Het staafincident, een zwarte dag voor Ajax

Het weerzien met Austria Wien, vanavond in de UEFA Cup, brengt Ajax zeventien jaar terug in de tijd. Het staafincident van toen was voor de club het keerpunt in zowel sportief als financieel opzicht, meent oud-voorzitter Van Praag....

Een beeldje van een dirigerende Mozart herinnert Michael van Praag nog altijd aan zijn zwartste dag als voorzitter van Ajax. Het geschenk kreeg de voormalige preses uit handen van een afvaardiging van Austria Wien, toen de Oostenrijkse club op 27 september 1989 op bezoek kwam in Amsterdam voor de return in de eerste ronde van de UEFA Cup.

Het is de wedstrijd die de geschiedenis inging als die van het staafincident. Doelman Franz Wohlfahrt van Austria Wien werd namelijk op zijn rug geraakt door een staaf die vanaf de beruchte F-side was gegooid door een 17-jarige vandaal. Het was een wandaad met grote gevolgen.

Het financieel armlastige Ajax werd voor een jaar uitgesloten van Europees voetbal – die straf was in hoger beroep van twee jaar naar één teruggebracht. De eerstvolgende drie Europese duels van Ajax moesten op 200 kilometer van Amsterdam worden gespeeld.

De schade – een half miljoen gulden, exclusief proceskosten – werd verhaald op dader Gerald M. Pas in 1996 volgde uitspraak, waarna een regeling werd getroffen met de vandaal. ‘Dat is de meest frustrerende ervaring voor mij geweest in mijn bestuursperiode van negen jaar’, zegt oud-bestuurslid commerciële zaken Uri Coronel.

‘We waren als bestuur nog maar acht maanden bezig, maar hierdoor werden we niet uit het veld geslagen. Wij waren jonge bestuurders, vol plannen en zó bevlogen. Er was een enorme onoverwinnelijkheid van geest.’

Dat mag hij nu, zeventien jaar later, wel zo voelen. Van Praag herinnert zich nog goed hoe verslagen hij erbij had gezeten tijdens de persconferentie na de wedstrijd, met de staaf voor hem op tafel.

‘Ik was nog bij scheidsrechter Galler in de kleedkamer geweest met het aanbod het vak te laten ontruimen. Later hoorde ik dat een UEFA-waarnemer achter me met beide handen het gebaar had gemaakt dat het was afgelopen.’

De avond had een onwerkelijk karakter gehad voor de voorzitter. Want nog voordat een staaf was gegooid, was Van Praag al ‘van schaamte ineengekropen’ naast zijn collega van Austria. Dat was toen de stadionspeaker van die avond, cabaretier Freek de Jonge, door de microfoon had geroepen: ‘Hallo, Hallo. Herr Waldheim soll Herr Wiesenthal anrufen.’

De Oostenrijkse staatsman Waldheim was kort daarvoor in opspraak geraakt vanwege zijn oorlogsverleden en de beroemde nazi-jager Wiesenthal zat hem op de hielen. Van Praag: ‘Het gaat te ver om Freek als medeschuldige aan te wijzen voor het sfeertje, dat ontstond. Maar ik was wel woedend.’

Het had Van Praag ‘leuk en ludiek’ geleken voor elke Europese thuiswedstrijd een bekende Nederlander als speaker te benaderen. Een optreden van tv-bekendheid Ron Brandsteder was volgens de oud-voorzitter een groot succes geweest. Maar De Jonge had zich vergaloppeerd.

‘Ik ben nog naar Freek gelopen, in zijn cabine, en heb hem gevraagd: hoe kun je dat nu roepen? Maar hij deed het daarna nog eens. In een theater werkt zo’n grap, in het stadion was het volledig misplaatst.’

In retrospectief was de wedstrijd, die in de verlenging bij 1-1 werd gestaakt, van grote betekenis voor de professionalisering bij Ajax. ‘Als we niet waren verhuisd, hadden we niet meer bestaan’, zegt Coronel.

Hij wijst op de slechte bereikbaarheid en het gebrek aan comfort van De Meer. ‘Mensen als Youp van ’t Hek wezen altijd op de vette worsten en de romantiek van De Meer. Maar zij beleefden het voetbal vanaf de eretribune of de Reynolds-tribune.’

Van Praag: ‘Rond De Meer waren de omstandigheden primitief. Ik herinner me de kaartverkoop voor een wedstrijd tegen Torino. Daar raakten mensen zó in de verdrukking dat het een wonder was dat er geen doden zijn gevallen.’

Ajax had voor de wedstrijd tegen Austria gekozen voor De Meer, omdat de club niet zo veel toeschouwers verwachtte en een intieme sfeer wilde creëren. Europese wedstrijden werden doorgaans gespeeld in het Olympisch Stadion.

Van Praag: ‘Daar liepen kwaadwillende fans weer over naar belendende vakken en sloegen vaders met hun zoontjes van hun plek. Dat was schandalig. Mede daarom heb ik me destijds zo sterk gemaakt voor de clubkaart.’

Ajax besloot dus te verhuizen en betrok in 1996 de Arena. Volgens Van Praag was dat zowel sportief als financieel een keerpunt in de clubgeschiedenis. Coronel, indertijd belast met het stadion: ‘Dat is het succesvolste geweest dat ik in mijn leven heb gedaan. De professionalisering was al ingezet in De Meer, maar werd pas doorgevoerd in de Arena.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.