'Ik was geen olympisch kampioen, maar een politiek onbenul'

Hij won in 1972 twee olympische titels, uniek in zijn sport. Door de smet die eraan kleefde, voelde Willem Ruska zich de rest van zijn leven miskend.

München, 31 augustus, 1972: Ruska steekt zijn arm omhoog na het winnen van de olympische titel in het zwaargewicht. Beeld Spaarnestad / HH

Willem Ruska liet tegenstanders knappen alsof het twijgjes waren en tilde ze op zoals hij bij de training boomstammen boven zijn hoofd hield. Zaterdag legde de dood hem voor eeuwig op de rug. Hij is 74 jaar geworden.

Het judo rouwt om een bijzondere kampioen. Een brok Amsterdams graniet, maar atletisch als het op vechten aankwam. Uniek in zijn soort door zijn twee titels op de Olympische Spelen van 1972.

In München kon hij een leven vol zweet vergieten eindelijk te gelde maken. Bij de voorgaande Spelen in Mexico-Stad had de sport op het olympische programma ontbroken. Een volgende kans zou hij misschien nooit meer krijgen.

Op de oude beelden is te zien hoe de 'Tarzan van de tatami', dan 32, er een kinderlijk vreugdehuppeltje uitgooit na zijn beslissende worp in de klasse der zwaargewichten. Acht dagen later is hij ook de beste in de open klasse, die inmiddels allang van het olympisch programma is afgevoerd.

Politiek onbenul

Acht dagen. Meer dan een flinter tijd is het niet in het lang uitgesponnen judoleven van Ruska. Ze zijn essentieel gebleken voor de manier waarop hij zich bejegend voelde. Miskend is zacht uitgedrukt.

Ergens tussen de eerste gouden medaille en de tweede nemen Palestijnse terroristen negen Israëlische olympiërs en officials in gijzeling. Geen van hen overleeft het bloedbad. Avery Brundage, baas van het Internationaal Olympisch Comité, zegt dat de Spelen moeten doorgaan, maar sporters en landen zijn minder eensgezind. De Nederlandse atleten mogen zelf weten of ze gehoor geven aan het morele appèl te vertrekken.

Ruska en een paar anderen blijven. Hij heeft niet voor niets zijn halve leven opzij gezet voor die ene medaille, vindt hij. De sporters die wel naar huis zijn gegaan, waren volgens hem toch al niet goed genoeg voor olympisch goud.

Toch valt het hem zwaar als nog geen handvol bekenden hem bij thuiskomst staat op te wachten. Andere olympische kampioenen van dat jaar, zoals Ard Schenk, worden geridderd. Ruska niet. Hij zal voor altijd de beste blijven van een bevlekt toernooi en dat vreet aan hem. 'Ik was geen olympisch kampioen geworden, nee, ik was een politiek onbenul, daar kwam het op neer.'

Willem Ruska in 1975. Beeld Berry Stokvis / HH

Erkenning

Van de gemeente Amsterdam krijgt hij 600 gulden (270 euro). De judobond doet hem een regenton met klapdeuren cadeau, om flessen drank in te bewaren. Niemand schenkt hem de prijs waarnaar hij het diepst verlangde, erkenning, hoewel de internationale judofederatie hem in 2013 eindelijk opneemt in de Hall of Fame.

Een ingelijst krantenartikel over dat eerbetoon, aan de muur in het verpleeghuis in Hoorn, vertelt het hele verhaal. 'Erkenning voor judogigant', luidt de kop.

Pech, miskenning en ellende: ze zijn volgens Robbert van der Geest aan Ruska blijven kleven. De oud-judoka, bewonderaar en duider van de voormalig kampioen, vertelde het aan schrijver Peter Buwalda in Park Magazine. 'Het hoort een beetje bij hem, ik denk omdat-ie is wie hij is. Hij trekt het aan.'

Berekenend en verstandig is Ruska als judoka. Naast de mat wordt hij nogal eens met argusogen bekeken. Hij heeft er lak aan wat anderen vinden, ook in zijn tijd op de Wallen. Hij werkt er als portier en 'orderegelaar' voor casinokoning 'Zwarte Joop'.

Loeisterk is hij, vooral dankzij dat explosieve bovenlichaam van hem. Daarmee trekt Ruska, met zijn 1.90 meter en 115 kilo relatief klein voor zijn klasse, andere zwaargewichten als lappenpoppen de mat over. 'Alsof er een Grieks standbeeld van zijn sokkel was geklommen', dacht Van der Geest, toen hij met hem onder de douche stond. Een allround sportman is Ruska ook: de 100 meter kan hij in 11 seconden lopen.

De Ruskatoets

De tweevoudig wereldkampioen had het hart op de tong liggen, totdat hij in 2001 op vakantie wordt getroffen door een hersenbloeding, die hem deels verlamde. 'Geesink is gisteren, ik ben vandaag', zei hij ooit over zijn voorganger en mede-olympisch kampioen. Hoewel hun relatie verslechterde, was hij aanvankelijk juist een bewonderaar van Anton Geesink.

Ruska rookte zware shag en lustte wel een biertje toen hij, werkend op een vliegdekschip, vernam dat de Utrechter steeds vaker van Japanners won. Hij was spontaan om: het idee de beste judoka van de wereld te worden, liet hem niet meer los. Bij de Spelen van 1964 smokkelde hij zichzelf in een kofferbak het olympisch dorp van Tokio binnen. Hij moest en zou Geesink kampioen zien worden. Later bracht hij soms zes maanden per jaar in Japan door.

Anders dan de in 2010 gestorven Geesink was hij ongeschikt voor het pluche. Bij gebrek aan waardering vertrok hij naar de Verenigde Staten en Japan, om in vooropgezette worstelshows zijn olympische faam te laten uitbetalen. Terug in Nederland probeerde hij het als parttime bondscoach - een succes werd het niet.

Van de dertig judoka's met wie hij begon, doorstonden er maar tien de Ruskatoets. De rest was volgens hem lui of kon er niets van. Zoals Van der Geest tegen Buwalda zei: 'Hij was een topjudoka, maar geen coach.'

Zijn jeugd in de Amsterdamse Mercatorbuurt was er een van vallen en opstaan geweest - ook de titel van zijn levensverhaal. De vuisten spraken nogal eens op school, waar zelfs de kerstbomen als wapens dienden. Als het moest, vocht Ruska met iedereen, tot de oudste jongens van de school aan toe. 'Ik kon iedereen op zijn broek geven', zei hij eens. Dat lukte hem ook als judoka moeiteloos.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden