AnalyseHet Nederlandse schaatsen

Het Nederlandse schaatsen vertrouwt nog altijd op oudgedienden

Na de wereldbekerfinales zit het schaatsseizoen erop. Er is geen sprake van een crisis in het Nederlandse schaatsen maar de nieuwe generaties laten het afweten, terwijl het buitenland niet stil zit.

Ireen Wust wint zondag in de eindsprint van Miho Takagi en rijdt een nieuw baanrecord op de 1.500 meter met 1.53,10.Beeld Klaas Jan van der Weij

Het waren de bekende namen die afgelopen weekend bij de wereldbekerfinales in Heerenveen voor het eremetaal bij Nederland zorgden: Ireen Wüst, Kjeld Nuis, Patrick Roest en Thomas Krol. Alleen de 21-jarige Jutta Leerdam was een nieuwkomer.

Dezelfde trend was op de WK afstanden in Salt Lake City te zien: de oudgedienden heersten op de individuele nummers. Ireen Wüst (33), Jorrit Bergsma (34), Kjeld Nuis (30) brachten een gouden medaille mee naar Nederland. Opnieuw was alleen Jutta Leerdam (21) de uitzondering.

De tussengeneratie, die de gevestigde orde moet aflossen, laat het vooralsnog afweten. Van Dai Dai Ntab tot Antoinette de Jong; allemaal hebben ze de potentie en uitstraling om kampioen te worden, maar ze slagen er maar niet in de laatste stap naar de wereldtop te maken.

Van de 20 wereldtitels die er dit seizoen te verdienen waren bij de WK afstanden, WK allround en WK sprint,  gingen er dit jaar nog steeds negen naar Nederland. Maar de cijfers verbloemen de stagnatie die is opgetreden. In Salt Lake City, bij de WK afstanden, was Nederland vooral succesvol op de teamonderdelen (vier keer goud en één keer zilver). 

Het zijn disciplines zonder traditie die ook onder schaatsers zelf minder aanzien genieten dan de tien klassieke individuele nummers. Op de klassieke afstanden moet Nederland nog altijd vertrouwen op oudgedienden. Maar de vraag is of dertigers als Kramer, Wüst en Nuis dat nog volhouden tot de volgende Winterspelen in Beijing, over twee jaar.

Andere landen zitten ondertussen niet stil. Op de lange afstand moest Nederland toekijken hoe Canada de macht greep. Alle records voor stayers zijn nu in handen van Canadezen. Op de sprint zette Rusland, onder aanvoering van Pavel Koelizjnikov, een nieuwe standaard. Ook Japan ontwikkelde zich  tot een te duchten concurrent.

Al die landen leunen op de kennis en kunde van Nederlandse coaches. Die ontwikkelingshulp zorgt voor wrevel in het Nederlandse kamp. Sven Kramer liet weten er geen voorstander van te zijn dat Nederlandse trainers in groten getale naar het buitenland vertrekken. Met hun kennis maken ze concurrentie sterker, is zijn overtuiging. Sprinter Kai Verbij suggereerde zelfs dat de beste Nederlandse rijders weer samen zouden moeten gaan trainen, zoals elders gebruikelijk is. Terug naar de kernploegen dus.

De vier gouden individuele medailles bij de WK afstanden staan in schril contrast tot het olympische succes van de afgelopen Winterspelen. In Sotsji behaalde Nederland acht gouden medailles (waarvan twee op teamonderdelen) en vier jaar later, in Pyeongchang, zeven gouden medailles. Juist het model van de merkenteams werd destijds aangemerkt als de sleutel van het Nederlandse succes. De onderlinge concurrentie van verschillende trainers en werkmethoden stuwden de schaatsers tot grote hoogten. Het zorgde er ook voor dat de breedte van het Nederlandse schaatsen ten volle werd benut. Voor elke talentvolle schaatser was een plekje. 

Tegelijk heeft Kai Verbij ook een punt. Niet voor niets pleitte Kjeld Nuis voor meer snellere schaatsers om zich heen om het gat met de Russen te kunnen overbruggen. Verschillende ploegen in plaats van één nationale selectie zorgt voor de versplintering van kennis en innovatie. De Nederlandse coaches in het buitenland roemen het werken met korte lijnen. 

Is het crisis? Nee, dat zou te ver gaan. Nederland is nog altijd goed, maar wel minder goed dan voorheen. Een antwoord vinden op de toegenomen concurrentie vanuit het buitenland en het generatiegat dichten, dat is de opdracht waar de schaatssport in Nederland de komende tijd voor staat. Dat zal niet eenvoudig zijn gezien de rivaliteit tussen trainers en de concurrerende commerciële belangen. Niemand wil elkaar wijzer maken, er heerst een sterke ploegencultuur.

Over minder dan twee jaar beginnen in Beijing de Olympische Spelen. De voortekenen wijzen er op dat die niet zo oranje gekleurd zullen zijn de eerdere edities in Sotsji en Pyeongchang. Dat is spijtig voor de schaatsers en hun supporters, maar vanuit breder perspectief bezien is helemaal niet erg. De Nederlandse overheersing van het schaatsen was schadelijk voor het imago van de sport. En het werkte  ontmoedigend voor buitenlandse rijders met ambitie.

Die tijd lijkt voorbij. De Nederlandse coaches hebben het zelfvertrouwen van hun buitenlandse schaatsers flink opgekrikt. Ze weten dat ze niet hoeven onder te doen voor Kramer en co. Uiteindelijk zal ook het Nederlandse schaatsen baat hebben bij meer internationale concurrentie. De waarde van een olympische medaille neemt toe. Hoe exclusiever het succes, hoe mooier. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden