Reportage World Port Tournament

Hoe scouts met een lasergun speuren naar honkbaltalent: ‘Het is als parelvissen’

Het World Port Tournament in Rotterdam is een ontmoetingsplek voor honkbalscouts van grote Amerikaanse clubs. Ieder talent gaat langs de meetlat van slaggemiddelde, slagkracht, snelheid, veldspel en werpkracht. 

De Nederlandse ploeg juicht na een homerun tegen de VS op het World Port Tournament in Rotterdam. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Ton Hofstede zag ze voor het eerst op de stoffige velden van Curaçao, zijn jachtgebied als honkbal­scout. Hij weet alles van hun achtergrond. Hij kent hun ouders, broers en zussen. Nu zijn spelers als Didi Gregorius, Andrelton ­Simmons en Kenley Jansen multimiljonairs in de Amerikaanse topcompetitie Major League. Sindsdien wordt het piepkleine eiland overspoeld met scouts.

En niet alleen de Cariben zijn in trek. Deze week zijn talentenjagers van Amerikaanse clubs neergestreken in Rotterdam bij het World Port Tournament. Tijdens het duel tussen Nederland en Taiwan zit Hofstede, die bij diverse Amerikaanse clubs werkte, op de perstribune vlak bij Jesús Méndez, een Venezolaan die al 22 jaar voor de Philadelphia Phillies naar talent speurt.

Het tweejaarlijkse World Port Tournament geldt als een van de belangrijkste toernooien in Europa voor honkbalscouts. ‘Wij kijken vooral naar jonge jongens die we kunnen ontwikkelen’, zegt Méndez die zijn ­gereedschap heeft uitgestald: twee ­telefoons, een lasergun, een stopwatch, een opschrijfboekje en een reistas met een platinumpasje dat op ­luchthavens voordeel biedt. Hij is ­permanent onderweg.

Zijn wereld heeft wat weg van een veemarkt. Met zijn kennersoog schat hij in wat de potentie is van een nog ongepolijste speler en hoeveel tekengeld hij waard is. Daarbij let hij op de zogenoemde five tools, oftewel de belangrijkste honkbalvaardigheden: slaggemiddelde, slagkracht, snelheid, veldspel en gooikracht.

Spelers die over al die vaardigheden beschikken, zijn extreem zeldzaam. ‘Dus twee of drie tools zijn voldoende’, zegt hij. Als hij een interessante speler ziet, noteert hij driftig in zijn opschrijfboek. Daarna roept hij de hulp in van een crosschecker; een scout die een second opinion doet.

Alles per telefoon

De scoutladder is hiërarchisch. ­Major Leagueclubs hebben gemiddeld ­vijftig scouts op de loonlijst. Mendez is coördinator van de internationale afdeling van de Phillies. ­Zodoende heeft hij tientallen regioscouts onder zich. Van zijn club mag hij zonder overleg tot zo’n 100 duizend dollar (bijna 90 duizend euro) aan tekengeld bieden aan een speler. ‘Als ze duurder zijn, moet ik mijn baas ­bellen.’

Hij werkt naar eigen zeggen vooral via zijn telefoon, zit elke week in het vliegtuig en is deze maand nog niet thuis in Venezuela geweest. Het stadion van de Phillies ziet hij vooral op tv. ‘Behalve als we de World Series halen. Dan worden we uitgenodigd, zoals in 2009.’

De regioscouts zijn meestal parttime in dienst. Het betekent niet dat ze minder streng worden beoordeeld. Zo werd de scout van de Phillies op Curaçao ontslagen, omdat hij supertalent Ozzie Albies over het hoofd had gezien. Die maakt nu bij ­Atlanta Braves furore. ‘Hij had hem maar twee keer zien spelen en gaf hem een slechte beoordeling. Dan mis je zo iemand. In de Dominicaanse Republiek of Venezuela kan dat gebeuren. Niet op zo’n klein eiland. Daar moet je van iedereen alles weten.’

Méndez heeft zijn vak de afgelopen twintig jaar flink zien veranderen. Toen hij begon, zat hij op tribunes tussen scouts die op basis van hun ogen en onderbuikgevoel een speler contracteerden. Nu zit hij tussen jonge, op universiteiten geschoolde scouts met laptops voor hun neus. Zij baseren hun beslissingen op het zogenoemde sabermetrics; een duur woord voor ­alles meten van wat een speler doet.

Het is iets waar een statische sport als honkbal zich perfect voor leent, gecombineerd met het steeds bredere scala aan technologische hulpmiddelen dat beschikbaar komt. Alles wordt in kaart gebracht en bijgehouden. Van de hoek waarmee een bal vertrekt van de knuppel tot het op de centimeter nauwkeurige traject van een geworpen bal.

Natuurlijk, Méndez meet nog wel­eens de snelheid van een bal met een lasergun of hij drukt de stopwatch in als een slagman naar het eerste honk rent. Maar dat is voor hem dan ook voldoende. ‘Anders scout je alleen tools en niet de speler.’

Als voorbeeld noemt hij spelers van Curaçao, die tijdens hun jeugd op het eiland op een relatief laag niveau spelen in vergelijking met leeftijdsgenoten uit Venezuela en de Dominicaanse Republiek. ‘Ze lijken dan minder goed, maar zijn misschien over vijf jaar wel beter. Je moet ze alleen wel de tijd geven. Je hebt dan meer dan statistiek nodig’, zegt hij.

Volgens hem verschilt het per club in hoeverre data leidend zijn. ‘In sommige organisaties is het wel erg extreem. Overal worden rapporten van gemaakt. Alles wordt gefilmd. Zeker bij clubs met nieuwe, jonge directeuren’, aldus Méndez.

Ton Hofstede weet er alles van. Een kwart eeuw was hij Major League­scout. Tot zijn laatste club Baltimore Orioles eind vorig jaar een nieuwe, 36-jarige directeur kreeg met een voorliefde voor statistiek. Hij reorganiseerde meteen de scoutingafdeling. Hofstede werd bedankt voor zijn diensten. ‘Zo gaat dat. Ik ben net als Jesús een old school scout’, zegt hij schouderophalend. ‘Het is hired to be fired.’

Industrie

Hofstede rolde het scoutvak in toen hij als begeleider van een Arubaans team werd gevraagd de scoutingbaas van Montreal Expos rond te leiden op het World Port Tournament in 1993. Die vroeg of hij zijn man in Nederland wilde worden. Vanaf 2011 kwam daar Curaçao bij, waar hij voor de helft van het jaar ging ­wonen, toen Major League­clubs hun vizier steeds meer richtten op het eiland vanwege de vele succesvolle honkballers die het voortbrengt.

Hij heeft zijn werk altijd parttime gedaan naast zijn baan als ict’er bij Shell. Hij begon met een ­salaris van 250 dollar per jaar. Vorig jaar was dat 8.000 dollar (ruim 7.000 euro).

Hofstede zag hoe het mondiale honkbal steeds meer een industrie werd, zelfs op Curaçao. ‘Ik wilde ­Ozzie Albies ook onder contract. Maar de Braves boden meteen 350 duizend dollar. De talentvolle jongens gaan naar de hoogste ­bieder.’

En in de Dominicaanse Republiek hebben jongetjes van 11 jaar tegenwoordig al spelersmakelaars, zegt Hofstede. ‘Buscones, heten ze. Die pakken 30 tot 50 procent van het tekengeld als ze prof worden. Of ze zetten die jongens in honkbalacademies als ze 9 jaar oud zijn. Als het geen talent blijkt, zetten ze ze weer over het hek op straat.’

Van al zijn spelers is hij het meest trots op werper Rick van den Hurk, die in 2007 in de Major League debuteerde. Hij was pas de vijfde in Nederland opgegroeide speler die het hoogste niveau haalde. ‘Dat is heel knap. Hij heeft hard gewerkt om te komen waar hij nu is’, zegt hij over de 34-jarige werper die in Japan speelt voor een jaarsalaris van 3 miljoen.

Volgens Hofstede is Van den Hurk het voorbeeld dat de juiste instelling minstens zo belangrijk is als talent. ‘In Amerika is het keihard. Je moet het daar zien te winnen van de straatarme Dominicaan die speelt voor brood. Een Nederlander speelt bij wijze van spreken voor zijn tweede Playstation. Dat moet je ­beseffen. Als een jongen meteen tegen mij zei dat hij niet naar ons team in Santo Domingo wilde, wist ik ­voldoende. Een scout moet ook kijken naar wat er in het hoofd zit.’

Een van de weinige jongelingen in het Nederlands team op het World Port Tournament is debutant Delano Selassa (19). De buitenvelder maakt in de hoofdklasse al jaren indruk, vooral met zijn atletische verdedigende acties. Hofstede had hem op zijn lijstje staan bij de Orioles.

Major Leagueglorie

Selassa wil graag naar de VS. Hij sprak al met scouts van onder meer New York Yankees en Kansas City Royals. ‘Echt concreet werd het niet’, zegt hij. ‘Maar later dit jaar ga ik naar een college in Arizona om daar naar school te gaan en te honkballen.’

Het is volgens bondscoach Evert-Jan ’t Hoen de beste route naar de VS. ‘Buiten Amerika mag je gecontracteerd worden als je 16 jaar bent. Dat is jong, hoor. En slechts 5 procent haalt de Major League. Wat doe je dan als je ontslagen wordt?’

Of er Major Leagueglorie lonkt voor Selassa? Niemand weet het. ­Precies dat maakt scouten zo leuk, zegt Hofstede, die na 26 jaar geen ­genoeg heeft van het vak: ‘Het is een beetje parelvissen. Soms zie je een jaar niks. Dan zijn er opeens drie.’

Zich actief aanbieden bij clubs doet Hofstede niet meer sinds zijn ontslag bij de Orioles. Het moet op zijn pad komen. Misschien wel op het World Port Tournament, waar het 26 jaar geleden voor hem begon. Als Phillies-scout ­Jesús Méndez vertrekt naar zijn hotel geeft hij Hofstede nog snel zijn visitekaartje. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden