Het begin van de dood

In het afgelopen rampjaar voor bergbeklimmers vond Wilco van Rooijen zichzelf ineens terug hoog op de flank van de K2, in de Pakistaanse Himalaya....

Wilco van Rooijen had dood moeten zijn. Dat weet hij zelf ook wel. Hij had moeten inslapen die nacht, en moeten bevriezen – en misschien was zijn lichaam naar beneden gerold, de gletsjer op, een gletsjerspleet in. Misschien had niemand zijn lichaam ooit nog gevonden. Dat was, zegt hij, geen vreselijke manier geweest om te sterven. Een klimmer die achterblijft op de K2 sterft waar hij gelukkig is.

Wilco van Rooijen ging niet dood. Dat is het wonder. Hij haalde het ochtendlicht en klom naar beneden – zo simpel is het. Nog simpeler: top gehaald, dood afgetroefd.

In het ziekenhuis, kamer 29: ‘Ik heb die hele nacht vlak bij een dode klimmer gezeten. Die was gevallen. Hij had een gele jas aan. Ik weet niet wie het was. Ik heb niet gekeken, ik heb niet onderzocht. Je zit daar gewoon naast een dode klimmer en het is een rare wereld. Je bent zo de kluts kwijt.

‘Ik had veertig uur niks gedronken en niks gegeten. Van half acht in de avond tot vijf uur de volgende ochtend moest ik daar zitten, alleen, op die sneeuwhelling. Het was mijn derde nacht op bijna 8.000 meter hoogte. Ik wist niet waar ik was. Ik durfde niet op mijn horloge te kijken, of op mijn hoogtemeter, ik wilde het allemaal niet weten. Mijn voeten bevroren. Ik weet nog wel dat ik af en toe heb staan dansen. Die nacht is zo’n fucking hell geweest.’

Dacht je aan doodgaan?

‘Geen moment. Echt niet. Anders had ik wel de satelliettelefoon gepakt en geprobeerd afscheid te nemen. Ik was ook niet met de consequenties bezig, met mijn vrouw of met mijn kind. Ik was gewoon van: fuck, ik moet door, ik moet door, ik moet volhouden. Ik moet water hebben.

‘Ik had zo’n ongelooflijke dorst. Ik viel geregeld weg. Dan dacht ik weer dat ik klimmers zag, of mensen – waanbeelden. Ik kreeg het idee dat ze me niet wílden helpen. Dan word je kwaad. Van: godverdomme, iedereen is alleen maar met zichzelf bezig.’

Wilco van Rooijen zit in een rolstoel en zijn benen steken naar voren. Voeten in het verband. Links is hij zijn voorvoet kwijt. Rechts heeft hij anderhalve teen over. Hij rolstoelt door de ziekenhuisgang en duwt zelf deuren open. Niemand die voor hem een deur hoeft open te houden.

Twee keer eerder was hij op de K2 – berg met een moorddadige reputatie, 8.611 meter hoog in Pakistan. De eerste keer, in 1995, raakte hij zwaargewond. De tweede keer, in 2006, werd zijn klimmaat Gerard McDonnell zwaargewond afgevoerd.

De derde keer, deze zomer, stond hij op de top. Met Gerard, met boezemvriend Cas van de Gevel en met Pemba Gyalje Sherpa. Vier man uit één team, tegelijk in de zon op de top van de K2 – dat gebeurt niet vaak.

1 augustus 2008: ‘Je gelooft het gewoon niet. Ik sta te bellen zonder handschoenen, je ziet die zon ondergaan, het mooiste licht van de wereld, de kromming van de aarde... alles klopt. De nacht ervoor dacht ik nog: het is afnokken, het is gedaan, en verdomd, we krijgen mooi weer en klimmen er bovenop.’

Niet veel later breekt een brok ijs van de berg (vier doden). Het slaat de touwen weg, die een veilige terugtocht bieden. Gerard McDonnell sterft. Elf mensen sterven die dag op de K2 – een van de grootste bergsportdrama’s aller tijden.

‘Het is bizar. Ik wist nergens van. Ik heb geen lawines gehoord, geen ijs. Ik dacht echt dat ik als enige in de problemen zat. Toen ik het hoorde – mijn bek viel open.’

Twee nachten houdt de berg Van Rooijen gevangen. De eerste nacht brengt hij door met Gerard McDonnell en de Italiaanse klimmer Marco Confortola. De tweede nacht is hij alleen op een sneeuwhelling – onbeschut, verdorstend en verhongerend, half blind, verdwaald.

‘Ik dacht: ik ga hier zitten en ik ga de hele nacht nadenken over de beste manier om beneden te komen. Als ik maar niet in slaap val, dacht ik, want slapen is het begin van de dood. Het doet geen pijn hè. Je valt gewoon lekker in slaap. Het is net alsof je heel erg dronken bent. Het maakt allemaal niks meer uit. Dan moet je een stemmetje in je kop blijven houden: doorgaan, doorgaan, doorgaan.

‘Ik zat maar naar die horizon te kijken totdat ik het ochtendgloren zag. Ik heb het vertrouwen gehad. Ik heb de hele tijd gedacht dat het nog maar een klein stukje naar een beekje was. Een beekje? Er is geen water op die berg!’

Praatte je tegen jezelf?

‘Ja, dat wel. Tegen mezelf.’

Wat zei je dan?

‘Je vloekt en je zegt: hoe kan dat nou. En soms echt schreeuwen, hè. Klootzakken! Waar zijn jullie! Ik heb me de klere geschreeuwd.’

Kwaad.

‘Nee, nee. Teleurgesteld. Heel erg teleurgesteld. Er zijn zoveel vragen. En je begrijpt het gewoon niet.’

Wat voor vragen?

‘Hoe is het in godsnaam mogelijk dat ik niemand meer om me heen heb? Waar zijn ze allemaal gebleven? Cas en ik houden altijd een oogje op elkaar, maar op een gegeven moment, op die hoogte... het is alsof je een tunnelvisie hebt.

‘Plotseling ben ik zomaar gaan zitten, effe lekker zitten, en dan is het logisch dat je iedereen verliest. Dan denk je: hoe kom ik hier goddomme terecht.’

Je bent zelf omhoog geklommen.

‘Ja. Maar wat achter je ligt, daar ben je niet mee bezig. En je snapt het gewoon niet. Op die hoogte leg je de verbanden niet meer. Dat maakt je angstig.’

Dan komt de zon op en klimt Van Rooijen naar beneden. Hij heeft geen idee waar hij is. Om acht uur gaat zijn satelliettelefoon. Dat is raar. De accu van zijn satelliettelefoon was leeg. Wilco van Rooijen, hoog op de K2 in een noodsituatie, neemt op en krijgt zijn vrouw aan de lijn, die thuis in Utrecht op de bank zit naast zoon Teun van zeven maanden.

Hoe nam je die telefoon aan?

‘Gewoon met: hallo. Toen hoorde ik Heleen en het was heel raar. Ik wist wel dat ik het zou halen. Dat heb ik haar gezegd. Ik ga het halen hoor. Ze zei: je moet doorgaan, je moet doorgaan, we zitten hier maar op de bank.

‘Sociaal gezien – moet je je voorstellen wat mijn vrouw heeft doorgemaakt. Ik was aan het overleven en zij heeft drie nachten met Teuntje thuisgezeten. Dat ventje is normaal hartstikke rustig. Je denkt dat-ie niks doorheeft, maar die heeft dus drie nachten en dagen lopen krijsen thuis. Dan sterf je echt duizend doden hoor, als je dat hoort. Als jij de gozer bent die op die berg zit.’

Iedere klimmer kent het verhaal van Rob Hall, die alleen, bevriezend, verdorstend en verhongerend hoog op de Mount Everest zit en zijn vrouw belt om afscheid te nemen.

‘Maar Rob Hall belde op het moment dat hij wist: het is klaar. Ik ben er altijd in blijven geloven en ik heb altijd gedacht: er is een oplossing – ook al was die oplossing er niet. Dan dacht ik nog: ik doe mijn ogen dicht, en er komt een oplossing. Dus dat zei ik tegen Heleen.’

Heleen huurde in 1995 een kamer bij Van Rooijen, die enkele maanden weg zou zijn voor de eerste expeditie naar de K2. Een paar weken later was hij alweer terug: gewond en platzak. Ze kregen een affaire.

‘Zij zorgde voor mij. Ik kon toen niks. Ze zag me in mijn slechtste doen: fysiek en mentaal tegen de grond. Schulden.

‘Heel bizar, maar juist door dat ongeluk zijn we op elkaar komen te zitten. Ze wist dus ook heel goed waar ze aan begon. Ze zei: ik begin niet aan kinderen zolang jij die Everest niet hebt beklommen.’

Vanaf de top van de Everest vroeg hij haar ten huwelijk, in 2004. Ze zei ja. ‘Ze heeft het rotsvaste vertrouwen dat ik er alles aan zal doen op de berg de juiste beslissingen te nemen. Ze zegt: als jij niet terugkomt, hoe moeilijk het ook is – ik kan ermee leven. Ze weet: als ik het zou verbieden, zou Wilco niet lekker in zijn vel zitten. Wilco kan geen kabbelend leven leiden.’

Heb je op de K2 veel aan Teun gedacht?

‘Niet tijdens het klimmen. Dat laat je niet toe. Daarvan word je emotioneel en dan eh* Vlak voor de topbeklimming in kamp drie zat ik er even doorheen en heb ik opgebeld naar huis en dan zit je te janken en dan wil je maar één ding: kappen met die onzin.

‘Maar vervolgens bijt je op je kiezen, want je weet: het is goddomme nog twee dagen. Naar kamp vier en dan die top en wegwezen. Je weet dat als je toegeeft en je gaat naar huis, dat je daar zult denken: goddomme, waarom heb ik nou niet doorgezet. Fuck, fuck, fuck.

‘Ze zeggen weleens: een kind krijgen, is het mooiste dat er is. Nou, dat geldt voor mij ook. Alleen kan ik niet wachten tot hij zestien is. Zestien jaar lang mijn passie aan de kant schuiven, dat kan ik niet.’

Mag hij gaan klimmen, later?

‘Ik zal hem zo snel mogelijk meenemen naar de bergen. Zo is het bij mij ook begonnen. Door met mijn vader een onschuldig topje te beklimmen. Maar ik hoop wel dat hij geen extreemklimmer wordt. Dat hij niet dezelfde*

‘Ik zou teleurgesteld zijn als het niet een jongen wordt die zijn dromen najaagt. Er is zo weinig passie in dit computertijdperk – al die jeugd zit maar online en wordt te dik.

‘Ik studeerde aan de TU in Eindhoven en dacht: wat moet ik hier. Die jongens zaten elk weekend computerprogramma’s uit te werken, ik zat elk weekend buiten. En ik schaamde me dan bijna. Ik kon er niet achter komen wat ik wilde met mijn leven.

‘Tot ik Cas ontmoette. Die komt uit Rotterdam. Die zei: je mot helemaal niks in het leven; het enige dat je mot, is doodgaan op het eind. Zo bot. Op die manier zijn we gaan klimmen samen. Wij zijn opgevoed alsof we allemaal in een kistje de grond in moeten. Maar dat hoeft toch helemaal niet?’

Had je je voorbereid op de dood?

‘Ja natuurlijk. Zeker. Ik heb een stuk geschreven: als het verkeerd afloopt, wil ik dit en dit en dat. Daar heb ik liedjes bijgezocht, voor mijn zoon en voor mijn vrouw. Nummers waaraan ik kracht ontleen en waarvan ik hoop dat de mensen er kippevel van krijgen.’

Vooraf zei je in De Telegraaf: er zijn slechtere plekken om te sterven.

‘In diezelfde krant stond dat tweederde van de Nederlanders niet in staat is richting te geven aan zijn dromen. Moet je nagaan! Tweederde van de Nederlanders zit in een sleur en kan niks verzinnen waarvan ze energie krijgen. Nou, wij klimmers zitten dus anders in elkaar. Wij zeggen: jongens, de komende anderhalf jaar is alles bullshit. Er is maar één ding, en dat is de expeditie!’

Jij was nummer 297 op de K2. Zoveel risico’s voor een top die al zo vaak is beklommen.

‘Het is een intrinsieke motivatie. Het is geen ijdelheid, en het is nooit eindig.’

Was het wraak? Wraak op de berg die je al twee keer had afgeschud?

‘Ik zeg heel stoer van niet, maar ik begrijp wat je bedoelt. Ik wilde terug om het af te maken. Maar wraak is zo’n fout woord.

‘Afgaand op de statistiek ben je gek om het te doen. Eén op de vier gaat dood op de K2. Ik heb niks met statistiek. Ik durf me daarvan te distantiëren. Omdat ik weet dat de meeste ongelukken op die berg te voorkomen zijn. Omdat ik ervaren ben. Omdat ik bijna alle risico’s kan uitsluiten. Dat is essentieel.’

Op die berg kun je niks uitsluiten.

‘Vind ik wel. Je moet niet met de eerste de beste op pad. Je moet gewoon donders goed weten: ik ga niet vallen. Er zijn klimmers gevallen op plekken waar dat niet hoeft. Als je die fouten maakt, sorry hoor, dat is hetzelfde als met 140 kilometer per uur gaan rijden in de mist met je auto.

‘Wat dan op die berg aan risico overblijft, is gecalculeerd risico. Dat kun je nemen. De kans dat het misgaat, is even groot als de kans dat ik de lotto win.’

Wilco van Rooijen heeft plannen met een nieuwe berg. Hij wil er nog niks over zeggen – ‘eerst maar even aan Heleen en Teuntje denken.’ Hij kijkt naar zijn voeten.

Kun je zonder tenen nog klimmen?

‘Ja. Ja. Dat zijn van die schoenen joh. Die voeten zitten daar helemaal in opgesloten.’

En je tenen kunnen nooit meer afvriezen.

‘Dat is zeker een voordeel. En het scheelt in onderhoud.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden