Held zijn met de helden

Beschouwing

Maandag wordt bekend wie de Nico Scheepmaker Beker wint, de prijs voor het beste sportboek van het jaar. Fokke Obbema ging op zoek naar het antwoord op de vraag sinds wanneer sporters zulke enorme helden worden gevonden en waarom.

Foto Claudie de Cleen

Voetballers waren vroeger voor mij bovennatuurlijke super­heroes, afkomstig van een andere planeet. Die kwamen alleen in het weekend naar de aarde om voor ons de meest wonderlijke dingen te doen.’ Journalist Michel van Egmond, schrijver van de bestverkochte sportbiografieën van Nederland, kan de grenzeloze bewondering voor voetballers uit zijn jeugdjaren moeiteloos terughalen.

Later, als volwassene, verdiepte hij zich juist in de schaduwzijden van hun levens; de drugs- en drankverslaving van voetballer Wim Kieft, die toch niet de ideale schoonzoon bleek, en de sombere buien van tv-lachebek René van der Gijp. Die fascinatie voor menselijke zwaktes vormde de basis voor zijn uitzonderlijke successen, in totaal zo’n 800 duizend verkochte boeken.

Het roept de vraag op naar het beeld dat we van sporthelden koesteren: moeten zij bovennatuurlijke superhelden of mensen met voor ons herkenbare zwakheden zijn? En sinds wanneer vinden we sporthelden eigenlijk zo belangrijk – zie vorige maand nog de collectieve fixatie op schaatsers tijdens de Olympische Spelen? Zie ook de verkoop van sportboeken, een genre dat komende maandag zijn jaarlijkse climax beleeft met de uitreiking van de Nico Scheepmaker Beker. Het verlangen naar superhelden zit diep; de obsessie met een gouden medaille voor Sven op de 10 kilometer leek haast groter bij het publiek dan bij de schaatser zelf. Maar hoe diep gaat die betrokkenheid?

Sportschrijver Van Egmond haalt indrukwekkend Schots onderzoek aan onder zwaar demente bejaarden, zo ver heen dat zij geen teken van herkenning gaven als hun eigen kinderen de kamer binnenkwamen. Maar bij plaatjes van voetbalsterren uit hun jeugd veerden ze op. De helden van weleer stonden onuitwisbaar op de oudste harde schijf gegraveerd. Voor niet-dementen geldt dat evenzeer. ‘Ik zal nooit vergeten dat Ernie Brands met rugnummer 22 speelde tijdens het WK van 1978’, zegt Van Egmond, destijds een jochie.

Identificatie met sporthelden of een sportteam draagt bij aan iemands sociale identiteit, leert internationaal psychologisch onderzoek. Die helpt het zelfgevoel te versterken – denk aan de eigen opgewektheid bij een gouden medaille voor een schaatsende landgenoot of, vroeger, een succes van Oranje. De behoefte tot een groep te behoren begint bij de kleinste clan, de eigen familie, en breidt zich daarna, via stad en streek, uit naar het eigen land. ‘We zoeken toch naar voorbeelden. Diep in ons is er een behoefte om te vereren en ons trots te voelen’, meent historisch letterkundige Herman Pleij, die een boek over het thema nationale identiteit schreef.

Martine Prange, ex-profvoetballer en tegenwoordig hoogleraar ­filosofie in Tilburg, ziet een diepe behoefte om de roem van sporthelden zo dicht mogelijk te naderen. ‘Al bij de oude Grieken bood roem de kans op onsterfelijkheid. Door je met een sporter te identificeren, kun je in die roem delen. Dat biedt ons de kans te ontsnappen aan onze beperktheid en sterfelijkheid.’

Maar waarom juist sporthelden? Acteurs, tv-presentatoren, schrijvers en wetenschappers zouden net zo goed collectief kunnen worden bewonderd. Soms is dat ook zo, maar hun prestaties staan verder van ons af, meent Van Egmond: ‘Sportkijkers hebben de sport vaak ook zelf beoefend. Dat geeft ze een referentie voor de moeilijkheidsgraad van wat ze zien en dat maakt het gemakkelijker te bewonderen.’ Daarnaast speelt de illusie dat ‘je het ook zelf zou kunnen zijn’ een rol, meent Pleij. Met name biedt dat houvast aan mensen die niet tot de sociale bovenlaag behoren: ‘Sport voedt het geloof dat een dubbeltje een kwartje kan worden.’

De Rotterdammer Van Egmond ziet op de tribunes van Feyenoord hoe de club houvast biedt: ‘Er zitten daar veel mensen die, laat ik het voorzichtig zeggen, niet tot de winnaars van de maatschappij behoren. Die hebben een hele grote behoefte tot identificatie met hun team. Het gaat hen er niet om uit de werkelijkheid te ontsnappen, zoals bijvoorbeeld bij het kijken naar soaps, maar om trots te zijn op hun club. Het is het gevoel: ‘Wij zijn Feyenoord’, de fans eigenen zich echt de club toe. Tijdens het schaatsen op de Spelen zie je dat ook wel – iedereen voelde zich plots een beetje Fries worden. Terwijl het natuurlijk toch gewoon Sven Kramer was die bezig was voor zichzelf te presteren.’

Die discrepantie tussen het romantische beeld van het publiek en de werkelijkheid van de sporter zag je volgens Van Egmond goed in 1988. ‘Bij het EK van 1988 ontstond er een enorme collectieve gekte. Op datzelfde moment hoopte Kieft met andere reservespelers dat het elftal zou verliezen. Want dan zouden ze naar huis kunnen. De werkelijkheid paste totaal niet bij het mythische beeld dat er later over dat EK is gemaakt. Ik heb gemerkt dat je je er niet populair mee maakt, wanneer je het romantische beeld verstoort.’

De dominantie van helden uit de sportwereld boven die uit andere beroepsgroepen valt ook aan de hand van de Nederlandse cultuur te duiden. ‘In beginsel houden we niet van helden, we zijn een antihiërarchische samenleving’, zegt Pleij. ‘Je ziet dat bijvoorbeeld terug in een gebrek aan standbeelden van staatsmannen of schrijvers, vergeleken met andere landen. In het noorden van ons land zie je standbeelden van koeien en paarden en in de Jordaan zie je vooral die van gewone mensen. Sporters zijn eigenlijk de enige helden die echt worden aanbeden.’

Pleij ziet er ‘de triomf van de gewoonheid’ in die aansluit bij de Nederlandse hang naar eenvoud en de afkeer van arrogantie: ‘Sporters worden ook altijd met de voornaam aangesproken – het is Sven of Tom. En het past hen een gewoon beroep te hebben – Piet Kleine, de postbode; Evert van Benthem, melkveehouder; of de mooiste: Henk Angenent, spruitjes­teler! Dat verzint zelfs een reclamebureau niet.’

Voor een kritische houding tegenover sporthelden moeten we terug naar de jaren dertig, toen in intellectuele kringen geregeld voor het gevaar van ‘sportverdwazing’ werd gewaarschuwd. ‘Dat bedreigde niet alleen de sporter zelf, die weleens naast zijn schoenen zou kunnen gaan lopen, maar ook de maatschappij als geheel, zo luidde de kritiek’, vertelt Aad Haverkamp, die zich bij de onderzoeksgroep sportgeschiedenis van de Radboud Universiteit toelegt op sportbiografieën. ‘Intellectuelen zagen het met lede ogen aan wanneer het volk aan sport de voorkeur gaf boven de verheffing via kunst en cultuur.’

Dat zwemster Rie Mastenbroek in 1936 nationale hartstocht opwekte met drie olympische titels, verleidde literator Menno ter Braak ertoe zurig, maar niet on­geestig op te merken dat haar ‘nationale werk tegenwoordig boven het uitheemse van Einstein’ werd gewaardeerd, omdat zij ‘uit naam van Nederland als eerste aantikte, hetgeen men van Einstein niet kan zeggen.’ Nederland boven de wereld, het lichaam boven de geest – Ter Braak moest er niets van hebben. In deze tijd zou hij zich eenzaam hebben gevoeld.

Om dit soort kritiek uit intellectuele en ook wel religieuze kringen te pareren, benadrukten schrijvers van sportbiografieën tijdens het interbellum en vlak na de Tweede Wereldoorlog de ‘eenvoud, eerlijkheid en nuchterheid’ van sporthelden, zo viel Haverkamp op: ‘Ze hielden zich nadrukkelijk verre van heroïseren’. Zo publiceerde Parool-journalist Klaas Peereboom in 1948 een boekje over het Friese voetbalfenomeen Abe Lenstra, waarin hij concludeerde dat die heel aardig kon voetballen, maar het grote publiek mocht toch vooral ‘geen Übermensch in hem gaan zien’. En judoka Anton Geesink kreeg in 1962, nog voor zijn gouden medaille op de Spelen van 1964, van zijn biograaf een waarschuwing mee. Hij mocht nooit vergeten dat hij ‘ooit als een knaapje uit de kinderwagen is geklommen’.

Voetjes op de grond, was de grondhouding, om kritiek op gevaarlijke heldenverering van sporters te voorkomen. Vanaf de jaren zeventig kon daarin verandering komen, toen de spraakmakende elite minder kritisch werd. ‘Hoger opgeleiden begonnen ook naar het voetbalstadion te gaan’, legt Haverkamp uit. Met de grote voetbalsuccessen van de jaren zeventig, het Nederlands elftal voorop, groeide de brede acceptatie van het fenomeen sporthelden. Dankzij zijn literaire kwaliteiten droeg Vrij Nederland-journalist Nico Scheepmaker bij aan het salon­fähig maken van topsport – hij was de wegbereider voor deze eeuw opgerichte literaire sporttijdschriften als Hard Gras(voetbal) en De Muur (wielrennen). Ook kwam er politieke hulp. In Scheepmakers tijd dook toenmalig premier Dries van Agt geregeld bij wielerkoersen op en maakte hij die sport flink populairder. Wielerbond KNWU dankte hem er met een onderscheiding voor.

Wel kwam in deze tijd een andere vorm van kritiek op: deelname aan door dubieuze regimes georganiseerde evenementen zou niet horen – met het WK voetbal van 1978 in Argentinië (‘Bloed aan de paal’, luidde de slogan van de tegenstanders) als voornaamste testcase. Later volgden vergelijkbare debatten over de Olympische Spelen van 1980 (Sovjet-Unie) en die van 2008 (China). Maar de deelname ging in die drie gevallen wel door.

‘Het kan eng worden als er regimes zijn die sport willen misbruiken, zoals bij de Spelen van Berlijn in 1936 of bij het WK Voetbal van 1978. Misbruik ligt op de loer, zeker. Maar dat heeft niets te maken met het enthousiasme van Nederlanders voor hun sporthelden. Er zijn mensen die daar eng nationalisme in zien, maar dat zie ik totaal niet’, zegt sportjournalist Frits Barend, die met dochter Barbara het sportblad Helden bedacht. Die titel zegt veel over de mate waarin verering van sporters bon ton is geworden.‘Bewonderen gaat ons tegenwoordig beter af’, meent hij. Zelf doet hij het al sinds hij als jongetje in 1956 ‘ bij mijn oma’ naar de voetbalwedstrijd Duitsland-Nederland keek. Genieten van sport is in zijn ogen ‘gewoon hartstikke leuk. Voor de meeste mensen is het ook een alibi om te kunnen feesten. Voor mensen boven de grote rivieren is het een vervanger van carnaval.’

Nederland onderscheidt zich daarbij niet van andere landen, meent hij: ‘De Zweden zitten tijdens de Winterspelen bij het ijshockey ook allemaal te kijken. De Britten en Duitsers volgen hun sporters net zo goed. Onze supporters vallen misschien alleen wat meer op doordat oranje zo’n bijzondere kleur is. Daar loopt verder niemand in rond.’

Sporthistoricus Haverkamp ziet in het sportieve nationalisme evenmin enig kwaad: ‘Het is toch wel een heel zachte vorm van nationalisme, ik zie er geen gevaar in.’ Een zeker anti-sportsentiment is er, vermoedt hij, nog altijd wel: ‘Je houdt mensen die niet van sport houden, maar zij hebben nauwelijks nog een stem in het publieke debat over topsport.’ De kritiek geldt tegenwoordig vooral de doorschietende commercialisering van sport. ‘Je hebt in bijna ieder stadion tegenwoordig wel een spandoek met ‘Against modern football’ hangen’, zegt Van Egmond. ‘Een kleine minderheid ergert zich aan de dominantie van tv-belangen en buitenlandse clubeigenaren. Het zijn mensen die de tijd koesteren dat je Cruijff nog een handje kon geven na afloop van een training in de Meer. Ze voeren een kansloos gevecht.’ Zelf schreef hij rond het WK 2014 in Brazilië veel over maatschappelijke misstanden in dat land, terwijl er honderden miljoenen aan het toernooi werden uitgegeven. ‘Ik kreeg complimenten voor die verhalen, maar het haalde natuurlijk niets uit. Daar zijn dat soort evenementen veel te groot voor. Er valt niet tegen te vechten.’

Toch maken die wantoestanden hem niet afkerig van topsport. Hij ziet ook de bijzondere kanten. Sporthelden kunnen bij de bevolking gevoelens losmaken waar de politiek nooit bij in de buurt kan komen, betoogt hij. ‘Na het kampioenschap van Feyenoord hing er een ongekende sfeer in de stad, dat zal ik nooit vergeten. Dat was Woodstock: alles kwam bij elkaar, alle kleuren, alle wijken, het was fenomenaal, ik werd door wildvreemden gezoend. Zo’n sfeer, dat krijgt geen enkele politicus ooit voor elkaar.’ Een roze bril heeft hij niet. ‘Ik heb ook in de Kuip meegemaakt dat 30 duizend mensen riepen: ‘Hamas, Hamas, joden aan het gas’. Daar ben ik toen echt op afgeknapt.’

Sport heeft een belangrijke maatschappelijke functie, benadrukt Frits Barend. ‘Het geeft de kans op ontlading, op het wegvloeien van agressie. Het maatschappelijk belang daarvan wordt nog altijd onderschat. Sport verbroedert ook. Als er een paradijs zou zijn, dan vervult sport daar zeker een belangrijke rol. Een plek waar iedereen gelukkig is, vrijelijk vruchten van de boom eet en lekker aan het sporten is. Nou ja, in elk geval doe je er niemand kwaad mee, hooguit je tegenstander.’

In de ogen van Martine Prange profiteert de sport van de ‘romantische, sentimentele tijden’ waarin we leven. ‘Alles moet tegenwoordig een beleving zijn’, merkt ze op, onder verwijzing naar de Heineken Experience en alle navolgers daarvan. Bijbehorende verschijnselen worden volop gedeeld. ‘Neem de uitbundige manier waarop er met tragische helden als Nouri of Van Hanegem wordt meegeleefd en hoe er om hen wordt getreurd, dat was nog niet zo lang geleden ondenkbaar. Het staat verbazingwekkend dwars op onze vermeende, nuchtere volksaard.’ Die sentimentaliteit is voor sporthelden niet zonder risico – sentimenten kunnen zich tegen hen keren, met een grote kans op reputatieschade. ‘Ajax-voetballers als Kluivert en Ziyech liggen zwaar onder vuur, omdat ze aan zelfoverschatting zouden lijden. Het publiek wil helden, maar ziet die ook weer graag vallen. Want er is ook behoefte aan leedvermaak. Voor sporters is het lastig manoeuvreren. Je mag je vooral niet arrogant tonen. Schaatsers als Kramer en Wüst zie je dat heel goed bewaken.’

Veel kwaad kan de sentimentaliteit op sportief vlak verder niet, denkt Prange: ‘In de politiek zie je wel kwalijke kanten ervan zoals xenofobie en nationalisme. Daar mag het wel wat nuchterder. Maar voor de sport en sporters is het zeker niet slecht. Die profiteren juist van deze sentimentele tijden.’   

Succes

Sportboeken, en dan vooral sportbiografieën van sporthelden, doen het erg goed, is de algemene indruk. Niettemin werd in 2017 maar liefst 28 procent minder aan sportboeken verkocht dan in het jaar ervoor. Een paar succesnummers blijkt een wereld van verschil te maken. Zo had 2016 de ­biografie van ­Johan Cruijff en het geruchtmakende boek over wielrenner Thomas Dekker, terwijl 2017 het zonder zulke uitschieters moest doen.

Kanshebbers

Maandag wordt in DWDD de Nico Scheepmaker Beker uitgereikt. Zes titels maken kans op deze uitverkiezing tot beste sportboek van het jaar:

Sander Collewijn

All-In 

Een reis door de wereld van het poker

Ambo Anthos; 264 pagina’s; € 20.

Jurryt van de Vooren

De Bosatlas van het Nederlandse voetbal

Noordhoff; 213 pagina’s; € 39,95.

Michel van Egmond

Deal

Met Rob Jansen achter de schermen van het topvoetbal

Voetbal Inside; 272 pagina’s; € 19,99.

Bert Wagendorp & JW Roy

Lance

The Rise & Fall in 14 songs (met cd)

De muur; 144 pagina’s; € 29,95.

Carolina Trujillo

Meisjes in Blessuretijd

De Hard Gras-verhalen

Ambo Anthos; 164 pagina’s; € 15.

Hugo Verkley

Royston

Saaf; 284 pagina’s; € 19,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.