‘Ik zal altijd als de wereldkampioen worden aangekondigd’

België koos de genomineerde springruiter Jos Lansink niet tot sportman van het jaar. De ex-Nederlander is vooral blij met zijn eigen prijs: de wereldtitel....

Het afgelopen jaar was onbetwist het grote jaar uit de carrière van springruiter Jos Lansink, ‘een Nederlander met een Belgisch paspoort’, zoals hij zichzelf graag betitelt. Hij werd in augustus wereldkampioen en zag in december, als trainer, zijn Qatarese pupil Al Rumaihi de titel veroveren bij de Aziatische Spelen.

Het laatste was leuk, goed ook voor de eigen stal – Jos Lansink Horses – en vooral ‘ongelooflijk’, maar de dag dat hij in Aken de beste springruiter van de wereld werd, is hem dierbaarder. Eigenlijk, moet hij concluderen, is zijn loopbaan geslaagd en valt er niets meer te wensen. ‘Want mooier dan een wereldtitel is er in mijn sport niet.’

Lansink is een man die het kan weten. Hij is ook olympisch kampioen geweest. Hij veroverde die titel in 1992, met de Nederlands hippische equipe, die in de landenwedstrijd van de Spelen in Barcelona zegevierde. Individueel redde hij het in al zijn deelnames sinds Seoul 1988 niet.

Maar hij zou zijn wereldtitel van 2006 niet willen ruilen voor persoonlijk olympisch goud. ‘Een olympische titel is, voor mij althans, niet mooier dan een wereldtitel. In onze sport is het, objectief gezien, veel gemakkelijker olympisch kampioen te worden dan wereldkampioen.

‘Bij de Spelen begin je na de landenwedstrijd weer op nul. Je bent je strafpunten kwijt. Bij de WK is dat niet zo. Dan telt elke wedstrijd van de hele week.

‘In Aken stond ik na de eerste ronde van de landenwedstrijd 40ste in het klassement van de individuele wedstrijd. Ik moest in noodweer, met regen en bliksem, met Cumano naar buiten. Schandalig, schandáálig. Ik kreeg een fout en stond 40. Ik wist toen dat ik er, om in de finale te komen, 36 voorbij moest.’

Hij, de koelbloedige, redde het, door vier foutloze ronden op rij, en moest op zondag in de finale met ruiterwissel – ook zo’n bijzonderheid ten opzichte van de olympische springwedstrijd – aantreden tegen drie vrouwen: Edwina Alexander, Meredith Michaels-Beerbaum en Beezie Madden.

Lansink was meer met andere dingen bezig dan met het klassieke man-vrouw duel waar de rest van de wereld zich om verkneukelt. ‘Ik was de laatste twee dagen van de WK thuis geweest. Ik woon op een half uur rijden van Aken. En je weet, er is geen beter hotel dan thuis.

‘Toen ik die zondag van huis ging, zei ik tegen mijn vrouw dat ik maar één ding hoopte. Dat ik niet vierde zou worden. De rest was meegenomen, zei ik. Vierde worden, een lulliger plaats is er niet. In 2005 werd ik vierde bij de EK. Ik ken die plek.’

In 2006 viel alles op zijn plaats. De wereldtitel was de vervolmaking van zijn loopbaan. ‘Ik mag me vier jaar de wereldkampioen noemen. Er vier jaar van genieten. En de rest van mijn ruiterleven zal aan deze dag gekoppeld blijven. Ik zal altijd als de wereldkampioen van 2006 worden aangekondigd.’

De wereld trachtte in de maanden na het succes met de nuchtere Twent aan de loop te gaan. ‘Maandagochtend tien uur kwam de NOS-televisie al voor een reportage. De Duitsers hebben, vind ik, het mooiste programma gemaakt, over Cumano, zelfs als veulen. Ik heb daarna bijna dagelijks journalisten te woord gestaan. Allemaal buitenlanders.’

Hij loopt gek genoeg – of misschien juist volkomen logisch – niet met zijn succes te koop. Zo heeft hij de titel World Champion 2006 nog steeds niet op zijn paardentruck laten spuiten. ‘Ik weet niet of ik dat wel ga doen. De mensen die het moeten weten, weten het. Dat is mij genoeg.’

Hij zegt ‘niet het eeuwige leven’ te hebben als ruiter en is zich langzaam aan het voorbereiden op zijn toekomst. Het coachen van de Qatarese ruiters bleek hem op het lijf geschreven.

In de minuten voor de beslissende rondgang van Al Rumaihi toonde Lansink zich de trainer die ‘de puntjes op de i’ kan zetten. Het werd goud. Ook zijn naam als trainer is nu gevestigd.

‘In de landenwedstrijd waren drie van de vier ruiters te gestresst. Een paard voelt het als je er stokstijf op zit. Een paard heeft dan geen kans. Hij wordt niet geleid. In deze sport heb je altijd te maken met een levend wezen. Je moet het dier begrijpen, want hij kan niet praten. Jij moet met hem praten, hem motiveren, hulp en steun geven.’

De titels van 2006 leverden hem een nominatie op voor de verkiezing van Belgisch sportman van het jaar. Sven Nys, Tom Boonen en Stefan Everts kregen echter de voorkeur.

‘Die titel interesseert me niet zo. Het is belangrijk dat ik in mijn sport een kampioenschap heb gewonnen. Al dat andere is meegenomen, maar zeker niet vergelijkbaar.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden