Gras met een luchtje

Kunstgras heeft volgens velen de toekomst op de sportvelden. Maar is de kwaliteit wel goed? Loopt de gezondheid van de spelers geen gevaar?...

De ijverige terreinknecht van de kleine voetbalclub in het oosten van het land stapte kortgeleden, nadat het hoofdveld net met fabrieksklare kunstgras was beplakt, op de maaier om zijn wekelijkse rondje af te leggen. ‘Gras is gras’, moet hij hebben gedacht ‘en gras moet worden geknipt.’

‘Tekenend voor de betrekkelijke onbekendheid die er nog steeds is over het product’, zegt Theo Ceelen, directeur van Ceelen Sport Constructies in Zeewolde, één van de vijftien Nederlandse bedrijven die het hardgroen van natuurgras omzetten in het zachtgroen van kunstgras.

‘Kunstgras is geen gras, kunstgras is plastic’, houdt Nico van Vuuren vol. Hij legde in het nieuwe AZ-stadion het natuurgras waarvan trainer Louis van Gaal zegt: ‘Het is werkelijk perfect, maar ik blijf ervan overtuigd dat kunstgras de toekomst heeft.’

Collega Henk ten Cate van Ajax vreest die ontwikkeling. ‘Kunstgras is helemaal niks. Ik hou van modder tussen de noppen en gras op de broek, dat is echt voetbal.’ Inmiddels spelen vijf clubs in het betaald voetbal (Heracles, AGOVV, Cambuur, Volendam en FC Omniworld) hun thuiswedstrijden op kunstgras, experimenteren de wereldvoetbalbond FIFA en de Europese Voetbalunie UEFA wereldwijd met officiële wedstrijden op het nepgras, maar blijft in Nederland de discussie steken in scepsis over nut, heilzaamheid en zelfs gezondheid.

Merkwaardig noemt directeur Ties Joosten van het Instituut voor Sportaccommodaties op Papendal dat. Hij constateert dat aan de aanleg van de zeshonderd kunstgrasvelden in het hockey en de 250 voor het korfbal aanmerkelijk minder commotie is vooraf gegaan dan aan de realisering van de nu over Nederland verspreide driehonderd voetbalvelden met kunstgras.

Het is een discussie over, uiteraard, prijs en houdbaarheid van het product. De aanleg van een natuurgrasveld kost 75 duizend euro, een kunstgrasveld is al gauw vier keer zo duur. Hier staat tegenover dat het onderhoud van een natuurgrasveld 10 duizend euro per jaar kost en dat er gemiddeld 250 uur per jaar op kan worden gespeeld. Het onderhoud van kunstgras vraagt minder geld (vijfduizend euro per jaar) en het gebruik is ongelimiteerd.

Voor mensen uit het vak staat vast dat kunstgras een efficiencyverhaal is. Kunstgrasvelden kunnen intensiever en voor meerdere doeleinden worden gebruikt. ‘Dat is een uitkomst voor steden waar de druk op ruimte alleen maar toeneemt en sportvelden optimaal bezet zijn’, verklaarde onlangs Gerrit de Koe, hoofd buitenaccommodaties van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer in Amsterdam.

Maar er is meer: sinds begin dit jaar zit er een verontrustend luchtje aan het kunstgras. Nadat de GGD in Arnhem had vastgesteld dat met rubberkorrels ingestrooid kunstgras op het sportpark Rijkerswoerd kwalijke dampen verspreidde, die bedreigend waren voor mens en milieu, sloeg de schrik toe bij de talrijke clubs en gemeenten die plannen hebben om slijtend natuurgras te vervangen door het fabrieksproduct.

Overigens richtte het GGD-onderzoek in de Gelderse hoofdstad zich op mogelijk vrijgekomen roetdeeltjes. Die werden niet aangetroffen. Wel werden kankerverwekkende nitrosamines gevonden, een bijproduct van het in kunstgras gebruikte SBR-granulaat, een product van vermalen autobanden.

Het alarm uit Arnhem leidde tot Kamervragen aan staatssecretaris Van Geel van Milieu, die op zijn beurt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) inschakelde voor nader onderzoek.

Medio augustus kwam het RIVM tot de conclusie dat de vrijkomende stoffen geen directe aanleiding gaven voor gezondheidsrisico’s. Wel bestaat de mogelijkheid dat chemische stoffen in het rubbergranulaat via drainagewater kunnen uitspoelen naar omliggend oppervlaktewater. Daarom heeft het RIVM besloten tot een vervolgonderzoek, waarvan het resultaat één dezer dagen wordt verwacht.

In zijn kantoor boven het bedrijf in Zeewolde zegt Theo Ceelen: ‘Dit kan grote economische gevolgen hebben, want stel dat het rubber verboden wordt. Dan zullen de producenten op zoek moeten naar alternatieven. Dat alternatief is er wel, maar kost tussen de 60 duizend en 160 duizend euro per veld meer en dan weten we nog niets over onderhoud en houdbaarheid van het kunstgras. Ik ben ervan overtuigd dat gemeenten en clubs dan om budgettaire redenen gaan afzien van kunstgras, hetgeen zou leiden tot een geweldige dip in de markt.’

Dat zal hem treffen als producent, maar het kwetst hem ook in zijn eergevoel. ‘Want dan zijn we als producenten het slachtoffer van een, volgens mij, welbewust uitgevoerde campagne. Er is een serie verhalen verschenen over de schadelijke gevolgen van voetballen op met rubber ingevuld kunstgras. Daarvan is er niet één met gedegen onderzoek onderbouwd. Het zijn suggesties en nog eens suggesties vanuit één bron van waarheid: er zit rubber in de gebruikte materialen. Rubber van verwerkte autobanden.’

Opgewonden: ‘Dat zijn producten die ook in mijn bedrijf worden gebruikt en behandeld door het personeel van wie ik, net als van klanten, nooit klachten heb gehoord. Alles wat nu naar buiten komt, is afkomstig van concurrerende industrie. Ter verduidelijking: 95 procent van de producenten werkt met invulrubber, 5 procent heeft een alternatief dat niet gangbaar is, veel te duur is en kwalitatief niet kan concurreren. Vandaar dat de hetze in gang is gezet.’

Oorlog op het kunstgras, veroorzaakt door het zaaien van angst. ‘Voetbal is hier begonnen op met zand ingestrooide kunstgrasvelden. Hoe goed die ook waren voor hockey, zo slecht waren ze voor voetbal. Tegelijkertijd groeide de behoefte aan altijd bruikbare trainingsvelden in zowel prof- als amateurvoetbal. We zijn begonnen met de onderbouw van een rubberen mat. Tien jaar geleden hebben we rubber in de vezel aangebracht, maar zo weinig dat er altijd gras bovenstaat om het gevoel met gras te behouden.

‘Er is sprake geweest van een sensationele ontwikkeling van de vezels. Op de door ons aangelegde velden van FC Omniworld en Volendam wordt een gevormde vezel met een verdikte kern gebruikt. Die slaat plat en komt ook weer omhoog en benadert daardoor de kwaliteit van natuurgras het beste. Want één van de nadelen van kunstgras was, dat de bal te snel rolde en te hoog stuitte doordat de vezel plat bleef liggen. In de oude situatie rolde een van de springschans gerolde bal tien meter weg; op nieuw gras is dat zes meter, net als op natuurgras. Deze ontwikkelingen gaan door, we zijn er nog lang niet met kunstgras.’

Maar dan die rubber. ‘Die is nodig voor de schokabsorbtie en voor de afzet van de spelers. Geen product dat daarvoor op kunstgras zo geschikt is als rubber. Een speler moet zijn noppen kunnen vastzetten in het veld, maar ook moeten kunnen draaien. Rubber geeft het kunstgras zijn natuurlijke eigenschappen terug. In Amerika wordt niet anders gebruikt, Amerikanen vinden de Nederlandse discussie daarom apekool.

‘Wij, als producenten, moeten ook zelf in de spiegel kijken. De vraag is of het gevaarlijk is? Je zit wel met twee op voorhand kritieke begrippen, autobanden en recycling. Wat wij zijn vergeten, is het opstellen van een goede normering voor rubber. We zijn allemaal heel enthousiast kunstgrasvelden gaan aanleggen zonder ons af te vragen of we wel een goed antwoord hebben op de vraag of het werkelijk zonder gevaar is? We hadden de regel van verantwoord gebruik van het rubber vooraf moeten vastleggen aan de hand van eigen onderzoek.

‘Het RIVM komt nu met een vervolgonderzoek op haar eerste bevinding dat er geen sprake is van risico. Daarnaast is er een commissie Kunstgras samengesteld. Rubber is in onze industrie een fantastisch product, want het behoudt onder alle omstandigheden zijn veerkracht. Ideaal voor kunstgras en bovendien hebben wij een dubbele bescherming. Bij normaal vermalen van rubber komen haartjes vrij. Bij ons gaat het vermalen rubber ook nog in een stikstofmolen van min 270 graden. Dat rubber blijft veerkrachtig, maar breekt niet en blijft evenmin aan schoenen of kleren kleven.’

Los van de door het RIVM aangesneden kwestie blijft de vraag waarom het merendeel van de voetbalprofs zich - zo blijkt uit onderzoek van de spelersvakbond VVCS - tegen kunstgras blijft verzetten? Ceelen: ‘Dat is de angst voor het nieuwe. Als wij velden komen aanleggen horen we vaak: Móeten we daarop spelen? Als ze gelegd zijn is het: Mógen we daarop spelen? De acceptatie gaat supersnel. Vanwege de voordelen: altijd trainen, altijd onder ideale omstandigheden en, aantoonbaar, minder kans op blessures. Te gek voor woorden als die ontwikkeling zou worden stopgezet.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden