In de kantlijn van Nederlands toptienambitie

Miljoenen zijn nodig om Nederland als topsportland de structurele toptienpositie te geven die het najaagt in de mondiale sport.

Die ambitie vraagt grote investeringen, in geld en faciliteiten, om de medailleoogst bij de Spelen, die in Peking (2008) nog 16 bedroeg, op te voeren tot uiteindelijk 82 bij de nog niet toegewezen Spelen van 2020.

Garanties zijn er uiteraard niet bij voortvarend beleid, maar om kans op het beoogde succes te hebben heeft de Nederlandse topsport -– via technisch directeur Maurits Hendriks van NOC*NSF – keuzes gemaakt. Gekeken is daarbij naar het olympisch verleden: 96 procent van de medailles komt voor rekening van acht bonden: zwemmen, hockey, judo, hippische sport, schaatsen, roeien, zeilen en wielrennen. Op grond daarvan hebben zij een beschermde positie.

Juist die keuzes voor een nieuwe elite in de Nederlandse topsport, zullen, zo lijkt het, grote gevolgen hebben voor de overige sporten, met name de sportief en financieel toch al onder druk staande teamsporten.

Want los van het feit dat ze minder aanspraak maken op NOC*NSF-gelden, zijn ze wellicht door hun ogenschijnlijk tweederangs positie ook minder aantrekkelijk voor sponsors en het naar uitstraling zoekend stadsbestuur.

Aan de hand van vijf stellingen een beeld van de toekomst van topsport in de kantlijn.

De toptienambitie werkt contraproductief voor de rest van de Nederlandse sport.

Gerard Dielessen, algemeen directeur NOC*NSF: ‘Integendeel, een internationaal sterke Nederlandse topsport kan alleen gebaseerd zijn op en stimulerend zijn voor een brede en stevige Nederlandse sportstructuur. Ter vergelijk: wetenschappelijke topprestaties stralen natuurlijk af op het totale onderwijs.’

Antoinette Laan, wethouder Sport en Recreatie in Rotterdam: ‘Nee, van NOC*NSF mag worden verwacht dat er ambities en plannen zijn om op topniveau te presteren. Met het toptienplan wordt de focus gericht op topsport, maar niet om een tegenstelling te creëren. Immers, topsport en breedtesport zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.’

Paul Hoes, interim-voorzitter Nederlands Handbal Verbond: ‘De toptienambitie hoort een stimulans te zijn voor de totale sport in ons land. Ook voor sporten zoals handbal, die niet meteen voor grote steun in aanmerking komen.’

Joop Atsma, Tweede Kamerlid van het CDA: ‘De toptienambitie op zich is geweldig, het kleine risico van de zogenoemde kleine sporten om te worden vergeten moet met beleid worden uitgesloten. Topsportsucces als doel is prima, maar niet over de rug van de kleine bonden.’

Bob van Oosterhout, sportmarketeer: ‘Voor het eerst durven we, na jaren van polderen, de nek uit te steken. Eindelijk wordt gezegd: er is een sportief doel, daarvoor zetten we alles opzij.’

Marcel Verburg, voorzitter van de basketbalclub Leiden uit de eredivisie: ‘Topprestaties zijn de motor voor het geheel, dat zien we zelfs op kleine schaal in Leiden. Ons succes heeft veel losgemaakt in de hele stad, juist bij andere clubs, ook in andere sporten.’

De gemeenten profileren zich liever met voetbal dan met andere (kleinere en minder mediagenieke) sporten.

Hoes: ‘Eens. Voetbal is nu eenmaal de grote broer. En voetbal, vrouwenvoetbal, is een grote concurrent geworden voor handbal. Het valt niet te ontkennen dat een voetbalclub gemakkelijker een poot aan de grond krijgt dan handbal. Dat is de rolverdeling.’

Marcel Sturkenboom, directeur van de volleybalbond: ‘Oneens. Den Haag is de grootste investeerder in beachvolleybal, met een eigen stadion en een trainingslocatie voor de internationals. En Rotterdam is al jaren actief in het mannenvolleybal, en tal van andere sporten. Voetbal heeft een aantal gemeenten onder druk gezet, dat is waar, de Betaald Voetbal Organisaties hebben bijna chantage gepleegd op gemeenten.’

Atsma: ‘Gemeenten maken veel te weinig gebruik van de mogelijkheden die topsport, buiten voetbal, biedt om zich te profileren. Kijk naar Eindhoven met zwemmen, Groningen met basketbal en Volendam met handbal. Daar zie je dat er naast profvoetbal kansen zijn als gemeente de aandacht op je te vestigen via sport.’

Laan: ‘Juist een grote diversiteit aan sporten – van recreatief tot topniveau – draagt bij aan een zo groot mogelijke participatie van de bevolking. Dat is vanuit het Rotterdamse sportbeleid belangrijker dan uitsluitend betaald voetbal.’

Dielessen: ‘Dat is ook niet wat wij in het algemeen zien. Juist steden als Rotterdam, Utrecht, Den Haag, Amsterdam, Eindhoven en nog vele andere, stimuleren, ondersteunen en versterken de sport voor iedereen.’

Frans de Jong, voormalig directeur algemene zaken bij volleybalclub Dynamo Apeldoorn: ‘Gemeenten hebben over het algemeen geen sportbeleid, dát is het probleem. Het is hapsnap. De Omnisporthal die in 2008 kwam, was als volleybalhal bedoeld. Omdat de wielerclub ook wat wilde, kwam er een wielerbaan bij. En tot slot ook nog een atletiekbaan.’

Verburg: ‘Concurrentie van betaald voetbal hebben we niet in Leiden, desondanks moeten wij als basketbalclub er zelf alles aan doen om op hoog niveau te blijven spelen. Toen we op 28 maart de beker wonnen, riep de burgemeester: ‘En nu Europa in!’ Volgende week spelen we onze eerste Europese wedstrijd in Almere omdat Leiden geen voor Europees basketbal geschikte accommodatie bezit.’

Van Oosterhout: ‘Topsport blijft voor veel gemeenten een vies woord. Ze denken: we stoppen geld in de carrière van een individu of een team, terwijl ze er sporters en zichzelf mee op de kaart kunnen zetten.’

Het olympisch belang verdringt in Nederland de status van de competitiesport.

Laan: ‘Nee, de competitiesport in verenigingsverband is de kracht van de Nederlandse sport. Juist met die verenigingssport en de daaraan verbonden talentherkenning en -ontwikkeling, onderscheidt Nederland zich van de meeste andere landen. Daardoor kan Nederland – ondanks een in omvang relatief bescheiden inwonersaantal – in veel takken van de sport meetellen in de wereld.’

Robin van Galen, coach van het waterpoloteam dat goud won in Pelking: ‘Het niveau van de nationale competities is ongelijk aan het internationale topniveau. Dus wordt er vaak in een kleine groep speelsters of spelers geïnvesteerd. Je kunt er ook voor kiezen verenigingen sterker te maken, zodat de competitie aan kracht wint.

Atsma: ‘De olympische focus beslaat twee weken in vier jaar. Dat mag nooit ten koste gaan van een goede nationale competitie in welke sport ook. Sterker nog: zonder een goede nationale competitie als hofleverancier of opleidingsinstituut geen olympische topprestatie.’

Hoes: ‘Het olympisch belang geldt voor een beperkt aantal sporten. Publicitair is die olympische aandacht wel leidend. Onze eredivisie wordt niet gehinderd door de olympische plannen.’

Nederland kan nog wel een aantal jaren wereldkampioen korfbal blijven, maar in andere teamsporten verliezen we snel terrein.

Dielessen: ‘Het is altijd lastig voor teamsporten een algemene lijn te ontdekken. Hoe zo verliezen we terrein? In Peking wonnen de vrouwen in waterpolo en hockey goud en we staan nu vier jaar genoteerd als tweede in de voetbalwereld.

‘Hoe het vandaag met de teamsporten gaat en welke trend daarin te zien is, blijkt nauwelijks statistisch vast te stellen. Dat komt onder meer omdat de WK’s, de OS en dergelijke in de teamsporten maar eens in de zoveel jaar plaatshebben en het aantal te behalen medailles laag is.

‘Tijdens de laatste Spelen bestond de Nederlandse ploeg uit veel teamsporters, zeker als je dat vergelijkt met andere vrij kleine landen.’

Sturkenboom: ‘Ik maak me zorgen over de internationale prestaties. Als bonden moeten we net zo kritisch naar onszelf kijken als we naar NOC kijken. We hebben ontzettend goede coaches in Nederland. Hoe houden we die vast? Hoe gaan we de enorme kennis bundelen die we verspreid over alle sporten hebben opgedaan?’

Hoes: ‘Natuurlijk, Nederland is groot in relatief kleine sporten en zal daarin blijven uitblinken. Handbal is daarentegen een mondiaal grote sport, de nummer vijf van de wereld. De Nederlandse vrouwen kunnen daarin meedoen om een medaille, op relatief korte termijn zelfs.’

De Jong: ‘Ik heb me dertien jaar ingespannen voor de volgende stap in het volleybal. Er is niets verbeterd. Sociaal gezien heeft men geen tijd meer om zeven dagen per week alles voor het volleybal opzij te zetten. De financiële noodzaak is er ook niet meer. Bovendien worden de topspelers te vroeg gepusht om naar het buitenland te gaan. Dat krijg je als je je eigen competitie verwaarloost.’

Verburg: ‘Het begint met een goed product. Basketbal is in Leiden uitgegroeid tot een avondje uit voor het hele gezin. We zijn voor wedstrijden op zaterdag, door onze keuze voor topsport en de regionale binding, al op woensdag uitverkocht. Dat betekent dat we een capaciteitsprobleem hebben, dat we alleen zelf kunnen oplossen. Er is nog steeds veel mogelijk voor zaalsporten. Zeker voor basketbal, dat met zijn vele actie- en juichmomenten steeds weer heel mediageniek blijkt te zijn.’

Geen sponsor in Nederland is geïnteresseerd in sporten die niet wekelijks in Studio Sport zitten.

Dielessen: ‘Natuurlijk zijn er ook sponsors voor sporten die niet wekelijks in Studio Sport zitten. Maar het is ook zo dat de tv-aanwezigheid van een sport mede bepaalt hoe hoog een sponsorbedrag zal zijn. Daarom moeten in vele takken van sport de toppers in de nationale selecties met een stipendium van 70 procent van het minimumloon rondkomen.

Van Oosterhout: ‘In de jaren zeventig en tachtig telde één ding voor de sponsor: hoe vaak kom ik in beeld? Dat is nu echt niet meer zo. Televisie is ook niet meer heilig. Sommige sporten trekken op internet meer bekijks dan op tv. Het volleybal is geen massamediaal iets. Maar Dela (uitvaartverzorging die de vrouwenploeg sponsort, red.) heeft zelf de tv- en internetrechten van die ploeg gekocht. Zo kan een sponsor ook medium worden.’

Verburg: ‘Onze grote sponsors willen graag tv-aandacht, maar het merendeel van onze, voornamelijk regionale, sponsors haakt in op ons avondje uit en de mogelijkheid die dat biedt om elkaar in een sfeervolle setting te treffen en misschien ook wel zaken te doen. Die zijn helemaal niet tv-gericht.’

De Jong: ‘Sponsors en marketeers gebruiken de tv te vaak als argument om wel of geen deal aan te gaan. Bij Dynamo moesten al onze thuisduels in de Champions League worden uitgezonden, live en met zeven camera’s. Sport 1 was daartoe bereid, maar het heeft ons wel 25 duizend euro per wedstrijd extra gekost.’

Laan: ‘Bedrijven sponsoren niet alleen vanwege tv-minuten. Naast naamsbekendheid spelen aspecten als doelgroepenbereik, klantenbinding, relatiebeheer en niet te vergeten maatschappelijke verantwoordelijkheid een rol. Een recent voorbeeld is de sponsoring door Aegon van de roeibond, terwijl roeien zeker niet elke week in Studio Sport te zien is. Dat er meer vraag dan aanbod is aan sponsoring, is een gegeven. Dat vraagt om veel creativiteit.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden