Ik was eigenlijk een bitch

Vijf jaar geleden overleed wielrenner Gerrie Knetemann. Het zette de wereld van dochter Roxane op zijn kop. Het 22-jarige wielertalent won in oktober voor het eerst weer eens een wedstrijd....

Tekst Marije Randewijk en  Rob Hornstra

Ze denkt wel dat haar broer en zus het weten. En ook haar moeder. Gezegd heeft Roxane Knetemann het hun nooit, dat ze spijt heeft over hoe ze zich de afgelopen jaren heeft gedragen. Zo zijn ze niet met elkaar. ‘Maar ze hebben heus wel gezien dat ik ben veranderd.’

In het ouderlijk huis in Krommenie is ze openhartig over haar worsteling, die nog niet voorbij is. Twijfel en onzekerheid zitten de oude bravoure in de weg. Ze zegt niet dat ze iets kan. Ze zegt dat ze dénkt dat ze iets kan.

Ze is volwassen geworden. De oude Roxane komt niet meer terug. Daar kan ze mee leven. Knetemann, nog altijd pas 22 jaar, oordeelt hard over zichzelf. De woorden ‘bitch’, ‘egoïstisch’, ‘kinderachtig’ en ‘verwend’ zijn gevallen. Ze zijn op haar van toepassing, vindt ze. ‘Als je de oogkleppen afdoet, zie je de wereld ineens anders.’

Dat besef kwam vorig jaar, toen ze van de ene ziekte in de andere rolde en nauwelijks nog uit bed kwam. Broer Marnix en zus Elize kwamen langs om te vragen hoe het met haar ging. ‘Toen dacht ik: ze zijn eigenlijk best lief. Ze zijn helemaal niet stom of gemeen. Ik had ze als boeman gezien, ik dacht dat ze samenspanden tegen mij, want ze zeiden altijd tegen mijn moeder dat ik een verwend kind was.’

Op 2 november 2004 overleed Gerrie Knetemann, op 53-jarige leeftijd. Hij was een van de beste Nederlandse wielrenners van de vorige eeuw, en een markante persoonlijkheid. De herdenkingsdienst op de wielerbaan van Alkmaar werd bijgewoond door tweeduizend mensen.

De impact op het gezin Knetemann was enorm. Rouwen wordt anders als je vader een bekende wielrenner is geweest, zegt Roxane. ‘Iedereen wist het, van mijn vader, dat vond ik in het begin zo raar. Ze zeggen het er ook bij: dat is de dochter van Gerrie Knetemann, sneu hè?’

Ze voelde de mensen naar haar staren. Als haar naam werd omgeroepen, wist ze dat iedereen aan haar vader dacht. En dan dacht zij er ook weer aan. Als mensen haar vroegen hoe het ging, gaf ze haar standaard antwoord: gaat wel. Wat moest ze dan zeggen? ‘Mensen willen niet horen dat het slecht gaat, ze willen jouw verhaal niet horen.’ Haar ogen spuwen vuur als ze het vertelt. Want het ging natuurlijk niet.

Ze raakte het spoor bijster. Van school kwam weinig meer terecht, en op de fiets vond ze geen troost. Ze miste haar vader. Haar woede kropte ze op en soms kwam het tot een uitbarsting. ‘Ik reageerde alles op mijn moeder af. Dan gooide ik de borden stuk, of iets anders. Ik was bij tijd en wijle ontoerekeningsvatbaar. Ik zat vol agressie.

‘Het is geen leuke tijd geweest voor mijn moeder. Zij liep ook met haar ziel onder de arm, zij was haar man kwijt. En ik liep alleen maar te zeiken en zaniken, want ik was zielig omdat ik mijn vader kwijt was. Ik vond dat ik er het meeste recht op had om verdrietig te zijn. Dat was een beetje egoïstisch, zullen we maar zeggen.’

De jongste van het gezin – haar zus is zeven en haar broer negen jaar ouder – had altijd in het middelpunt van de belangstelling gestaan. Want zij ging wél wielrennen, de sport van haar ouders. Ze gingen altijd met haar mee naar de koersen. Van de atletiekwedstrijden van haar zus begrepen ze weinig.

‘Ik hoefde maar met mijn vingers te knippen of ze reden me weer naar de wielerbaan van Alkmaar. Als ik nieuwe wielen nodig had, dan kreeg ik die. Mijn zus en broer zijn ondergesneeuwd, dat realiseer ik me nu wel. En na de dood van mijn vader eiste ik weer alle aandacht op. Ik had geen oog voor hun verdriet, maar dat is natuurlijk net zo groot als dat van mij. De mensen vergeten dat. Ik ook.

‘Ik ben er nooit voor hen geweest. Ik heb nooit gevraagd hoe zij zich voelden. Ik ging niet naar hun verjaardag, want morgen moest ik fietsen. En als ik wel ging, was ik vooral niet gezellig. Ik was eigenlijk een beetje een bitch. Ik heb me tegenover hen en tegenover mijn moeder heel kinderachtig gedragen. Het is jammer dat ik dat niet heb ingezien.’

Ze begrijpt wel hoe het zover heeft kunnen komen. Ze heeft nooit gepraat over de invloed die het overlijden van haar vader op haar heeft gehad, over de angst die haar overviel. Ze deed alsof ze het allemaal zelf wel kon opknappen. Naar de buitenwereld hield ze de schijn op dat het goed ging. Alleen het fietsen, dat viel een beetje tegen.

Het vloog Knetemann naar de keel. Want ze wilde altijd wielrenster worden. En dat wil ze nog. Ze hoeft niet meer per se te winnen zoals vroeger, als ze haar steentje maar kan bijdragen in de wedstrijden.

Nadat haar vader was overleden, duikelde ze tien klassen omlaag. Maar stoppen was geen optie. ‘Ik vond het nog enger om niet meer te fietsen. Wat moest ik nou als ik geen wielrenster meer kon worden?’

Ze raakte ‘van god los’. Ze dook drie avonden per week de kroeg in, dronk te veel en kwam 10 kilo aan. ‘Gek hè, dat ik toen niet zo goed fietste!

‘Wat ik in die wereld vond? Mensen die het in elk geval niet de hele tijd over mijn fietsprestaties hadden. Dat was heel fijn. Dat ik niet aldoor te horen kreeg dat ik vroeger zoveel beter was en dat het allemaal zo erg was. Ja, het was erg, maar je hebt niet altijd zin om het daarover te hebben. Ik dacht er al vaak genoeg aan.’

Haar moeder deed er alles aan om haar op de fiets te houden. De wielerwereld werd een houvast, een veilige haven. ‘Veel mensen hebben dat uitgelegd alsof mijn moeder mij pushte, maar ze was gewoon bang dat ik het verkeerde pad op zou gaan. Dat ik aan de drugs zou raken. Het had gekund. Ik was hartstikke labiel en ontvankelijk voor de verkeerde mensen.’

Omdat ze nauwelijks nog trainde en veel zwaarder was geworden, raakte haar fietscarrière verder in het slop. In de ploeg van Leontien van Moorsel kon ze het fanatisme niet aan. Daarvoor lag Knetemann te veel met zichzelf overhoop. Ze is altijd meer een Jan Ullrich dan een Lance Armstrong geweest. ‘Ik ben bezeten van de sport, maar je moet je af en toe ook kunnen laten gaan.’

Ze heeft er discussies over gehad met haar moeder. ‘Die vindt dat je alleen maar een goede wielrenner kunt worden als je het doet op de manier van mijn vader. Daar hebben we hooglopende ruzies over gehad. Dan stond ze niet open voor mijn visie, dan was ik lui.

‘Dáár heb ik helemaal een grote hekel aan, als mensen me lui noemen. Dat ben ik niet.’

Haar vader begreep dat, zegt ze. Ze waren twee handen op een buik. Toen hij stopte met wielrennen, was ze 3 jaar. Met haar opvoeding bemoeide hij zich meer dan met die van haar broer en zus. Ze vroeg nooit iets aan haar moeder, altijd aan haar vader. ‘Ik hing echt aan mijn vader, veel meer dan aan mijn moeder.’

Maar na zijn dood moesten ze ineens samen naar de wedstrijden. ‘Dan dacht ik: sodemieter op, ik wil liever alleen zijn. Ik dacht: als ik een rijbewijs heb, ga ik lekker alleen.’

Gerrie wilde niet dat ze ging wielrennen, bang als hij was dat ze ten val zou komen. Ze deed het toch. Haar vader vond het verschrikkelijk dat ze haar voortdurend met hem vergeleken. Maar zijn dochter was daar juist trots op. De irritatie daarover kwam pas later, toen haar prestaties nooit goed genoeg waren, ook al reed ze alle andere meisjes op een ronde.

Bij haar vader kwam ze niet in ademnood. Met hem ging ze nooit in discussie. Hij was juist de rustgevende factor voor de eigenwijze puber. Als hij haar vlak voor de wedstrijd nog wat tactische tips gaf, dan sloeg ze die op in haar hoofd. Het verwachtingspatroon van anderen is niet interessant, zei hij. Het is veel erger als je je eigen verwachtingspatroon niet kunt waarmaken.

Mensen zijn hard, zegt ze. Wreed, bijna. Dan zeiden ze: vroeger fietste je een stuk beter. Alsof ze dat zelf niet wist. Maar het lukte gewoon niet. Steeds verder kroop ze in haar schulp.

‘Ik trok het me erg aan wat de wereld van mij vond. Ik had het gevoel dat ik mijn achternaam niet kon waarmaken. Ik legde mezelf druk op. Ik blokkeerde. Ik heb mezelf vaak teleurgesteld.

‘Trainingen waren nog wel leuk, maar wedstrijden Dan moest ik me weer laten zien. Ik wilde wegkruipen, anoniem zijn. Midden in het peloton zat ik goed. Ik durfde niet meer te koersen. Vroeger deed ik het gewoon, dacht ik niet na. De echte winnaarsmentaliteit ben ik kwijtgeraakt. Er zijn ook ergere dingen dan verliezen.’

Zoals vroeger wordt het toch nooit meer. Toen duelleerde ze week in, week uit met Marianne Vos. Vos is inmiddels wereld- en olympisch kampioene. ‘Ik ben nu niet meer jaloers op haar, dat ben ik wel geweest. Meer bozig eigenlijk, verongelijkt: waarom zij wel en ik niet?’

Met die gevoelens heeft ze afgerekend. Als er al sprake is van een ommekeer, dan ligt die in haar beslissing om in 2009 toch weer op de fiets te stappen. Het einde van haar carrière was na vorig seizoen – een jaar van ziektes en lichamelijk ongemak – dichtbij. ‘Wil ik dit nog wel? Ik was het strijden moe. Ik was er klaar mee om op de fiets te stappen en het opnieuw te proberen. En mezelf dan weer verwijten te maken en boos te worden. Ik was helemaal leeg.

‘Mijn geluk is geweest dat ik in een andere ploeg terecht ben gekomen. Sissy van Alebeek (ploegleider bij Van Bemmelen/Merida, red.) begrijpt dat iedereen anders is. Op trainingskamp was het ineens leuk.

‘In mijn vorige ploeg was ik de sfeermaker aan tafel. Ik lachte altijd. Ik wilde het maar leuk houden. Dat doe ik nu niet meer, dat is doodvermoeiend.

‘Op een gegeven moment moest ik meiden uit de ploeg bellen, die in de put zaten. Terwijl ik er zelf het diepste in zat. Ik voelde me een schaakpion. Dan zei ik: hé, je fietst toch niet zo slecht. En dat meende ik ook nog, als ik het met mezelf vergeleek.’

In de ploeg van Van Bemmelen kon ze zichzelf zijn. Als het slecht ging, nou ja, dan ging het slecht. Steeds vaker ging het minder slecht dan ze dacht. Haar vriend, wielrenner Wim Stroetinga, wees haar erop dat ze wel weer mocht genieten van het koersen. Dat het leuk was om te doen. ‘Dat was precies wat mijn vader altijd zei.’

Ze zegt het enigszins beschroomd, maar toen ze op vrijdag 9 oktober op de wielerbaan van Alkmaar nationaal kampioene werd op de puntenkoers – haar lievelingsnummer – was hij erbij. Ze had het gevoel dat hij haar heeft geholpen. Het was haar eerste overwinning sinds zijn overlijden. ‘Het is zo moeilijk uit te leggen. Ik weet dat het stom klinkt.’

Ze had de hele week gezeurd over haar slechte benen, en dat het vast niets zou worden. Maar aangekomen op de baan voelde ze zich ontspannen en leek er niets mis te kunnen gaan. Alsof iemand zich over haar had ontfermd. Ze pakte met een andere renster een ronde voorsprong op het peloton en kwam tien ronden voor het einde ineens aan de leiding.

‘Aan het begin van het seizoen dacht ik nog: als ik stop, dan wel met plezier. Maar ik denk niet meer aan stoppen en ineens win ik ook weer. Het was compleet. Alles viel terug in mijn handen. Die avond waren alle emoties er in één klap uit.

‘Ik durf nu weer te dromen. Misschien ben ik ook wel een laatbloeier. Ik denk dat ik weer iets kan bereiken. Voor mezelf. Ik zeg niet dat ik barst van het talent, maar ik denk dat ik af en toe te weinig met mijn capaciteiten heb gedaan. Ik voel me daar soms wel schuldig over.

‘Als ik mijn vader als voorbeeld neem: die had niet zo heel veel talent. Zijn talent was zijn doorzettingsvermogen. Als je ziet wat hij heeft gedaan om eruit te halen wat erin zit, dat doe ik echt nog lang niet. Dat weet ik. Het is de vraag of het mij zal lukken. Het moet ook wel meezitten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden