om nog meer geconcentreerd te trainen. ‘Ik kan gewoon niet zo goed tegen mijn verlies. Kjeld is een enorm sterke rijder. Thomas is ook heel sterk dit jaar en ik wil niet te vaak van ze verliezen. Ik wil van ze winnen en dan moet je meer focussen en zo min mogelijk fouten maken.’

Verbij merkte hoe hij als pupil van Gerard van Velde het vaak in zijn eentje leek te moeten opnemen tegen het machtsblok van Jac Orie, waar behalve olympisch kampioen Nuis ook Krol en Hein Otterspeer goede 1.000 meters in de benen hebben. ‘Soms voelt het wel of het één tegen de rest is. Het is een ontzettend sterke ploeg, Jumbo-Visma.’

De mannen van Orie zijn een stuk sterker dan hij en, zoals op het podium in Inzell duidelijk te zien is, een halve kop groter. Dat hoeft op de ijsbaan geen beletsel te zijn, want wie niet sterk is moet technisch sterk zijn. Of zoals Verbij het zelf zegt: efficiënt. ‘Ik ben fysiek minder sterk dan Kjeld en Thomas. Als je ons op de fiets zet, dan trap ik een stuk minder hard. Ik probeer zo efficiënt mogelijk hard te rijden terwijl zij gewoon zo hard mogelijk hardrijden.’

Alles valt of staat met zijn techniek. Als hij daarop steekjes laat vallen, snellen zijn concurrenten hem op brute kracht voorbij. ‘Met een 8 kan ik niet van ze winnen. Ik moet een 9 of 10 rijden.’ En wat was het zaterdag? ‘Dit was wel zeker een 9.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden