Interview

Ian Buruma: ‘Het nut van de Spelen is voor de meeste Japanners heel beperkt’

Gaan de Spelen van Tokio door? De bevolking zegt nee, de regering lijkt vast te houden aan het evenement. Schrijver en Japan-kenner Ian Buruma: ‘De Spelen van 1964 gaven zelfvertrouwen. In 2021 hoeft Japan niets meer te bewijzen.’

De Amerikaanse topsprinter Justin Gatlin (tweede van links) is een van de lopers bij testwedstrijden in het Olympisch Stadion van Tokio begin mei.  Beeld AFP
De Amerikaanse topsprinter Justin Gatlin (tweede van links) is een van de lopers bij testwedstrijden in het Olympisch Stadion van Tokio begin mei.Beeld AFP

Een ‘olympische’ coronavariant, dat kon er ook nog wel bij. De voorzitter van de Japanse artsenvereniging, Naoto Ueyama, waarschuwde deze week voor een gloednieuwe virusvariant als de Olympische Spelen in Tokio deze zomer doorgaan. ‘Het betekent dat alle mutaties die er nu zijn, zoals de Britse, Braziliaanse, Zuid-Afrikaanse en Indiase, in juli geconcentreerd worden in Tokio’, aldus Ueyama. ‘We zijn op het punt aangekomen dat de internationale gemeenschap moet zeggen: dit moet stoppen.’

Vrijwel dagelijks groeit het verzet tegen het olympisch toernooi, het grootste sportevenement ter wereld, dat op 23 juli moet beginnen. De scepsis wordt gevoed doordat in gaststad Tokio nog altijd de noodtoestand geldt vanwege het hoge aantal besmettingen, waardoor zelfs IOC-voorzitter Thomas Bach onlangs het land niet in mocht. Deze week gaven de Verenigde Staten een negatief reisadvies uit voor Japan. Bovendien blijkt uit peilingen keer op keer dat rond de 80 procent van de Japanners wil dat de Spelen worden afgelast of opnieuw uitgesteld.

De scepsis onder de bevolking is geen verrassing voor de Nederlands-Britse schrijver en Japan-kenner Ian Buruma (69), die zes jaar in het land woonde en er meerdere boeken over schreef, waaronder Inventing Japan, over de moderne geschiedenis van het land. Al voor de pandemie was er weinig enthousiasme onder Japanners over de Olympische Spelen, vertelt hij via Zoom vanuit zijn huis in New York. ‘Het nut van de Spelen is voor de meeste Japanners heel beperkt. Het is heel duur, in een tijd dat het niet geweldig gaat met de economie. Het wordt vooral gezien als een prestigeproject van oud-premier Shinzo Abe, niet iets waar de gewone burger veel plezier aan beleeft.’

De Japanse regering en de organisatie houden tot nu toe vol dat het evenement doorgaat en dat het ‘veilig en betrouwbaar’ zal verlopen. Ze baseren dat op testtoernooien, waar weinig tot geen nieuwe besmettingen opdoken. De Japanse krant Asahi Shimbun, een van de binnenlandse sponsoren, keerde zich deze week tegen deze redenatie. ‘Niets is met de schaal van de Spelen te vergelijken’, aldus de krant, die opriep een streep te zetten door het evenement.

Ian Buruma: ‘De druk van het IOC op de Japanse regering is natuurlijk enorm, omdat het afgelasten heel veel geld zou kosten. En het betekent gezichtsverlies.' Beeld Getty Images
Ian Buruma: ‘De druk van het IOC op de Japanse regering is natuurlijk enorm, omdat het afgelasten heel veel geld zou kosten. En het betekent gezichtsverlies.'Beeld Getty Images

Is er wel iemand in Japan die de beslissing kan of durft te nemen?

‘De druk van het IOC op de Japanse regering is natuurlijk enorm, omdat het afgelasten heel veel geld zou kosten. En het betekent gezichtsverlies. Het is net als in 1940 voor de Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor, die ook niemand wilde. De regering en ook de admiraals en generaals zagen ook wel in dat het een enorm risico was, maar niemand durfde er tegenin te gaan. Dat is een beetje inherent aan het politieke systeem in Japan waar het voor een individu, zelfs in de hoogste politieke kringen, moeilijk is om persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen. Mensen verschuilen zich altijd achter de groep en consensus, die dan wel vaak in het voordeel van de machtigste groepen uitvalt.’

In hoeverre speelt de angst voor gezichtsverlies een rol?

‘Ik bedoel het niet als karaktereigenschap. Als een regering zoiets onderneemt als prestigeproject, zijn ze bang in eigen land hun gezicht te verliezen. Dat zouden andere regeringen ook hebben. De paradox is natuurlijk dat de meeste mensen het hele project toch al niet zien zitten.’

Bij de toewijzing van de Spelen van 2020 hoopten de Japanse bestuurders dat het evenement eenzelfde betekenis voor Japan zou krijgen als de Zomerspelen van 1964, dat eveneens in Tokio werd gehouden. Die editie heeft in Japan een bijna mythische status. Het symboliseerde de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, waarin Japan een verbond met nazi-Duitsland had gesloten en uiteindelijk een verwoestende nederlaag leed. Mede door Amerikaanse investeringen herrees het land uit de as. Niet alleen werd het land in 1968 de tweede economie van de wereld. Japan werd wereldwijd toonaangevend in technologie, cultuur en toerisme. Het luidde de geboorte in van ‘cool Japan’.

‘De Spelen van 1964 en de wereldtentoonstelling in Osaka in 1970 gaven Japanners weer zelfvertrouwen. Ze konden laten zien dat ze de snelste treinen konden maken; dat de steden weer waren opgebouwd; dat het een moderne, succesvolle, democratische maatschappij was geworden. Voor veel Japanners betekende het: we zijn weer respectabel. Dat is eigenlijk ook het grootste belang van de Olympisch Spelen, dat het een geknakte gemeenschap weer zelfvertrouwen geeft. Dat zag je bijvoorbeeld ook bij de Zomerspelen van Seoul in 1988. Maar dat ligt nu compleet anders: Japan heeft niks meer te bewijzen.’

U kwam in 1974 aan in Tokio. Hadden de mensen het toen nog over de Spelen van 1964?

‘Nee, maar ze hadden het nog wel over Anton Geesink, de judoka. Die had een enorme indruk achtergelaten, toen hij in 1964 in de finale de Japanner Akio Kaminaga versloeg in hun eigen sport. Als mensen hoorden dat je Nederlander was, dan begonnen ze over tulpen en Geesink. Hij dankte zijn bekendheid ook aan het feit dat hij later op een voor hem toch wel vernederende manier geld probeerde te verdienen als showworstelaar in Japan. Dat was toch wel een beetje een afgang voor een grote judoka. Maar men had toch ook een enorm respect voor hem.’

U beschrijft in uw boek Inventing Japan dat het na zijn overwinning stil was in de straten van Japan. Was het zo erg?

‘Veel mensen hadden toen nog geen tv, ze stonden op straat te kijken door de ramen van televisiewinkels. Als gastland van de Spelen mag je een sport toevoegen die daarvoor nog geen olympische sport was. Japan koos voor judo. In hun ogen was judo een toonbeeld van de Japanse cultuur, omdat het niet alleen ging om hoe sterk je was. Het was ook een geestelijk spel, waarin de fysiek zwakkere van een veel sterker iemand kon winnen door slimheid, door mee te geven en door spirituele kracht. Ze dachten natuurlijk ook dat ze zouden winnen. Dat Geesink won, was een grote teleurstelling. Aan de andere kant, zijn gedrag maakte grote indruk. Nadat hij had gewonnen, wilden zijn Nederlandse supporters de mat bestormen om hem te feliciteren, maar Geesink stuurde ze terug omdat hij voor zijn tegenstander wilde buigen. Toen besefte men dat hij zich de geest van het judo en de Japanse cultuur eigen had gemaakt.’

Met andere woorden: de Japanners hadden de wereld ook wat te bieden?

‘Ja, dat kun je zo wel stellen. In zekere zin is wat Geesink voor Japanners betekende het tegenovergestelde van wat Lothar Matthäus voor Nederlandse voetbalfans in de jaren 80 representeerde. Voor hen was Matthäus toch het stereotype van de nare Duitser. Zo werd Geesink in Japan zeker niet gezien.’

In hoeverre vormden de Spelen van 1964 een katalysator voor de stormachtige economische groei?

‘Met name Tokio is voor een groot deel herbouwd voorafgaande aan de Spelen. De infrastructuur die nu een beetje oud aan het worden is, is toen gebouwd, soms met catastrofale gevolgen. Er zijn mooie dingen met de grond gelijk gemaakt, het moest allemaal mooi en vlug. Alleen al in materieel opzicht heeft het de stad enorm veranderd.

‘Er was ook een politieke achtergrond. In 1960 tekenden Japan en de Verenigde Staten een nieuw veiligheidsverdrag, waarin beide landen beloofden elkaar in geval van dreiging te hulp te schieten. Dat verdrag was heel onpopulair. De meeste Japanners waren blij met de pacifistische grondwet die er na de oorlog was gekomen. Ze wilden helemaal niet via een militair verdrag in allerlei conflicten in Azië terechtkomen. Met name in 1960 waren er enorme demonstraties tegen dat verdrag.

Toen heeft de regering een belofte gedaan: het verdrag komt er, maar de economie van Japan zou in tien jaar twee keer zo groot worden. Dus de deal was: het land wordt rijker, maar dan stoppen we met de protesten. Het symbool van die snelle economische ontwikkeling waren de Spelen. En zonder die Spelen was die ontwikkeling niet zo snel gegaan.’

Japanse bestuurders hoopten dat ‘Tokio 2020’ eenzelfde positief effect op het land zou hebben. Zo moest het evenement de economie, die al sinds de jaren negentig sukkeert, een flinke oppepper geven. Daarnaast zouden het – opnieuw – de Spelen van de ‘wederopbouw’ worden, na de verwoestende tsunami van 2011 die aan ruim 18 duizend mensen het leven kostte. En na het gedwongen uitstel van vorig jaar zouden de Spelen ook nog eens ‘de overwinning op het coronavirus’ gaan symboliseren.

De labels klinken mooi aan de beleidstafel, maar het zorgde de afgelopen jaren niet voor meer enthousiasme. Veel Japanners vinden het evenement vooral te duur. Officieel kost het toernooi 12 miljard euro, maar met indirecte uitgaven en de kosten van het uitstel kom je al gauw op 30 miljard. Nu voeren zorgen over de volksgezondheid de boventoon. De ‘overwinning’ op het virus is immers nog ver weg.

De wederopbouw-Spelen van 2020, raakte dat na de ramp van 2011 niet een snaar bij Japanners?

‘Zo wordt het gebracht, maar het leeft veel minder dan destijds. Veel minder mensen geloven erin. Ik denk dat de scepsis laat zien waarom met name autoritaire regimes van de Spelen houden. Ze houden van grote projecten waar de stem van de gewone burger niet heel belangrijk is. Ze houden van prestige, vlagvertoon en marcherende gezonde mensen. Maar het is niet iets wat burgers van moderne liberale democratieën erg aanspreekt.’

In Japan is de Liberaal Democratische Partij (LDP) sinds de oorlog vrijwel onafgebroken aan de macht geweest. Speelt die onaantastbare positie mee in het besluit de Spelen koste wat het kost door te laten gaan?

‘Je hebt natuurlijk ook de rol van het IOC, dat druk uitoefent op de Japanse regering. En olympische comités zijn niet alleen corrupt, ze houden ook meer van autocratische dan van democratische regimes. De LDP zal er politiek niet beter van worden. Aan de andere kant: er is geen sterke oppositie in Japan, dus het zal niet leiden tot de val van de regering. Heel veel te verliezen hebben ze niet.’

Hoe komt het dat de oppositie zo zwak is in Japan?

‘In Oost-Azië, met uitzondering van Zuid-Korea, zie je vaak een verbond tussen conservatieve regeringen en een hoogopgeleide stedelijke bevolking. Hetzelfde geldt voor China onder de communistische partij. De regering staat garant voor orde en welvaart. In ruil daarvoor bemoeien mensen zich verder niet te veel met de politiek. Dat is de deal die LDP in 1960 heeft gemaakt en dat heeft in Japan lang goed gewerkt. Daarnaast is de oppositie hopeloos verdeeld. Wie aanleg en politieke ambitie heeft, gaat bij de LDP.’

Ik kan me ook goed voorstellen dat de stemming omslaat zodra de eerste medaille wordt uitgereikt.

‘Ik kan me dat ook voorstellen, maar ik denk niet dat het betekent dat daardoor de Spelen plotseling populair worden. Het is niet meer hetzelfde volk alsin 1964, het interesseert ze nu ook minder dan toen. Japan had destijds veel in te halen, veel goed te maken en een enorm minderwaardigheidscomplex. Dat is nu allemaal niet meer zo. Japanners vonden het toen heel belangrijk hoe de wereld hen zag. Nu kan het ze veel minder schelen.’

U schrijft in Inventing Japan dat Japanners over de waardigheid beschikken om het beste uit een nederlaag te halen. Ziet u dat nu ook gebeuren?

‘Die vergelijking klopt niet, want Japanners zullen het schrappen van de Spelen niet zien als een nederlaag. Het is gewoon een raadsel in in welk opzicht dit toernooi goed zou kunnen zijn voor Japan.’

CV Ian Buruma

Ian Buruma (1951) studeerde Chinees in Leiden en filmwetenschap in Tokio, waar hij van 1974 tot 1981 woonde en de taal leerde. Daarna ging hij zich toeleggen op de journalistiek. Hij publiceerde onder andere in The New York Times, The Guardian, NRC Handelsblad en The New York Review of Books. Van dat laatste blad was hij korte tijd hoofdredacteur, tot hij ontslag nam na kritiek op een publicatie in de nasleep van #MeToo. Hij schreef tientallen boeken en essays over Japan, waaronder Inventing Japan (2003), Tokyo mon amour (2018) en A Japanese Mirror: Heroes and Villains of Japanese Culture (1984). In 1997 versloeg hij voor de Volkskrant de laatste Elfstedentocht.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden