Analyse Talentontwikkeling

‘Het Noorse model voor topsport? Menigeen is jaloers op óns’

Handbaltalenten op sportcentrum Papendal. Noorwegen is de wereldtop in deze tak van sport, Nederland zit er dicht tegenaan. Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

Noorwegen scoort met zijn topsportbeleid. Kayan Bool, verantwoordelijk voor talentontwikkeling bij NOCNSF, kijkt graag naar buitenlandse voorbeelden, dus ook naar Oslo. ‘Wij pakken uit alle modellen wat zinvol is voor ons.’

Over het succesvolle en ongewone sportbeleid van Noorwegen heeft Kayan Bool, prestatie­manager talentontwikkeling van sportkoepel NOCNSF, onlangs anderhalf uur gesproken met zijn voornaamste talentcoaches en collega-experts. Het beleid van relatief late selectie, het wegnemen van prestatiedruk bij jeugdigen tot 12 jaar, de ongedwongen mix van toppers en amateurs waarover de Volkskrant zes weken geleden berichtte: zou dat een wijze les voor de Nederlandse topsportontwikkeling kunnen inhouden?

Bool is sinds 2012 verantwoordelijk voor talentontwikkeling in Nederland. Hij gaat over de begeleiding van 650 erkende talenten in 55 sportprogramma’s. Hij leert graag van anderen: zeker van de succesvolle Noren, de grote winnaars van de Winterspelen van Pyeongchang 2018. Nieuwsgierig naar andere landen en andere modellen kijken is zelfs het eerste principe van De weg naar het podium, het boek dat Bool de voorbije jaren schreef.

‘Noorwegen hoort tot de landen waarmee wij als NOCNSF een direct contact hebben. Er is een club van zes landen ­geweest waarmee we bij elkaar gingen zitten, maar dat kwam op het gebied van talentontwikkeling niet echt van de grond. Groot-Brittannië en Noorwegen zijn daarentegen wel interessant. Die doen wij een-op-een’, aldus de NOC-man.

Positie in de medaillespiegel

Winterspelen 2018

1e Noorwegen

39 medailles:

14 goud,

14 zilver,

11 brons

5e Nederland

20 medailles:

8 goud,

6 zilver,

6 brons

Zomerspelen 2016

11e Nederland

19 medailles:

8 goud

7 zilver

4 brons

74e Noorwegen

4 medailles

0 goud

0 zilver

4 brons

Het Noorse model is een mooie term, maar het verdient volgens de Nederlandse talentkenner nuancering. ‘Elke sportbond heeft in Noorwegen ook zijn eigen aanpak.’ Qua cultuur, jeugdinstroom, outdoorsporten en natuurbeleving kan Nederland op het gebied van winterse sporten niet opbieden tegen de Noren. ‘Wees wel: zij steken vooral geld in de wintersporten. Dat kun je goed ­begrijpen, als je het land bezoekt.’

Dat Noorwegen talenten pas op latere leeftijd selecteert voor topsport, vanaf 18 jaar, mag waar zijn, maar Bool wil graag wijzen op de veranderde tijden en normen in de Nederlandse talentontwikkeling. ‘Wij praten tegenwoordig over topsport en ontwikkeling vanaf acht jaar voordat je moet kunnen strijden voor het erepodium. Dat verschilt per sport. Bij turnen moet je met 16, 17 jaar al de strijd om het podium aan. Dan begint de route richting topsport dus jong. Maar er zijn ook tal van sporten waar je pas op 14-, 15-jarige leeftijd begint aan de weg naar het podium.

‘Kinderen moeten tot zekere leeftijd dezelfde kansen en uitdagingen krijgen. We moeten niet al alles op jonge leeftijd in dienst van de topsportsport stellen. Vroeg selecteren: alleen waar de sport dat vereist. En dan uiteraard op verantwoorde wijze. Maar we bekijken het per tak van sport en waken voor generieke uitspraken over alle sporten.’

Jonge handbalsters krijgen de resultaten te zien van een test. Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

Per sport wordt tegenwoordig ook de ideale hoeveelheid trainingsarbeid vastgesteld. De ooit heilig verklaarde 10.000-uren-norm bestaat wat de Nederlanders betreft niet meer. ‘Die term komt uit LTAD, Long Term Athlete Development, een Canadees meerjarenontwikkelingsmodel dat wij in Nederland in aangepaste vorm gebruiken. De 10.000 uur kwam uit een onderzoek van hoeveel uren een violist nodig had om de stap naar een toporkest te maken. Dat getal van 10.000, tien jaar lang vijftig weken van twintig uur oefening, is een eigen leven gaan leiden. Het werd voor trainers een doel in plaats van middel. Daar ging het mis.’

Nu is de terminologie simpelweg: ‘Veel uren maken.’ Er zijn veel trainingsuren nodig om de top te behalen. Bool, die op Nationaal Sportcentrum Papendal wordt ondersteund door drie talentontwikkelaars: ‘Het aantal hangt af van de mondialiteit van een sport. Hoe groot is de concurrentie wereldwijd? Daar is het op afgestemd. Ik ken ze van vijfduizend tot vijftienduizend uur. De zwaarste trainingssporten? Turnen, kunstrijden en schoonspringen.’

Jeugdige volleyballers spelen op Papendal. Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

De input voor het ‘Nederlandse ­model’ (dat niet bestaat volgens Bool) komt van vele landen. Het is typisch Nederlands om rond te kijken. ‘Wij zijn niet van dat ene model dat het goede is. Er zijn tal van wetenschappelijke modellen (LTAD, FTEM en ASM), maar wij pakken uit die modellen wat zinvol is. En je bepaalt dat voor je eigen sport.’

Het lijkt verleidelijk te kopiëren van andere landen. Het Noorse vrouwenhandbal is van het allerhoogste mondiale niveau. Nederland tikt dat aan, met een verloren WK-finale in 2015 en een verloren wedstrijd om olympisch brons in 2016, ook al tegen Noorwegen. Zou het slim zijn in Noorwegen kennis te gaan tanken?

Bool is niet van het kopiëren. ‘Ga ­gewoon per leeftijdsfase bepalen wat een handbalster moet doen en kunnen. Maak als bond je eigen sport­specifieke opleidingsplan. Wij helpen daarbij. Wij kennen de laatste internationale ontwikkelingen, de literatuur. Wij zijn van de algemene kennis, de coaches van de specifieke.’

Trouwens, Nederland heeft, Bool meldt het met trots, zijn bijzondere, voor buitenlanders jaloersmakende instituten op talentgebied.

‘Onze academies, zoals in handbal, volleybal en waterpolo, dat zijn de pronkstukken van onze talentopleiding. Daar kijkt iedereen in de wereld naar.’  

Kayan Bool

Opleiding in zeven stappen, volgens Kayan Bool: ‘Haal niet elke hobbel weg’

1. Is het gras groener bij de buren?

‘Onze talentontwikkelaars kijken bij de bouw van ons eigen opleidingshuis voortdurend uit het raam. Het is een constante vergelijking. Want je moet weten: wat doen de anderen in de wereld en wat kunnen wij daarvan leren? Kopieer echter niet. Gebruik de opgedane ervaringen om jouw programma beter te maken. Wees voorzichtig met het trekken van conclusies uit andere programma’s. Voorkom een tunnelvisie, van wij weten het ’t best. Plan daarom elk jaar de momenten om te leren van trainers, coaches en experts uit andere landen en uit andere sporten. ­Eigenwijs zijn is prima, maar je moet steeds kunnen uitleggen waarom wij ­eigenwijs zijn in onze keuzes.’

2 Voorzet is even belangrijk als het doelpunt.

‘In de talentontwikkeling werken talentcoaches. Zij moeten talenten voorbereiden op een carrière als topsporter. Dat is een fundamenteel ander vak dan topsportcoach. Het geven van een voorzet vereist andere vaardigheden dan het maken van een doelpunt. Je moet competenties bezitten in het sociale, het communicatieve. Begrijpen hoe jongeren zich ontwikkelen. In het onderwijs heb je mensen die werken met peuters en mensen die groep 8 doen. Die logica kent de sport niet. Ik predik die allang, maar velen zien jeugdcoach als opstap naar seniorcoach. Sluis sporters door. Je bent als talentcoach een tussenstop op hun route naar succes. Wees trots op die rol.’

3 Zelf denken is belangrijk onderdeel van leren.

‘Veel trainingen zijn informatieoverdracht, veelal instructie. Wij zeggen: laat sporters zelf tot inzichten komen, zodat ze begrijpen wat ze aan het doen zijn en wat ze morgen beter moeten doen. Hiervoor moet je ze als talentcoach uitdagen en in situaties brengen waarin zij zélf tot die inzichten komen. De talentcoach is slechts tijdelijk regisseur van dit leerproces. Vergelijk het met leren lopen: ieder heeft een handje nodig om op te staan en in evenwicht te blijven. Om daarna op ­eigen benen te staan. Wijs sporters de weg, maar laat ze deze wel zelf bewandelen. En geen betere motivatie dan succes. Liever tien kleine stapjes dan hopen op succesbeleving met één grote sprong.’

4 Nederland is plat, haal die paar heuvels niet weg.

‘Het gaat in topsport om weerbaarheid. Als ouders en begeleiders alle problemen wegbezemen – denk aan de term curling­ouders – dan is dat niet effectief. Gaan we prestatiedruk weghalen of kiezen we ervoor dat kinderen met die druk omgaan? De Noren halen de druk, tot een bepaalde leeftijd, weg. Maar je hebt heuvels nodig op weg naar het podium. Je moet ­leren omgaan met winnen of verliezen. Creëer hindernissen die niet te hoog of te laag zijn. Het eerste zorgt voor ontmoediging, het tweede ontwikkelt de weerbaarheid niet. Duurdere materialen en mooiere kleding maken geen betere sporters. Anders waren atleten uit Kenia of honkballers van Curaçao nooit in de top geraakt.’ 

5 Niemand plaatst vacature zonder functieomschrijving.

‘Elke bond moet vlijmscherp hebben wat nodig is om topsporter te zijn. Wie wordt aangemerkt als talentvolle sporter? Kijk verder dan het resultaat van vandaag. Kijk naar de podiumsporters van nu en stel vast of hun kenmerken in de toekomst ook voldoende zullen zijn voor medailles. Dat kan uiteraard niemand precies zeggen. Maar gebruik de laatste drie jaar van een talent om zo zorgvuldig mogelijk uit te spreken waar hij of zij morgen kan staan. We willen dáár naartoe. Analyse moet plaats vinden op basis van feiten en cijfers. Wek geen valse verwachtingen. Onthoud je van uitspraken dat sporters de nieuwe Messi of Federer zijn. Niemand kan acht jaar vooruit kijken.’

6 Een motor heeft vol-doende brandstof nodig.

‘We doen dit alles in de functie van doorstroom naar de topsport. Wij zijn doorgeefluik. Talentvolle sporters zijn de ­belangrijkste energiebron van een opleidingsprogramma. Zonder brandstof stokt het productieproces en brengt het geen nieuwe generatie voort. Daarom moeten talentcoaches constant zoeken naar nieuwe talenten. Er zijn best wel wat coaches die zich niet verantwoordelijk voelen voor de instroom. Wij zeggen: jij bent verantwoordelijk. Organiseer een zoektocht, via sociale media, buurtsportcoaches, gymleraren. Meer is niet altijd beter. Het haalt het gemiddelde niveau omlaag. Zoek niet naar bovengemiddelde sporters, maar naar excellerende.’

7 Een groot schip kan zinken door een klein lek.

‘Een relatief klein probleem als reistijd kan een groot probleem veroorzaken: uitval. We moeten daar scherp op zijn. Het zijn vaak factoren waar je invloed op kunt uitoefenen. Regel oplossingen. Doe alles om dit soort uitval te voorkomen, maar verwar dit niet met uitstroom. Onderweg naar het podium zullen altijd sporters uitstromen, omdat ze niet goed genoeg blijken te zijn. Doe geen concessies aan je programma. Dat een sporter liever dit of dat doet. Aanpassing aan trainingsuren gaat ten koste van de kwaliteit van het programma. Kwaliteit en omvang moeten leidend blijven. Compromissen op dit vlak zijn zinloos. Dicht slechts de gaten die tot lekkage leiden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.