Analyse Noorse vrouwenhandbal

Het geheim achter de dominantie van het Noorse vrouwenhandbal

Vrijdag spelen de Nederlandse handbalvrouwen op het WK tegen angstgegner Noorwegen. Hoe komt het toch dat dat land al sinds 1986 aan de top staat? ‘We kwamen echt uit het niets.’

De Noren vieren hun overwinning op het Nederlandse elftal tijdens het EK handbal in 2016. Beeld AFP

Het was een decemberdag in 2016, toen het mondiaal trendsettende Noorse vrouwenhandbal, de olympisch kampioen van 2008 en ’12, opeens de evenknie vond. Het was de finale om het Europees kampioenschap in  Göteborg. De tegenstander was Nederland, de speersnelle vrouwen van de Deense coach Helle Thomsen.

Thor Hergeirsson, de IJslander die sinds 2001 de bondscoach van de Noorse vrouwenploeg is, begint er zijn betoog mee. ‘Daar in die finale in Zweden beleefden we een wedstrijd tegen een team, jullie nationale team, dat nog sneller was dan het onze. Wij wonnen, met één doelpunt verschil, het was erg close, maar dat hele toernooi was eigenlijk een wake-up call.

‘Het was de eerste keer sinds ik Noorwegen coachte dat wij een snellere tegenstander troffen. Wij besloten: dit is geen goede ontwikkeling. Wij willen weer de snelste zijn. En we zijn de contra-attack en de tweede golf nog meer gaan ontwikkelen’, zo sluit Hergeirsson zijn technische inleiding af.

Noorwegen was geen groot handballand, meer een soort Nederland met goedwillende amateurs, ouders die clubjes trainden en beperkte middelen, toen het land in 1986 plotseling het erepodium van het WK betrad. Die huldiging vond plaats in Rotterdam. Nederland ontving dat jaar de beste handballanden van de wereld en werd zelf tiende.

Daar werd niemand in Nederland warm van. Het was immers maar handbal. Noorwegen, buiten de wintersport niet aan grote successen gewend, stond echter op de banken. Technisch directeur Erik Langerud van de Noorse ‘Forbund’ vertelt in het bondskantoor te Oslo nog altijd van die grote dag uit 1986.

Stine Bredal Oftedal en coach Thorir Hergeirsson tijdens de wedstrijd tegen Slovenië op het WK. Beeld BSR Agency

De directeur, uitkijkend over een besneeuwde stad: ‘Voor Noorwegen is het met het brons van Rotterdam begonnen. Tot dan was handbal niet meer dan een schoolsport. We kwamen echt uit het niets en werden derde van de wereld. Het was het begin. We hebben de speelsters in 2016 nog eens bij elkaar gehaald, voor vier fantastische dagen bij de Mobelringen Cup. Zij stonden aan het begin van het Noorse handbalsysteem zoals wij dat nu kennen.’

Noorwegen zocht het eerst in grote vrouwen. ‘Dat was toen het idee. Maar in 1992 in de verloren olympische finale werden we duizelig gelopen door de Koreaanse vrouwen. Die waren klein en beweeglijk. Dat was een eyeopener. Wij hebben het project lange vrouwen afgelast. We ontdekten dat het ook met kleine speelsters kon, zoals nu Stine Oftedal of Nora Mork. Alleen in de verdediging heb je een paar mensen met lengte nodig, voor de blokkering.’

Noorwegen werkt nog altijd met Koreaanse kennis. Tactiek, beweeglijkheid, lichte voeten. ‘Maar rennen is niet alles, zeggen wij altijd. Het gaat er niet om dat de speelsters snel zijn, maar dat de bal snel gaat. Wie gaat lopen met de bal vertraagt het spel’, is de opvatting die Langerud zijn coaches voorhoudt.

‘En we moeten een tweede speltype beheersen’, is de analyse van bondscoach Hergeirsson. ‘We moeten soms leren meer het spel te dicteren. Als het nodig is, dan even langzaam aan. We hebben soms problemen met teams die er goed in zijn de snelheid uit een wedstrijd te halen. Frankrijk (Europees- en wereldkampioen, red.) is zo’n ploeg. Die wandelen als het erop aankomt. Het is niet fraai, maar wel effectief.’

De Noren geloven in grote aantallen begeleiders, wetenschappelijk en technologisch geschoold. De voorsprong die de nationale teams op de rest van de wereld hebben willen zij handhaven. Bij een groot toernooi reizen soms tien analisten mee, tot grote jaloezie van andere landen. Langerud: ‘Ze zijn er niet het hele toernooi hoor. En ons budget heeft een maximum, maar een coach als Hergeirsson weet daar slim mee om te springen.’

De IJslander, woonachtig in Stavanger, werpt een ander deel van de Noorse filosofie op. Dat is continuïteit op het trainersvlak. ‘Ik ben de derde trainer van het Noorse vrouwenteam, sinds 1982. Na Sven-Tore Jacobsen en Marit Breivik ben ik gekomen. Jacobsen heeft Breivik ook nog als assistent gediend.’

Er is kalmte aan de top. Directeur Langerud: ‘Onze mannencoach, Christian Berger, is hier in 2014 gekomen en we hebben net met hem verlengd tot en met 2025. Ja, we willen onze teams altijd in de halve finales van de grote toernooien zien, maar sport betekent ook dat je niet altijd kunt winnen. Bij een vijfde plaats moet je verstandig zijn, geen mensen buiten gooien. Zolang de coach klikt met zijn ploeg, met zijn staf, met de bond, blijft hij of zij bij ons aan.’

Doelvrouw Katrine Lunde. Beeld Getty Images

Noorwegen loopt, al wordt anders vermoed, niet over van de professionele handballers. Wie haar (of zijn) geld wil verdienen met de sport speelt in het buitenland. In de eigen vrouwencompetitie zijn er in totaal drie pure profs. De rest combineert studie en werk met handbal, zelfs bij een gewaardeerd Champions League-deelnemer als Vipers Kristiansand, dat werkt met een budget van bijna 2 miljoen euro).

De befaamdste handbaltweeling van het land, de tweevoudig olympische kampioenen Kristine en Katrine Lunde, is daar in deeltijd nog actief. De doelvrouw (Katrine) herstelt van een kruisbandkwetsuur, en is nog niet van plan te stoppen. Haar zus Kristine was de spelverdeler van de nationale ploeg en heeft haar rol van assistent-coach voor even aan haar zus gelaten.

Katrine: ‘Handbal is mijn grote liefde. Ik wil blijven keepen, zo lang het gaat. Maar teruggekeerd uit Rusland en Hongarije combineer ik het hier met mijn gezin, twee dagen lesgeven en een studie aan de universiteit.’

Kristine: ‘Ik heb drie kinderen, 8, 5 en 2 jaar oud. Ik sta drie dagen per week voor de klas. De kinderen komen dan vragen of het echt waar is dat ik de Olympische Spelen heb gewonnen. Donderdag en vrijdag kan ik aan handbal besteden. Een buitenlandse job neem ik niet aan. Dit is mijn stad. Ik ben hier op de hoek geboren. Toen stond deze hal er nog niet. Nu hebben we af en toe uitverkochte stadions.’

Het is de sterkte en zwakte van het Noorse handbal dat de sport afhankelijk is van goedwillende vrijwilligers. Hergeirsson: ‘Mijn dochter van 8 heeft het geluk dat ik haar team train en coach. Maar er zijn veel ouders die weinig van handbal weten en zo’n jeugdploegje begeleiden. Hun enthousiasme is goud waard, voor geld en vervoer zijn ze onontbeerlijk, maar technisch is onze jeugdopleiding daarmee een gatenkaas. Je moet het treffen.’

De reddingsboei ligt in de algemene Noorse sportopleiding. Hergeirsson: ‘Het is het Toppidretts Gymnasium. Kinderen kunnen na hun vijftiende naar zo’n gespecialiseerde topsportschool, voor het vak crosscountry ski maar ook voor handbal of voetbal. Dan kunnen ze sterk aan hun techniek werken. Wij werken als bondscoaches steeds sterker samen met deze scholen, een beetje onze eigen handbalacademies.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden