Essay Wielerklassiekers

Het zweet der goden: een klassiek boek dat uitlegt waarom klassiekers nu precies klassiek zijn

Een klassieker over wielerklassiekers besproken als een wielerklassieker. Door Frank Heinen, de auteur van een lexicon voor iedereen die wel eens een koers kijkt.

Beeld Tzenko Stoyanov

‘En dat was hem dan weer: de vierde, herziene editie van Het zweet der goden. Naast mij: José De Cauwer. José, waar hebben we naar zitten kijken?’

‘Goh ja, waar hebben we naar zitten kijken… Ik denk naar een klassieker, een klassieker over een parkoers dat veel schrijvers redelijk goed ligt: de geschiedenis van het wielrennen, laten we zeggen van 1868 tot nu.’

‘En heb je je vermaakt?’

‘Goh ja, vermaakt… Ja, eigenlijk wel ja. Het was mooi, het was heel mooi.’

‘Wat onthoud jij van deze klassieker?’

‘Goh ja… wat onthoud ik… Ik onthoud heel veel dingen. Dat het zweet van goden niet stinkt, bijvoorbeeld.’

‘Mag ik eens helpen? Onthoud je bijvoorbeeld hoe boeiend het verhaalverloop in de eerste uren was, met dat hoge gemiddelde waarin haast op elke pagina wel een eindeloos vaak doorvertelde mythe uit de sport onderuit wordt gehaald?’

‘Ik denk dat dat zeker iets is wat ik zal onthouden.’

‘Hoe komt dat?’

‘Goh ja, hoe komt dat… Ik denk dat dat komt door meneer Maso, de schrijver, die een parkoers heeft uitgetekend dat zich in grote lijnen chronologisch door het wielerlandschap slingert, zodat iedereen het kan volgen. Van Petit-Breton en Vietto, via Coppi en Bartali, langs Anquetil en Merckx tot Armstrong en Froome.’

‘Ken jij het verhaal van Anquetil en Poulidor, José?’

‘Ken ik het verhaal van Anquetil en Poulidor… Ik denk dat je het verhaal van het sterfbed bedoelt?’

‘Dat bedoel ik.’

‘Dat ken ik, ja.’

‘José, vertel het.’

Benjo Maso: Het zweet der goden

De Arbeiderspers; 256 pagina’s; € 22,50.

‘Een leven lang beconcurreerden de Franse renners Anquetil en Poulidor elkaar. Anquetil was vrijwel altijd de betere – hij won vijfmaal de Tour en Poulidor werd altijd tweede, hij droeg zelfs nooit de gele trui. Toch was Poulidor belachelijk veel populairder dan Anquetil, die alleen maar wilde winnen. En op zijn sterfbed zou Anquetil tegen Poulidor hebben gezegd: ‘Ook ditmaal ben je weer nummer twee, Raymond.”

‘En citeer nu ook even de zin die Maso daaraan toevoegt, als je wilt.’

‘‘In werkelijkheid was deze (Poulidor, FH) op dat moment niet eens in Frankrijk, maar zijn roem is zo groot dat zelfs Anquetils dood er alleen toe schijnt te dienen om Poulidors legende te verfraaien.’’

‘Volgens mij, José, is dit een sleutelmoment in het boek. Die Poulidor en die Anquetil, die legende en die naakte waarheid, weet je wat die symboliseren?’

‘Nee, Michel.’

‘De sport. Onze sport. De koers. Dat is dus niks anders dan een vechthuwelijk tussen waarheid en verdichting, tussen commercie en sportiviteit, tussen efficiëntie en omslachtigheid, tussen journalisten die op basis van twee doorgeseinde zinnetjes over de uitslag een heroïsch krantenverslag van twee pagina’s schrijven en journalisten die in hotelvuilnisbakken op zoek gaan naar gebruikte naalden. Die verhouding, dat is waar Het zweet der goden volgens mij over gaat. En weet je, José: door dit boek durf ik nauwelijks nog een schoon verhaal over de koers te vertellen. Want hoe groot is de kans dat meneer Maso er in een volgende druk gehakt van maakt?’

‘(…).’

‘Eet je mond maar rustig leeg. Renaat heeft mattentaarten meegenomen. José, hoe kijk jij tegen de uitbreiding van deze klassieker aan? De nieuwe stukken parkoers, zeg maar: de stukken over de val van Armstrong en de dreigende deconfiture van Froome?’

‘Hoe kijk ik daartegenaan… Goh ja… Kijk, de tijd stopt natuurlijk niet, de geschiedenis is geen tijdperkje waar we een strik om kunnen doen. Dat gaat allemaal voort, hè. Zoals we ooit de gebroeders Pélissier hadden, en een journalist die hun dopingbekentenissen gretig opschreef, zo hebben we nu David Walsh en Pierre Ballester die Armstrong opjaagden tot hij alles toegaf wat er maar toe te geven viel. En zoals we nu mensen hebben die zich afvragen waarom het toch altijd weer over doping moet gaan, hadden we honderd jaar geleden Karel Van Wijnendaele, die schreef dat men niet moest ‘plodderen in het slijk van bedrog als er ook schone dingen te vertellen waren’. En dat doet Maso, toch?’

‘Dat doet Maso zeker.’

‘José, weet je wat ik nu opeens zit te denken? Dat er helemaal niet zoiets als nieuw wielrennen is, en ook geen oud wielrennen. Er is alleen maar wielrennen, altijd dezelfde sport in steeds een andere vermomming.’

‘Je zit erbovenop, als lezer, je kunt de renners bijna ruiken.’

‘Als het zweet van goden een geur had, natuurlijk.’

‘José, ben je overtuigd van de noodzaak van een herdruk van Het zweet der goden?’

‘In een sport waarin de belangrijkste wedstrijden klassiekers heten, zou een klassiek boek dat uitlegt waarom klassiekers nu precies klassiek zijn eigenlijk altijd in druk moeten zijn.’

‘Klopt helemaal, José.’

‘Dank u, Michel.’

Opnieuw

In 1990 verscheen Het zweet der goden van de socioloog Benjo Maso (Den Haag, 1944). Over de nieuwe, uitgebreide editie uit 2003 schreef de Volkskrant: ‘Op een meeslepende wijze en inzichtelijke manier laat Maso zien hoe legendes over de Tour de France en andere wedstrijden tot stand kwamen.’ De Arbeiderspers brengt het boek nu weer uit.

Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.