Het schaatsen zit Jacques de Vierde in de genen

Na zijn overgrootvader, grootvader en vader is ook Jacques de Koning doorgedrongen tot de Nederlandse schaatstop. Maar 'Jacques de Vierde' sprint, een primeur in de familie....

Vroeger, bij de locale club, kreeg hij met enige regelmaat te horen dat 'een De Koning' het goede voorbeeld moest geven. En nu hij zich dit seizoen heeft ontwikkeld tot een sprinter die in de voetsporen kan treden van Gerard van Velde, Jan Bos en Erben Wennemars, wordt hij vaker dan hem lief is aangesproken als die veelbelovende telg uit de Noord-Hollandse schaatsdynastie.

De Koning weet inmiddels dat zijn familienaam al een eeuw in de uitslagen voorkomt, te beginnen bij overgrootvader Jacques en diens broer Coen. Jacques kwam bij vier achtereenvolgende Nederlandse kampioenschappen op het podium: hij won in 1914. Coen was nog succesvoller. Hij was drie maal de sterkste bij een NK en won één wereldtitel. Ook de Elfstedentocht van 1912 en 1917 schreef hij op zijn naam.

Grootvader Jacques had de pech dat zijn topjaren in de oorlog vielen, maar nam toch tweemaal deel aan het NK allround. Zijn broer Aad had meer succes. Hij werd in 1954 tweede bij de Elfstedentocht en kwam twee jaar later met vier anderen als eerste over de finish. (De vijf staan niet als winnaars te boek, omdat ze hadden afgesproken gezamenlijk over de meet te gaan.)

En dan zijn er vader Jacques en moeder Truus. Beiden maakten begin jaren zeventig deel uit van de kernploeg. De beste prestatie van vader was een achtste plaats bij het NK allround van 1974. Moeder schopte het verder. Truus de Koning-Dijkstra werd in 1974 in Alma Ata zesde bij het EK.

De Koning: 'Ze zeggen altijd: het zit bij jou in je genen.'

Aanvankelijk moest Jacques echter niets hebben van schaatsen. Zijn zussen waren verzot op de sport, hij niet. Als kind scharrelde hij liefst op laarzen over de ijsbaan, die te zien is vanuit de keuken van zijn ouderlijke huis in het Noord-Hollandse Middelie. Als puber was hij liever lui dan moe. Een hangjongere, noemt hij zichzelf. 'Ik ging elke avond naar Purmerend, een beetje peukjes roken, niets doen, en dan weer naar huis.'

Misschien vluchtte hij destijds onbewust voor de hoge verwachtingen, denkt De Koning. Niet dat hij moest schaatsen van zijn ouders. Maar ontkomen aan het verleden was haast onmogelijk. De schaatsliefhebbers in Middelie en omstreken lazen zijn lotsbestemming in zijn voornaam. Jacques. Jacques de Vierde.

Dat hard rijden aantrekkelijker was dan rondhangen in Purmerend ontdekte De Koning pas op zijn vijftiende. Na een bezoek aan een NK, waaraan zijn oudere zus deelnam, haalde hij zijn schaatsen weer tevoorschijn. Sindsdien is hij elk jaar met sprongen vooruitgegaan, ondanks een broze gezondheid. Een afgescheurde lies, astma en de ziekte van Pfeiffer schakelden hem meer dan eens uit.

Nog steeds is zijn lichamelijk gesteldheid zijn zwakke punt. Voor een schaatser is De Koning klein en licht. Zijn spierkracht is veel minder dan die van zijn ploeggenoten bij DSB. Bij intensieve fiets- en skeelertrainingen moet hij vaak afhaken. 'Ik ben helemaal niet sterk. Bij de mannen hang ik altijd achteraan. Ik kan het gewoon niet aan. Soms ga ik maar met de vrouwen trainen.'

Zijn gebrek aan spierkracht wordt echter gecompenseerd door zijn fabuleuze techniek. Die stelt hem is staat zowel op de sprint als op de lange afstanden indruk te maken. Na lang aarzelen zei hij het allrounden pas begin deze winter vaarwel. Hij brak met de familietraditie en koos voor de sprint. Uit testen bleek dat hij explosieve spiervezels heeft. Bovendien wil hij diep in zijn hart maar één ding: 'De snelste zijn. Dus niet hardrijden zo lang mogelijk volhouden, zoals op de 1500 meter. Maar gewoon, het hardst kunnen schaatsen. Dat is het gaafste.'

De keuze pakte wonderwel uit. Op de sprintranglijst is de gediplomeerd stukadoor, die tot vorige zomer werkte in het familiebedrijf, omhoog geschoten. Was hij vorig seizoen nog de 27ste Nederlander op de 500 meter en de 22ste op de 1000, nu is De Koning op beide afstanden nummer vijf. Met Beorn Nijenhuis vormt hij de voorhoede van de nieuwe lichting Nederlandse sprinters.

Bij het NK sprint in Groningen hoopt De Koning zijn opmars voort te zetten, al ondervindt hij hinder van een liesblessure. Maar ook als het niet lukt, is zijn toekomst rooskleurig. 'Ik denk dat ik nog beter kan als ik straks sterker wordt. Misschien klopt wel wat ze altijd zeggen, misschien zit het in mijn genen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.