Column Peter Winnen

Het wedstrijdverloop van Parijs-Roubaix is als het roodgloeiende ijzer dat door een smid in vorm wordt gehamerd

Het is elk jaar hetzelfde liedje. Vanaf het moment dat er Down Under een begin wordt gemaakt met het wielerseizoen - het is dan pas januari - verlang ik naar Parijs-Roubaix. Het is de koers der (eendaagse) wielerkoersen. Het monument der monumenten.

Het wedstrijdverloop van Parijs-Roubaix is als het roodgloeiende ijzer dat door een smid in vorm wordt gehamerd. Niet van deze tijd en toch helemaal van deze tijd. Het is een kunstmatig gedrocht. De koers zou niet meer bestaan als de onberijdbare kasseistroken niet tot Frans cultureel erfgoed zouden zijn verheven. Het is een wedstrijd voor tractoren.

Ik kijk het liefst helemaal alleen, gestrekt op de chaise longue.

Parijs-Roubaix heb ik nooit gereden. Door de wijze ploegleiding werd ik met mijn klimmerspostuur nooit opgesteld: per definitie incompetent. Toch ken ik ze, de gruwelijke stenen.

1981; het had de organisator van de Tour de France behaagd een keienrit op te nemen in de Grote Ronde. Liefst dertig kilometer stenen waren opgenomen in het traject. Een halve Parijs-Roubaix derhalve waarvan de finale nagenoeg gelijk was aan de finale van afgelopen zondag.

Die dag leerde ik hoe een stuiterbal de wereld inkijkt. Er is geen voor, en er is geen achter. Een boven en beneden is er evenmin. Vijf lekke banden reed ik, een keer voor en achter tegelijk: stootlek. Hoewel ik er hartstochtelijk naar zocht vond ik op de Noord-Franse kinderkoppen nooit de ideale lijn.

Kortom, dik vijf minuten aan mijn broek in Roubaix. Het was mijn debuut in de Tour. Ik was dood als een stootlekke band.

Maar toch, terugdenkend aan de onrechtvaardigheid van de stenen heb ik ze lief. En hoe kunstmatig het circus Parijs-Roubaix ook is ingericht, de klassieker wordt nooit een act of een kunstje. Gestrekt op de chaise longue rijd ik ontelbare keren lek, weigert mijn elektronische versnellingsapparaat, en mis ik een bidon. Een paar keer smak ik tegen de vlakte.

Jammer dat er geen shots vanuit de ploegleidersauto’s doorkwamen zoals vorige week tijdens de Ronde van Vlaanderen - bij de VRT althans. Niet dat de kijker iets heeft aan het opendeurengeneuzel in rennersoortjes uitgesproken door mannen op leeftijd die er in het visoog van de dashboardcamera sneu en robotesk uitzien, humoristisch zijn de intermezzo’s altijd.

Het satirisch programma De Ideale Wereld waar ik altijd op afstem fabriceerde een paar dagen na De Ronde een shot uit de ploegleidersauto van Mathieu van der Poel. Of Mathieu zijn hand op wilde steken als hij ook iets van het frietkot behoefde na koers. Mathieu stak zijn hand op, en boem, daar lag hij.

Niet iedereen in mijn omgeving vond dit geslaagde satire. Ik wel. Het was juist Mathieu die werd ontzien.

In Parijs-Roubaix is elke ploegleider die de koers weet uit te rijden min of meer een held.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.