Het gas moet er bij springers meteen vol op

Rob Ehrens is een man van alles of niets. De bondscoach der springruiters, die vandaag aan het werk moeten bij de Wereldruiterspelen, wil dat zijn ploeg meteen gas geeft....

Rob Ehrens, bondscoach van de springruiters, houdt niet zo van dat benauwde. In de jaren dat hij zelf nog over oxers sprong, luidde zijn motto steevast: wie niet waagt die niet wint, ofwel de dood of de gladiolen.

Zijn stoutmoedigheid bleef zelden onbeloond. Ehrens was nog maar net zijn pony ontgroeid of hij maakte furore bij de grote meneren. Hij won met jeugdig bravoure twee nationale titels, veertig Grote Prijzen en een onafzienbare reeks bijrubrieken.

Nu eens met Koh-I-Noor, zijn eerste prijsdier, daarna met Oscar Drum, Sunrise en Surprise. Verstand min of meer op nul en springen maar. Succes verzekerd.

Zondag vertrok Ehrens met zijn manschappen naar Aken, maandag werd ter ondersteuning van het moreel gezamenlijk gedineerd en vandaag zal dan eindelijk de strijd om de wereldtitels ontbranden met een hindernisrace tegen de klok.

Op enig moment tussen soep en toetje zal Ehrens zijn manschappen hebben ingepeperd hoe er vandaag gereden en gesprongen moet worden. ‘Ik stel voor dat we dezelfde tactiek toepassen als vorig jaar bij het EK in Italië. Toen leken we op papier kansloos, maar pakten we toch maar mooi een bronzen plak. Hoe? Door in de eerste wedstrijd, het jachtspringen, meteen te vlammen.

Alles moet uit de kast en het gas moet er meteen vol op. Agressief rijden en dan maar zien wat het oplevert. Ehrens: ‘Doen de mannen dat niet, of niet fel genoeg, dan heb ik een probleem. Dan is duidelijk dat ik het verkeerde team heb weggestuurd.’

Makkelijker gezegd dan gedaan, gas geven en dan maar zien waar het toe leidt. Ehrens weet uit eigen ervaring hoe moeilijk het winnen is in Aken. Hij speelde er, zelfs in zijn beste jaren, nooit een rol van betekenis, overweldigd als hij elke keer weer was door dat enorme stadion en door het feit dat hij zich op de vingers gekeken wist door de vijftigduizend kenners die standaard de tribunes in Aken bevolken. Dat rijdt niet echt lekker.

Toch is Ehrens niet bang dat zijn pupillen de bibberatie krijgen zodra de slagboom omhoog gaat en zij het immense parcours, waarin met gemak twee voetbalvelden kunnen worden uitgezet, en dat onmetelijke woud aan hindernissen onder ogen krijgen. ‘Ach’, zegt hij, ‘mijn mannen zijn wel wat gewend. In Aken is het druk en hectisch, maar dat is het ook in andere pleisterplaatsen die we in het buitenseizoen aandoen.

‘In Hickstead reden we voor dertigduizend mensen, twee weken geleden in Dublin waren dat er zelfs tienduizend meer. Daar schrikken ze allang niet meer van.’

Ehrens is onverschrokken genoeg om de lat hoog te leggen, ook al geven de resultaten van zijn manschappen daar weinig aanleiding toe. Vorig jaar ontsnapte zijn ploeg ternauwernood aan degradatie uit de Super League en ook dit seizoen zijn de prestaties in deze competitie voor de beste acht springlanden ter wereld niet om over naar huis te schrijven.

Daarom wil Ehrens toch ook weer niet niet al te hoog van de toren blazen. Hij zegt dat aan de hegemonie van de Duitsers niet te tornen valt, maar voegt daar in één adem aan toe dat alle andere landen gelijke kansen hebben.

‘Ik vlak mijn ploeg helemaal niet uit. Ik zou te bescheiden zijn als ik zeg dat ik een plaats wil bij de beste acht. Ik wil meer. Dat kan, we zijn er sterk genoeg voor. We moeten een medaille kunnen pakken, zoveel lef heb ik wel.’

Lef is hem ook anderszins niet vreemd. Ehrens doolde decennia lang als een nomade door de paardenwereld. Was nu eens een kleine zelfstandige, dan weer een loonslaaf in dienst van een welgestelde paardenman.

Nu, in zijn 50ste levensjaar, is de Limburger neergestreken in Velp, waar hij met zijn zakenvriend Theo Jansen doende is een paardenparadijsje op te zetten. In de Hoge Oorsprong wordt gefokt, getraind, gekocht en verkocht.

Ehrens heeft er een dagtaak aan, en dan wordt hij ook nog geacht zich 130 dagen in het jaar als bondscoach in te zetten voor het sportieve belang van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie.

Hij krijgt er niet eens een financiële beloning voor. Een onkostenvergoeding, meer kan er bij de federatie niet vanaf.

Niet dat Ehrens daar een potje over wil zeuren. Hij vindt het allemaal wel best zo. Jammer is alleen dat hij zo weinig thuis kan zijn en het sociale leven vrijwel geheel aan hem voorbijgaat. ‘Ik heb twaalf jaar in Weert gewoond, maar ik wist amper hoe mijn buren heten.’

Eén avond per maand zou hij toch ten minste thuis kunnen zijn. ‘Dom naar het kastje kijken met de benen op de bank’ of oefenen op de pooltafel in de kelder van zijn Velpse villa. Mooi dat Ehrens daar toch geen zin heeft. Die vrije avond kan hij wel aan nuttiger zaken besteden. Aan teambuilding bijvoorbeeld.

Eens per maand trommelt de bondscoach zijn pupillen van de A- en B-selectie op om op neutrale bodem met elkaar van gedachten te wisselen. Mogen de ruiters hun hart luchten, hun kritiek spuien.

Nee, dat mogen ze niet. Dat moeten ze. ‘Bij onze eerste samenkomst heb ik de heren het dringende verzoek gedaan zich tijdens die praatsessies te laten gelden. Alleen dan kun je zaken verbeteren. Achteraf miauwen lost niets op.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden