interview

Robert Weijdert (62), alpinist en leraar Nederlands, durfde het aan: hoofdpersoon zijn in het grote interview. Hij schreef: ‘Wat mij de laatste jaren steeds meer bezighoudt, is de vraag waarom ik op mijn leeftijd nog steeds zo móét.’..

Het moment van betovering is Robert Weijdert nooit vergeten.Dat was in de Oostenrijke bergen, dicht bij de Zwitserse grens. Zijn ouders streken neer op een terras, tijdens de lange wandeling. Robert Weijdert, toen 14 jaar oud, klauterde door, een paadje omhoog, naar een gletsjer. Hij ging op een rotsblok zitten. Tegenover zich zag hij drie mannen de gletsjer afkomen, behangen met touwen, pickels, stijgijzers, rugzakken. ‘Ze hadden iets geweldigs meegemaakt, dat kon je zien aan hun ogen.’ Daar, aan de rand van dat mysterieuze, groen-blauwe schuivende ijs, wist de jonge Robert ineens: ‘Dat is het. Dat wil ik ook.’

Het jaar daarop mocht hij van zijn ouders mee met De Vrije Wereld, de reisorganisatie van de PvdA. Twee weken de Alpen in, weer in Oostenrijk.

Hoe was het om voor de eerste keer echt te klimmen? ‘Eigenlijk helemaal niet zo vreemd. Die gids deed het voor, ik deed het na. Alsof ik een land binnenging dat ik allang kende. Ik voelde me thuis.’

Vanaf die vakantie was Weijdert verloren. Hij moest de bergen in, en dat doet hij nu al bijna vijftig jaar. In al die jaren zijn gletsjers voor hem een geheim gebleven. ‘Daarom is het ook vreselijk om mee te maken hoe ze allemaal naar de ratsmodee gaan. Ze smelten, in razend tempo, met name de laatste tien jaar. Dat kan ik in mijn leven dus al goed zien. Je denkt dat het een uurtje lopen is van je hut naar de gletsjer, maar die blijkt inmiddels op tweeënhalf uur lopen te liggen.’

De 62-jarige leraar Nederlands wil graag vertellen over zijn liefde voor de bergen, en dan vooral de Alpen. ‘Wat mij bezighoudt is de vraag waarom ik op mijn leeftijd nog steeds zo nodig moet’, schreef hij vorige maand aan Volkskrant magazine. ‘Er zijn 82 bergtoppen in de Alpen hoger dan 4.000 meter, en daarvan heb ik er nu 74 gehad. De bedoeling is om de komende jaren – op een ontspannen manier graag, zodat het op een aardige manier is ingepast in de rest van mijn leven, alsjeblieft geen heroïek – ook de laatste te beklimmen.’

Waarom moet u nog zo nodig? ‘Ik kan het niet verklaren. Omdat ik ben zoals ik ben. Ik kan wel zeggen dat het is omdat ik zo’n sportieve jongen ben en zo van de natuur houd, maar dat is het niet. Uiteindelijk heeft het ermee te maken dat ik me nergens zo gelukkig voel als in de bergen.’

Aan alle klimmers zit een steekje los, zei een collega van me. Meteen: ‘Ja.’ Dan: ‘Er zijn twee soorten klimmers. Allereerst het type waartoe ik nu zelf behoor, dat 86 niveaus onder zijn plafond klimt en dus voor zijn gevoel safe bezig is. Daarnaast is er een kleine, extreme groep die heel ver gaat en de dood tart. Daarmee is iets vreemds aan de hand.’

Wat is dat dan? ‘Voor een buitenstaander is het onbegrijpelijk dat iemand het gevaar zoekt op een of andere duistere noordwand, waar de stenen naar beneden kletteren en het water omlaag gutst. Voor zover ik kan zien heeft het altijd te maken met compensatie. En met grote ego’s. Al die extreme klimmers willen gezien worden. Die willen applaus hebben.’ Ineens: ‘Het zijn geen leuke mensen, hoor. Topsporters zijn klootzakjes.’

En dat was u dus ook? ‘Meedogenloos. Alleen maar: hop, alles aan de kant, opzij, opzij.’

Maar op een gegeven moment hebt u besloten op te houden met dat extreme klimmen. ‘Ik werd wijzer. Dat gaat geleidelijk, schoksgewijs. Mijn beste vriend en klimmaat is omgekomen in de bergen, ik heb mijn tweede zoon verloren bij de geboorte, mijn ouders zijn overleden. Langzamerhand begin je door te krijgen wat echt belangrijk is in het leven.’

Zijn vriend, de fotograaf Bernard Tellegen, verongelukte dertig jaar geleden op de Huascarán, in Peru. De burgemeesterszoon had het klimmen geleerd in Zuid-Tirol, van de beroemde alpinistenbroers Günther en Reinhold Messner. (Ook Günther zou omkomen, op de beruchte Naga Parbat. Pas 35 jaar later werd zijn stoffelijk overschot in de sneeuw gevonden.)

‘Toen ik Bernard ontmoette, was hij een veel betere klimmer dan ik. We vormden samen een geweldig duo. Hij moest het hebben van zijn prachtige techniek; ik sloot daar goed op aan als doordouwer. Zestien jaar zijn we samen de bergen in geweest. Daarna heb ik nooit meer een echt klimmaatje gekregen.’

Hoezo? ‘Het luistert zo nauw. Je moet elkaar goed kennen, vertrouwen, kunnen verdragen, op die gevaarlijke, zware routes. En dezelfde interesse hebben. Ik schreef graag en Bernard fotografeerde. We hebben samen een krankzinnige hoeveelheid bergen beklommen; honderden. Zo iemand heb ik nooit meer gevonden. Van mijn generatie klimt nu ook bijna niemand meer.

‘Bernard is omgekomen op een heel lullige manier. Alle ongelukken hebben altijd zo’n onnozele oorzaak. Hij ging water halen, is uitgegleden, 30 meter naar beneden gevallen en heeft zijn milt gescheurd. Hij is doodgebloed.’

Weijdert was niet mee op expeditie in Peru; hij zat in Zwitserland, met zijn toenmalige vrouw. In het bergsporttijdschrift Hoogtelijn beschrijft hij ruim twintig jaar later zijn zoektocht naar de details van het ongeluk. Het begin van zijn artikel is ontluisterend: hij hoort het bericht over de dood van zijn vriend in het restaurant van de camping waar zijn vrouw en hij net wat te eten hebben besteld. Weijdert vertelt de serveerster wat er is gebeurd en vraagt haar het eten weer mee naar achteren te nemen. Uit Hoogtelijn: ‘Nadat ze alles had afgeruimd legde ze zonder iets te zeggen de rekening op tafel, een dichtgevouwen papiertje op een schoteltje () Op datzelfde moment realiseerde ik me toen, dat het tussen de Zwitsers en mij nooit meer goed zou komen.’

Hield u rekening met zo’n ongeluk? ‘Je houdt er altijd rekening mee, maar als het dan daadwerkelijk gebeurt... Bernard was een zeer getalenteerd klimmer. Erg voorzichtig. Toch is er zo’n fataal moment geweest. Hij was een dromer, dat kan ermee te maken hebben. Verlies aan concentratie.

‘Later heb ik gemerkt wat voor geweldige impact zijn dood op mij heeft gehad. Al die jaren dat we samen de bergen in gingen, waren we vooral gefixeerd op dat klimmen. Dat leidt tot blikvernauwing. Pas na het ongeluk ben ik gaan zien hoe bijzonder, intens, onze relatie was.’

U verloor iemand van wie u veel hield aan iets waarvan u veel houdt: paradoxaal. ‘Als hij daarna nog wat had kunnen zeggen, had hij gezegd: doorgaan met klimmen. Dat was zo vanzelfsprekend. Ja, je kunt verongelukken, maar dat weet je. Ergens is het veel dramatischer als je rustig in de tuin met je vrouw wat zit te drinken en ze ineens omvalt.

‘Bij dat extreme klimmen is de dood altijd aanwezig. In de loop der tijden heb ik vreselijke dingen gezien. Die keer dat ik een hoge gil hoorde en iemand als een poppetje naar beneden suisde. Toen ik ging kijken, vond ik een zak huid, waarin de botten allemaal kapot waren geslagen. ’

Ook zijn beroepskeuze werd bepaald door zijn bezetenheid. Aanvankelijk probeerde hij berggids te worden. Weijdert – pas later ontmoette hij de harteloze serveerster die voor eeuwig zijn beeld van de Zwitsers zou kleuren – schreef een brief aan de Zwitserse Alpen-club. ‘Heel dom’, zegt hij, achteraf. ‘Als ik de Oostenrijkers had benaderd, was het me misschien gelukt. Maar die Zwitsers lachten een buitenlander natuurlijk uit. Ik had het erg graag gewild. Nog steeds. Ik voel me ook voor een deel berggids. In een Frans hotel heb ik het ook een keer ingevuld. Profession: guide de haute montagne.’

Weijdert besloot leraar te worden. ‘Niet uit liefde voor het onderwijs, of voor die kinderen. Maar omdat ik dan elk jaar zeven weken vrij had. Om te klimmen.’

In 1976 en 1982 kreeg hij drie maanden vrij, om te kunnen deelnemen aan twee grote Himalaya-expedities. Aan de eerste expeditie deed ook Bernard nog mee. Bij aanvang van de tweede, naar de top van de Mount Everest vanaf de lastige noordkant, was zijn vriend al dood.

U dacht niet: de bergen zijn Bernards graf geworden, moet ik dit gevaarlijke avontuur wel aangaan?

‘Nee. Integendeel. Bernard zou hebben gezegd: moet je doen. Unieke kans.’

En uw ex-vrouw was het wel gewend? ‘Ja. Maar vrouwen en klimmers: dat is altijd ellende. Want je bent al verliefd. En vrouwen kunnen dat terecht moeilijk verkroppen.’

De expeditie in 1982, waaraan ook vermaarde klimmers als Ronald Naar en Bart Vos meededen, liep uit op een mislukking. Hoe hoger de klimmers kwamen op de hoogste berg van de wereld, hoe meer ze begonnen te ruziën. De top werd nooit bereikt. Later kreeg de tocht de naam ‘pindakaasxepeditie’, vanwege de strijd die zou zijn ontstaan over een pot pindakaas.

Wat was dat voor ruzie? ‘Ach, ik wil er niet meer zoveel over zeggen. Het is voorbij. Maar het ging om de macht. Wie het voor het zeggen had. Bijna altijd is er ruzie op grote expedities. Je leeft krankzinnig intensief. Vriendschappen van vijftien jaar knallen ineens uit mekaar.’

Waarom is die macht zo belangrijk? ‘Dat komt voort uit de aard van de sport. Een klimmer is gewend zelf zijn beslissingen te nemen. Welke route hij neemt, hoe laat hij opstaat. Die accepteert niet dat een mede-expeditielid hem vertelt dat hij een andere route moet volgen. ‘Hoezo? Die route is veel te gevaarlijk.’’

Waarom heette het eigenlijk de pindakaasexpeditie? ‘Dat is een eigen leven gaan leiden. Het ging helemaal niet om pindakaas. Het ging om borrelnootjes.’

Borrelnootjes? ‘Ik was tijdens die expeditie de baas over het voedsel. Ineens begon Ronald Naar tegen mij: ‘Waar is dat blik borrelnootjes? Gisteren stond het er nog, en nou is het weg.’ Ik had zoiets van: ‘Wil jij borrelnootjes? Zeg het maar. We hebben dozen vol borrelnootjes.’’

Maar dit soort futiele dingen kan dus aanleiding zijn voor conflicten, in de bergen. ‘Omdat je zo vermoeid bent. In echt hoge bergen ben je eigenlijk ziek. Je voelt je vreselijk. Dus je kunt niks hebben. Je moet sterk in je schoenen staan.

‘Ik heb veel aan die Himalaya-expedities gehad. Je wordt met jezelf geconfronteerd, op een indringende, harde manier. Ik heb bijvoorbeeld weinig geduld. Ik kan er niet zo goed tegen, omdat ik enig kind ben, als een ander voortdurend wat aan me vraagt.’

En tijdens zo’n expeditie willen mensen de hele tijd iets van je. ‘Ik heb de indruk gekregen dat de anderen me vaak snel aangebrand vonden. En weinig sociaal. Ik denk dat die indruk terecht was. Ik ben nog steeds geen teamspeler. Ik heb moeten leren met anderen samen te werken. Dat kan ik nu, sinds een jaar of twintig.’

Zijn collega’s begrepen weinig van zijn liefde voor het klimmen – Weijdert vertelde er ook niet veel over. Hij was op school om te doceren, een vak dat hij in de loop van zijn leven steeds belangrijker is gaan vinden. Vorig jaar ging de leraar Nederlands met de vut, maar inmiddels staat hij al weer, als vervanger, voor de eindexamenklassen.

‘Wat kan ik teruggeven aan de maatschappij?, vroeg ik me af. Hier ben ik goed in. Ik geef ook bijles aan brugklassers. Ze weten helemaal niks meer. Dat ligt niet aan die kinderen, dat ligt aan het onderwijs. Ik kom uit een rood nest. Ik kan me nog goed herinneren dat ik een jaar of vijftien geleden ontzettend kwaad werd op Wim Kok en dacht: mijn lieve vader zou niet moeten zien hoe u als socialist, meneer Kok, het onderwijs kapot maakt.

‘Die woede zal ongetwijfeld met staatssecretaris Wallage en de tweede fase te maken hebben gehad. Vreselijk. Of met die mevrouw van de naaldvakken, Tineke Netelenbos. Godallemachtig: allemaal mensen die niet uit het onderwijs kwamen. Al dat idiote gepraat over niveau. Iedereen in het veld ziet hoe het niveau is gekelderd. Het onderwijs is een uitgewoond huis geworden.’

Na de laatste grote expeditie begon Robert Weijdert steeds meer naar de Alpen te trekken – zíjn bergen. ‘Ik besefte dat ik een echte Alpenklimmer ben.’

Veel mensen zullen zeggen: een berg is een berg. ‘Dat is omdat ze er helemaal niets van begrijpen.’ Hij lacht. ‘Want een berg is geen berg. Kijk naar Noordwest-Italië, Valle d’Aosta, mijn lievelingsgebied. Dat is nog steeds geen kieteltuin, zoals Oostenrijk is, met breed aangelegde paden en om de tien meter een richtingbord. Italië is ruig, ongebaand, daar moet je zoeken, op je tellen passen. De hoogteverschillen zijn er krankzinnig. Het is er licht-Mediteraan: warmer, het waait sneller open. En de mensen zijn De Noord-Italianen heb ik langzamerhand in mijn hart gesloten. Echt: met de Zwitsers heb ik het helemaal gehad.’

Lachend: ‘Maar als ik alle 82 vierduizenders in de Alpen wil beklimmen, zal ik er nog wel eens heenmoeten.’

Hoeveel Nederlanders hebben alle Alpen-toppen hoger dan 4.000 meter beklommen? ‘Niemand.’

Aha. ‘Nee, dat speelt niet zo’n belangrijke rol.’ Dan: ‘Ach, een klein beetje.’

Ik wilde bijna zeggen: misschien bent u nog net zo bezeten als vroeger. ‘Neeneee.’ Dan: ‘Mijn karakter verander ik natuurlijk niet. Maar het leven heeft me wel gevormd.’

Gaat het u lukken? ‘Dat is de vraag. Er zitten nog een paar erg lastige jongens bij, in het Mont Blanc-gebied. Afgelopen zomer ging het alweer goed mis. Ik had de laatste dagen gereserveerd voor nog wat vierduizenders. Ik was te laat. Geen gids wilde meer mee. Het was zo warm geweest: dan smelt die sneeuw en verijst alles.

‘Op zulke momenten mis ik Bernard nog steeds hevig: Jezus Christus, als hij hier nu maar was. We waren ongetwijfeld blijven doorklimmen.’

Wat zou voor u een reden zijn om te stoppen? ‘Ik denk dat het nooit stopt. Zolang ik kan lopen, blijf ik de bergen ingaan. Op een gegeven moment kom ik die hoge bergen niet meer op en worden het lage bergen. Daarna breekt de tijd aan dat ik alleen de berghut nog maar haal. En op het laatst loop ik vanaf de camping een stukje het dal in – dat zal het zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden