Gewoon zo gebakken

Erica Terpstra, voorzitter van NOC*NSF, is de invloedrijkste Nederlander in de nationale sport. ‘Never a dull moment Terp, dat wou je toch zo graag?’..

Om uit te leggen wie Erica Terpstra is, begint Erica Terpstra spontaan te vertellen over mevrouw Waagenaar. ‘Met vier a’s.’ Een halve eeuw geleden was mevrouw Waagenaar de vrouw van de badmeester. Elke dag kwam ze naar Den Haag om haar man een broodtrommeltje te brengen. En omdat ze er dan toch was, ging ze de talentvolle Terpstra begeleiden.

Niet dat ze verstand had van trainingen. Maar toen haar pupil tijdens de selectiewedstrijden voor de Olympische Spelen van Rome (1960) als een zielig hoopje zenuwen op de tribune zat, vond mevrouw Waagenaar wel de juiste woorden. Met lieve maar dwingende stem zei ze: ‘Moet je luisteren Erica, zo wordt het niets. Als je echt niet wilt zwemmen, laten we dan naar huis gaan, dan is het over en af. Maar als je wel wilt, moet je je nu anders gaan gedragen.’

Terpstra, 48 jaar later: ‘Op dat moment maakte ik een keuze. Zo maak ik die nog elke ochtend.’

Als ze wakker wordt, blijft ze altijd even liggen. Dan denkt ze na over wat ze die dag allemaal gaat doen. En vervolgens zegt Terpstra, bijna 65 jaar oud en thans VVD-politica in ruste, hardop tegen zichzelf: yes, ik mag weer. ‘Echt waar.’

Toen ze afgelopen woensdag bij een symposium van Awraham Soetendorp (rabbijn in Den Haag) was, riep iemand naar haar: Mazzeltov! ‘Toen dacht ik: ja, dat heb ik inderdaad. Als ik een moeilijke dag heb, en die heb ik soms, dan kan ik zeggen: tsjongejonge, als ik de dag maar doorkom. Of ik kan zeggen: never a dull moment Terp, dat wou je toch zo graag?’

Er klinkt geen spoor van twijfel in haar stem als ze zegt dat ze zichzelf ook zou hebben verkozen tot invloedrijkste Nederlander in de sport.

Boven Johan Cruijff? ‘Absoluut.’

Boven Jet Bussemaker, de staatssecretaris van VWS? ‘Zeker. Waarom zou ik mezelf niet op één zetten? Ik zou mijn werk niet goed doen als ik niet hoog was geëindigd. Ik sta er bij NOC*NSF ook niet alleen voor.’

Voelt een mens zich prettig in de wetenschap dat hij op zijn terrein de machtigste van het land is?

‘Ik weet niet goed wat het betekent, de machtigste te zijn. Ik vind macht geen vies woord, helemaal niet, maar ik geloof meer in verantwoordelijkheid dan in macht. Van mijn verantwoordelijkheid ben ik me bewust, anders moet je niet aan zo’n klus beginnen.

‘Ik heb ook niet vaak het idee dat ik er iets helemaal alleen doorheen druk. Dat is niet mijn stijl van besturen. Ik ben een teamspeler. Ik ben gevoelig voor sfeer, daar kun je zelf veel invloed op uitoefenen. Mijn ervaring is dat als je je kwetsbaar opstelt, anderen ook bereid zijn zich open te stellen. Daar krijg je af en toe wel een deuk van, nou ja, oké, tant pis. Dat is dan maar zo.’

U slaat nooit met de vuist op tafel?

‘Het is wel eens gebeurd. Als staatssecretaris van VWS heb ik op die manier het persoonsgebonden budget in de zorg erdoor gedrukt. Daar ben ik nog trots op.’

Zou u bij NOC*NSF ook voorzitter kunnen zijn geworden in de tijd dat een grote schoonmaak noodzakelijk was?

‘Nee, ik denk niet dat daar mijn grootste kracht ligt. Elke tijd krijgt de voorzitter die het verdient. Ik ben niet hard of meedogenloos. Je moet een sfeer scheppen waarin het niet nodig is met de koppen tegenover elkaar te staan. Dat is óók een vaardigheid.

‘Ik ben begaan met mensen, ik identificeer me graag. Als ze zeggen: Terp, doe er iets aan, dan ben ik oprecht geïnteresseerd. Dat noem ik geen kwaliteit. Dat klinkt zo aanmatigend. Ik ben gewoon zo gebakken. Ik ben een optimistisch mens. En ik kan me nog steeds verwonderen over het leven.’

Komt het hard aan als mensen zeggen dat u een kundig bestuurder bent, maar geen visionair?

‘Dat kwetst mij niet. Ik weet dat het niet waar is. Die mensen weten niet hoe ik in elkaar zit. Maar ik heb ook niet overal lak aan. Er zijn dingen waar ik rekening mee moet houden.

‘Ik ben een publiek figuur. Ik moet ervoor zorgen dat ik er niet slordig uitzie. Ik ga vaker dan de gemiddelde vrouw naar de kapper, want er wordt meer naar mijn koppie gekeken dan naar mijn voeten. Dat vind ik hoffelijk.

‘Ik houd niet van hokjes. Mijn ouders zeiden vroeger al dat ik niet alleen een zwemster was. Ze waren begaan met mijn prestaties.

‘Toen ik voor het eerst Nederlands aspirantenkampioen werd en ik thuiskwam met een medaille, wilden ze alles weten, tot in detail. Tot ze plotseling zeiden ze: oh ja, het is wel jouw beurt om met je broertje af te wassen. Stond ik daar met een medaille om mijn nek in de keuken af te wassen.

‘Ik hoorde ook pas nadat mijn vader was overleden dat hij op maandagmorgen op de fiets langs de vitrines van de ochtendkranten reed om te kijken of zijn dochter erin stond. Dat heb ik nooit geweten.’

Verantwoordelijkheid nemen, vooraan staan, zit dat er van jongs af aan in?

‘Nee, het gekke is dat deze baan eigenlijk de eerste is die ik héél graag wilde. Mijn ouders hadden ook geen leidinggevende functies. Mijn vader was politieagent en werkte zich via de avondschool op tot docent aan de politie-academie. Mijn moeder werkte als administratrice.

‘Ik was een sleutelkind avant la lettre. Mijn moeder moest gaan werken om onze studie te kunnen betalen. We hadden een fantastisch gezin. Het gaf een geweldig gevoel de taken met elkaar te verdelen. Mijn broer stond zakdoeken te strijken, ik schilde de aardappels en mijn zus deed weer andere dingen. Daarom houd ik van het harmoniemodel.

‘Mijn ouders zeiden: het kan ons niet schelen wat je doet, maar je moet wel woekeren met je talenten. We mochten naar het gymnasium, terwijl het in die tijd normaal was dat over kinderen die goed konden leren werd gezegd: laat maar naar de mulo gaan, dan komt het er wel uit.

‘Mijn ouders wilden meer voor ons en hebben daar hard voor gewerkt. Dat gaf verantwoordelijkheid. Het was je plicht om je best te doen. Ik ben waarschijnlijk een van de weinige oma’s die haar kleinkinderen geen geld geeft als ze overgaan op school. Dat is zo’n geluk, als je goed kunt leren, daar hoef je geen geld voor te krijgen.’

De hang naar het pluche heeft u nooit gehad?

‘Nee, maar toen ik in de Trêveszaal zat tijdens Prinsjesdag, vond ik dat geweldig. En toen ik als staatssecretaris naar de Wimbledonfinale van Richard Krajicek mocht, jongens! Dat ik in Johannesburg met Mandela en Gullit op de middenstip stond, was ook een cadeau.

‘Maar dat gevoel heeft niets te maken met het kleine meisje uit de portiekwoning dat zich heeft opgewerkt. Ik denk dan altijd: waar verdien ik dit aan? En tegelijkertijd: een tandje erbij en het gaat wel weer voorbij. Dat is een beetje het boeddhisme waar ik in geloof: geniet van het nu, maar realiseer je dat het het nu is. Het is het je verwonderen over het nu, ervan genieten en weten: het is maar het nu. Mooi hè?’

Dus niets in uw carrière was gepland. Het overkomt u allemaal.

‘Ik geloof er niet in dat je je toekomst kunt uitstippelen. Maar alles heeft wel een betekenis, dat kan niet anders. Ik zwom omdat ik zo’n iel kind was. Toen bleek dat ik talent had, vroeg iemand: waarom ga je niet trainen voor de Olympische Spelen?

‘Voordat ik Kamerlid werd, was ik leuk bezig met een politiek café in ’s Gravenzande. Toen zeiden ze: we staan zo hoog in de peilingen, waarom ga je niet proberen om Kamerlid te worden? Dan ga ik ervoor en wil ik ook winnen.

‘Ik heb in een Dafje het hele land door getoerd. Stem Erica! Dan reed ik van ’s Gravenzande naar Delfzijl om vijf minuten iets te zeggen. Dat kon ik wel hoor, mezelf in vijf minuten verkopen. Mijn laatste zin was altijd: en we moeten ervoor vechten dat er een ander kabinet komt, en vechten, dat kan ik! Ja, knikte dan de zaal enthousiast.’

U gelooft ook in reïncarnatie.

‘Maar ik ga niet zo ver dat ik naar regressietherapie ga. Wie of hoe ik in een vorig leven was, dat kan me niet schelen. Ik vind ook dat je dat moet laten rusten. Het intrigerende eraan vind ik eigenlijk dat het leven en alles wat je meemaakt, zo mooi en complex is, dat het onvoorstelbaar is dat het alleen maar voor een korte periode is. Er is meer dan een mens ziet.

‘Voor mij is het helder dat je in je leven steeds op een punt uitkomt waarop je moet kiezen voor een moeilijke of makkelijke weg. Anderen zeggen dat je de beloning later in de hemel krijgt. Ik geloof dat het je opdracht is te werken aan de kern van puurheid die je in je hebt. Dat is mijn leidraad.’

Kiest u de moeilijke of de makkelijke weg?

‘Niet de makkelijke weg. Dat is weglopen. Wat op je pad komt, moet je aannemen. Ik denk altijd: da’s leuk om te proberen. Daarom heb ik mijn hele leven zo veel lol gehad. Laffe keuzes liggen niet in mijn aard.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.