Jezus in de beeldende kunst

De verschijningsvorm van Gods Zoon is zo kneedbaar als was, leert de geschiedenis ons.

Detail Michelangelo - The Last judgment Beeld RV
Madonna and Child with St. Anne ( Dei Palafrenieri ) - by Caravaggio, 1606 Beeld Imageselect
Raphaël - Tempi Madonna 1508 Beeld RV

Toen Michelangelo zijn laatste fresco’s schilderde in de Sixtijnse Kapel, vanaf 1536, zag Jezus er een beetje anders uit dan daarvoor. Mensen kenden een strenge Jezus, een afstandelijke, die eruitzag als God zelf, oordelend over de wereld. Met lokale verschillen: bij de Vlaamse schilders een fragiel koppie, en een gedecideerde blik bij de Italianen. Maar doorgaans had Gods Zoon toch minstens zijn kleren aan. Niet bij Michelangelo. Hier oordeelt de Messias over de zielen uit het dodenrijk met een duidelijke voorkeur voor krachtsport en grote gebaren. Niks statig, hij kijkt ons niet eens aan, hij zwaait minachtend met zijn arm als een vermoeide, geïrriteerde tiran. Een vrij sexy tiran ook wel (1), gezien die sportschoolspieren die ons shirtvrij worden aangereikt. Jezus voldoet hier aan een ideaal, want in Michelangelo’s ogen toonde fysieke schoonheid de ware goddelijke schoonheid. Toch even een ­andere Heiland dan, zeg, de ‘Pantocrator’ uit de Byzantijnse mozaïeken in de kathedraal van ­Monreale uit de 12de eeuw, die met geheven ­vinger in goud gehuld op ons neerkijkt als een schoolmeester.

Maar er is meer aan de hand met Michelangelo’s Jezus: hij valt samen met een Griekse god. Michelangelo kon vrijelijk inspiratie halen uit de klassieke beelden in de collectie van paus Julius II,

en daar was de Apollo Belvedère er een van (2). Apollo, de god van de zon, van poëzie, waarheid en muziek. Apollo Belvedère wordt gezien als een van de beste voorbeelden van ideale schoonheid uit de Oudheid. Michelangelo nam de kop van Apollo over voor zijn ­Jezus, en de kijker zag: mythologie en Bijbel versterken elkaar. Griekse god en Jezus zijn één.

Michelangelo was bepaald niet de eerste die Jezus kneedde naar zijn believen. In de vroegste christelijke kunst in de Middel­eeuwen werd de Zoon al uitgebeeld als Orpheus, die immers ook naar het dodenrijk ging én een herder was, zoals ook Jezus vaak beschreven wordt. Zelfs de liefdesgod Cupido met zijn gouden pijltjes gold als inspi­ratie voor het uiterlijk van Jezus − daaruit ­komen ook die allerschattigste Jezusbaby’s van de schilder Rafael voort (3).

In de late Middeleeuwen verandert het beeld van Jezus volkomen en gaat − onder andere bij Erasmus − de beeldtaal zo door elkaar lopen dat klassieke goden transformeren tot christelijke. Mensen nemen gewoon over wat ze cultureel gewend zijn. Christelijke heiligen krijgen eigenschappen van Griekse, Romeinse en zelfs Egyptische goden. In het geweldige boek The Survival of the Pagan Gods (1953) schrijft Jean Seznec het zo: ‘Als geleidelijk de heidense ideeën uit de kunst verdwijnen, komen christelijke ideeën op om de verlaten vormen te gaan bewonen, net zoals de christelijke cultus de tempels en keizerlijke baden overnamen.’ Christus ziet er soms uit als een Romeinse keizer, dan weer als heidense zonnegod of als de Griekse jager Aktaion, die immers ook werd ‘geofferd’, aan zijn eigen jachthonden.

Jezus is kneedbaar als was, is de conclusie als je naar de geschiedenis kijkt. In tijden dat fysieke schoonheid wordt gezien als uiting van hemelse schoonheid, is hij een knappe vent. In tijden waarin grote angst bestond voor het lot − zoals tijdens pestplagen − zag hij er veel strenger uit dan wanneer het beter ging en hij weer menselijker werd. In landen waar in het geloof meer nadruk ligt op schuld, boete en lijden zie je dat Jezus’ fysieke pijn voorop staat in de afbeeldingen − zie bijvoorbeeld de aangrijpende kruisiging op het Duitse Isenheimer Altaar (1516) (4), gemaakt toen Luther net aan zijn Reformatie begon. Die versie is te vergelijken met de vertolking van Jim Caviezel in de film The Passion of the Christ (2004) (5); een ‘masochistische’ Jezus die ons zijn pijn opdringt.

Jezus moest wel aanspreken, dus werd hij een hippie in Jesus Christ Superstar (1973) (6) en maakte de Amerikaanse schilder Kehinde Wiley onlangs een reeks portretten van zwarte mannen verbeeld in klassieke houdingen die te herkennen zijn als Jezus, zoals zijn Ecce Homo (2009), dat het moment verbeeldt dat hij gevangen en gemarteld getoond wordt aan het volk. Wiley refereert aan het hedendaags lijden van zwarte mannen, maar becommentarieert ook Jezus’ blonde haar en blauwe ogen in de westerse kunst − vreemd voor een Joodse man uit Bethlehem.

Alles is terug te voeren op Jezus zelf, die er werk van maakte te benadrukken dat hij voor iedereen naar de aarde was gekomen en het leed van de hele mensheid op zich nam. De essentie is daarmee dat iedereen zich kan herkennen in Jezus. Het mooiste is dat te zien als je de westerse kunst verlaat en kijkt naar Zuid-Amerikaanse, Afrikaanse, Chinese (7), Japanse, of Indonesische versies van Jezus; elke keer vertoont hij de gezichtskenmerken van de mensen die daar naar hem kijken. Het ­uiterlijk van Gods Zoon schikt zich naar alle identiteiten. Hij lijdt voor jou en daarmee ís hij jou − die kneedbaarheid, tot op vandaag, is ­gebaseerd op zijn eigen woorden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden