Het succes van de Nederlandse vrouwen op de Spelen verklaard

Nederlandse vrouwen winnen meer olympische medailles dan Nederlandse mannen. Terwijl er, tot de Spelen in Rio, altijd meer mannen meededen. Hoe zit dat? Een verklaring in vijf delen.

Dafne Schippers bij de 200 meter-sprint op de IAAF Diamond League Anniversary Games in Londen.Beeld anp

1. Meisjes doen mee

Nederlandse meisjes doen aan sport, haast net zo veel als Nederlandse jongens. Op de basisschool zijn acht van de tien kinderen lid van een sportvereniging. Dat is ongekend hoog, zegt Erik Lenselink, manager sportontwikkeling van sportkoepel NOC*NSF. Er zijn nauwelijks landen waar zo veel kinderen kennismaken met georganiseerde sport.

'Die verenigingscultuur is ongeëvenaard', zegt Lenselink. 'Er zijn andere landen waar veel kinderen sporten: de Scandinavische landen, Canada, Nieuw-Zeeland. De sportdekking in Duitsland komt in de buurt. Maar in Spanje ligt die op 9 procent. Als je puur naar deelname kijkt, dan sporten in Nederland veel meer meisjes dan in de rest van de wereld.'

De belangstelling voor sport is tijdelijk. Vanaf 10 jaar daalt de interesse snel, bij meisjes meer dan bij jongens. Bij het turnen, de grootste meisjessport, haken acht van de tien meisjes af. Het lichaam verandert, net als de interesses. In sommige sporten blijven verhoudingsgewijs veel meisjes actief, ook in hun tienertijd. In Nederland hockeyen beduidend meer meiden dan elders ter wereld. Clubs hebben wachtlijsten.

In de competitiesport voor volwassenen is de verdeling tussen man en vrouw flink scheef: tweederde versus eenderde. Vanuit het perspectief van de topsport hoeft het niet erg te zijn dat veel meiden afhaken als ze ouder worden. De uitblinkers gaan vaak wel door met sport. Zij hebben er schik in. De beste kinderen zijn al uitgeselecteerd, vermoedt Lenselink. 'Je weet snel wie echt talentvol is.'

Tekst gaat verder onder het overzicht.

2. Welvaart

Meisjes en vrouwen mogen sporten. Het is in Nederland normaal dat ze tijd vrijmaken voor lichaamsbeweging, zeker in de hogere sociale klassen. Olympische sporten worden overwegend beoefend door kinderen uit de betere wijken en buurten. In sommige steden verschilt de sportdeelname volgens NOC*NSF per wijk enorm; in een straal van 2 kilometer kan dat uiteenlopen van 6 tot 60 procent.

In die hogere welstandsgroepen is het normaal lang te studeren, laat te trouwen en het krijgen van kinderen uit te stellen tot voorbij de 30 jaar. Die sociale normen scheppen ruimte voor topsport, denkt sociologe Agnes Elling. Zij is verbonden aan het Mulier Instituut, dat sociaal-wetenschappelijk onderzoek verricht in de sport.

Elling: 'Onze topsporters zijn vaak vrouwen met een Hollandse achtergrond, vaak hoogopgeleid, kinderen uit welvarende gezinnen. Voor die vrouwen hebben we een gunstige positie geschapen, waardoor ze eenvoudiger de keuze kunnen maken voor topsport.'

Hoe ongewoon die keuze in mondiaal perspectief is, blijkt uit de geringe sportdeelname van migrantenmeisjes. In het onderwijs doen zij het soms beter dan migrantenjongens, maar in de sport zijn ze volgens Elling sterk ondervertegenwoordigd. 'Sport behoort in die kringen nog steeds tot het masculiene domein van de samenleving.'

3. Minder concurrentie

Emancipatie is in de olympische beweging een belangrijk streven. In Rio de Janeiro doen aan alle sporten mannen en vrouwen mee, al worden er nog altijd meer medailles vergeven aan mannen. Het streven is dat in 2024 gelijk te trekken. Alle landen zijn verplicht vrouwen af te vaardigen.

Dat neemt niet weg dat topsport in de meeste landen niet is weggelegd voor vrouwen. Allerlei sociale normen beletten vrouwen in Afrikaanse, Aziatische en Zuid-Amerikaanse staten om aan topsport te doen. Terwijl de Nederlandse ploeg voor meer dan de helft (55,8 procent) uit vrouwen bestaat, vaardigen islamitische landen soms maar één deelneemster af. Het gevolg: de concurrentie onder vrouwen is kleiner dan onder mannen.

'Als je kijkt naar gelijke kansen voor jongens en meisjes in de sport in Nederland, dan staan we heel hoog in de wereld', zegt Maurits Hendriks, de technisch directeur van NOC*NSF. 'Dat leidt ertoe dat Nederlandse vrouwelijke atleten een voorsprong hebben. Er zijn erg veel andere landen waar die gelijke toegang niet is.'

Die geringe tegenstand geldt nog meer bij de welvaartssporten waarin Nederlandse vrouwen (en mannen) uitblinken: zeilen, roeien, hockey, paardensport, zwemmen. In de atletiek, de toegankelijkste en door vrouwen meest beoefende topsport, veroverde Nederland sinds 1992 geen enkele medaille meer.

Uit een onderzoek van hoogleraar sportontwikkeling Maarten van Bottenburg blijkt dat Nederlandse sporters profijt hebben van goede faciliteiten en organisatie. Vrijwel nergens liggen zo veel zwembaden en hockeyvelden zo dicht bij elkaar. Vrijwel nergens is een grotere competitiedichtheid.

Sociologe Elling: 'We zijn vooral goed in sporten voor hoger opgeleiden. Daarin is de concurrentie überhaupt beperkt. Dat geldt voor mannen en voor vrouwen nog meer. Het zijn dure sporten. Daar is cultureel kapitaal aan verbonden.'

4. Toptienbeleid

Professionele topsport voor vrouwen bestaat in Nederland nauwelijks. Om geld te verdienen moeten de meesten de grens over. Wel komen topsportsters in aanmerking voor een stipendium van NOC*NSF. Er zijn volgens het Mulier Instituut net zo veel vrouwen met een topsportbeurs als mannen.

Dat is niet het resultaat van het olympische streven naar seksegelijkheid. De Nederlandse aanpak is volgens topman Hendriks evenmin geënt op het model van het vroegere Oost-Duitsland. Dat land zette doelbewust in op vrouwensport om te profiteren van de geringe concurrentie. Landen als China en Groot-Brittannië doen dat wel, naar het voorbeeld van de oude DDR.

Sinds de Zomerspelen van Sydney (2000) streeft Nederland naar een positie in de toptien van het landenklassement. Onder Hendriks wordt het geld verdeeld op grond van prestaties en medaillekansen. De praktijk is dat vrouwenprojecten kansrijker zijn. Dat houdt in dat die meer geld krijgen en dus vaker medailles opleveren.

Hendriks: 'We kijken naar resultaat van Nederland, van TeamNL. In de strijd met al die andere landen maken we geen onderscheid tussen medailles voor mannen en vrouwen. Elke medaille is ons even lief. Ik kan me niet voorstellen dat er een fan is die zegt: ik heb ze liever van dat andere geslacht.'

Het valt niet uit te sluiten dat de overheersing van vrouwen verder toeneemt, gezien de praktische inslag van NOC*NSF. Hendriks is niet van plan geld bij de vrouwen weg te houden om evenwicht te brengen in de subsidiëring van beide seksen. 'Er zijn sporten waarin veel basisvoorwaarden in Nederland goed zijn, en waar veel talent zich aanmeldt. Daar ga je met elkaar op inzoomen. Dat is iets dat we steeds gerichter, steeds specifieker doen.'

Tekst gaat verder onder de graphic

Beeld .

5. Toeval

In 1948 veroverden Nederlandse vrouwen voor het eerst meer medailles dan de mannen: acht om zeven. Een belangrijke factor in dat succes: Fanny Blankers-Koen. De Vliegende Huisvrouw, die later tot atlete van de 20ste eeuw werd verkozen, won viermaal goud.

Toeval speelt in de medaillestatistieken een rol volgens sociologe Elling. Het aantal medaillewinnaars is relatief gering. Aangezien de marges in de topsport klein zijn, spelen geluk en pech altijd een rol in de uitslagen. Een sterke sportster, die meerdere plakken pakt, soms bij meerdere Spelen, kan het beeld van een landenprestatie behoorlijk beïnvloeden. En ook dat van de collectieve prestatie van een sekse.

Daar kent Nederland diverse voorbeelden van in de afgelopen vijf edities. Het extreemst waren de Spelen van Sydney in 2000, waar twee vrouwen acht van de vijftien medailles bemachtigden (de mannen vergaarden er tien). Zwemster Inge de Bruijn pakte drie gouden en een zilveren medaille, wielrenster Leontien van Moorsel behaalde een identieke score. Vier jaar later won het tweetal zes van de dertien medailles (de mannen pakten er in totaal negen): vier voor De Bruijn (waarvan een op de estafette) en twee voor Van Moorsel.

Met hun uitzonderlijke talenten hebben ook zwemster Ranomi Kromowidjojo (tweemaal goud en eenmaal zilver in 2008), dressuuramazone Anky van Grunsven (negen medailles in zes olympische deelnames tussen 1992 en 2012) en Marianne Vos (tweemaal goud, in 2008 en 2012) de medaillescore voor vrouwen opgepept.

Als Nederland een veelvoudig medaillewinnaar als de Amerikaanse zwemmer Michael Phelps zou voortbrengen zou elke theorie over vrouwelijk succes minder waard zijn, meent Elling.

Inge de Bruijn bij de Olympische Spelen in Sydney, 2000.Beeld anp

* Maar van echte emancipatie is geen sprake

De medailles van Nederlandse vrouwen worden vaak gevierd als een succes voor de emancipatie. Maar ze verhullen dat mannen de sport op allerlei vlakken nog domineren.

Slechts 10 procent van de betaalde coaches bij de NOC*NSF is vrouw. Het highperformance-team van Maurits Hendriks, die graag meer vrouwelijke coaches zegt te zien, bestaat volgens de website van de sportkoepel uit dertien mannen. In het sportbestuur zijn vrouwen ook structureel in de minderheid (20 procent), al scoren olympische bonden minder slecht dan niet-olympische bonden.

In vrouwensport gaat veel minder geld om, zelfs de hockeycompetitie is niet volledig professioneel. Handballers, volleyballers, tafeltennissters: ze verdienen hun boterham overwegend in buitenlandse competities. Buiten de Olympische Spelen om is de media-aandacht voor vrouwensport ook gering. Sportredacties bestaan vooral uit mannen.

Anky van Grunsven op Salinero tijdens haar proef bij de Grand Prix dressuur op de Olympische Spelen in Londen, 2012.Beeld anp

Sport wordt ten onrechte gezien als aanjager van emancipatie, meent Elling dan ook. 'Sport is bijna nooit een voorloper. Het loopt juist achter. Eerst is er kiesrecht, dan mogen vrouwen studeren en pas als dat soort dingen bereikt zijn, dan volgt de sport.'

Het is volgens haar geen toeval dat juist vrouwen uit de maatschappelijk meest geslaagde lagen van de bevolking in topsport uitblinken. Daar verkeren vrouwen (in theorie althans) op voet van gelijkheid met mannen. Het sportsucces is een uitvloeisel van die positie.

Fanny Blankers-Koen bij de 200 meter-sprint op Spelen in 1948.Beeld anp

Dat is iets heel anders dan de situatie van Fanny Blankers-Koen in 1948. Elling: 'Fanny heeft toen echt iets betekend voor vrouwen. Ze heeft laten zien dat er voor vrouwen een plek was in de sport. Dat was toen een belangrijke boodschap: dat kunnen vrouwen dus.'

Alleen voor achtergestelde groepen kan sport nog zoiets betekenen, stelt Elling. Atlete Sifan Hassan, een vluchtelinge uit Ethiopië met medaillekansen op de 1.500 meter, zou een rolmodel voor vrouwelijke migranten kunnen zijn. 'Zij kan de Fanny Blankers-Koen van deze tijd worden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden