Gewend aan de harde klappen

Ze heette The Dutch Destroyer, Lady Ali en Lady Tyson. Dit jaar ging een documentaire over haar in première. Het is de erkenning voor Lucia Rijker (40), de wereldkampioen boksen die nooit verloor, maar die in 2005 op het nippertje één miljoen dollar en een vermelding in de geschiedenisboeken misliep...

tekst Lidy Nicolasen en Stephan Vanfleteren

Laatst mocht ik spreken bij de opening van het Gemeentearchief in Amsterdam. De koningin was er ook. Ik stond daar toen heel trots. Mijn beide ouders zijn overleden, maar ze waren erbij, ze zitten in mijn hart. Komen er mensen naar me toe: ‘Jeetje, gut kind, dat had ik toch niet verwacht dat jij het nog zo ver zou schoppen.’

Het betekent veel voor me dat ik gehoord mag worden, ik heb er heel hard voor moeten knokken. Net als Mohammed Ali. Ik dacht altijd: op een dag zullen mensen ook naar mij komen luisteren. Als kind had ik dat al, ik was de jongste en mij werd vaak de mond gesnoerd.

De documentaire over mijn leven werd in juli voor het eerst publiekelijk vertoond. Zo vreemd, je laat zoveel mensen in je leven kijken. Ik probeerde te doen alsof ik niet die Lucia was, maar iemand anders. Het was zo intiem. Na afloop stonden mensen anderhalf uur in de rij om me iets te zeggen. Ook na een wedstrijd komen er mensen naar je toe, maar dan praten ze over je prestatie. Nu zeiden ze dingen die niks met mij maar alles met hun eigen leven te maken hadden. Ze herkenden zichzelf in de film, zeiden ze dan, alsof ze zichzelf hadden horen praten. Ik was ontzettend moe, ik stond daar maar te staan, kon nauwelijks iets opnemen, was alleen een luisterend oor. Het was een vreemde ervaring.

Het is het succes van de filmmaker George Schouten, dat zoveel mensen zich met me kunnen identificeren. Maar eng is het ook. Ik was bij Pauw & Witteman en daar lieten ze de kwetsbaarste fragmenten zien, de momenten waarvan ik wenste dat ze niet waren gefilmd. Er was een fragment met mijn moeder. Ze begrepen het niet omdat ze de film niet hadden gezien. In zijn onwetendheid zei de interviewer dat mijn moeder aan het aftakelen was, maar ze had een hersenbloeding gehad. Dat kwetste me. Ze is in 2005 overleden.

Mijn moeder was een vrolijke vrouw, optimistisch, gezellig. Ze stond voor iedereen klaar, kookte voor iedereen. Ik was 14 toen mijn ouders gingen scheiden. Twee mensen om wie je geeft, die zie je toch het liefst bij elkaar. Toen mijn vader ziek werd, heeft mijn moeder hem verzorgd. Ik denk dat ze diep in haar hart altijd van hem heeft gehouden. Maar ja, trots en ego, dat zijn vaak dingen die een relatie schaden. Zij was een Nederlandse, hij Surinamer, ze kwamen uit een andere cultuur.

Toen ze uit elkaar gingen, ben ik gaan kickboksen. Ik hoefde dat van thuis niet allemaal te zien; het was een soort uitvlucht. Ik was de jongste van vier. Ik wilde niet dat kwetsbare meisje zijn, en in de sport kun je je sterk voordoen. Het is een manier van overleven. Ik zie het ook bij mijn leerlingen. Als de vader niet aanwezig is, nemen die meiden heel snel de rol van beschermer over van hun moeder.

Mijn broer was een fan van Bruce Lee, de vechtsportacteur. Zo begon het eigenlijk. Hij ging naar de sportschool, ik hobbelde achter hem aan. Ik was een tomboy als kind, ik deed de sporten die ik leuk vond, ik keek niet naar jongens of meisjes. Ik had geen oog voor glitter – nog niet eigenlijk, ik heb dat moeten leren. Ik was een nieuwsgierig kind, ik wilde onderzoeken, verkennen; dat vond ik mooi.

Ik wilde worden zoals Mohammed Ali. Kijk, daar staat hij met mij op de foto. Ik straal, ik houd hem vast alsof hij mijn vader is. Ik schrok er wel van hoe ziek hij is, maar toen ik hem vastpakte, was hij zo dichtbij, het was een historisch moment. Dit is een droom, dacht ik.

Mijn vader hield van sport, mijn moeder niet, maar ze keek wel naar het boksen; iedereen bij ons in de straat. Was Mohammed Ali ’s morgens om vijf uur op de zwart-wittelevisie, dan zat de hele straat te kijken. Boksen is minder populair aan het worden, maar bijna elke sportschool biedt nu wel martial arts aan; vechtsport, vechtkunst. Als je vroeger zei dat je aan kickboksen deed, zeiden mensen: dat kan toch niet, dat is toch onmenselijk. Ook journalisten. Hoe kun je iemand slaan? Het is een natuurlijk instinct. Kinderen doen het als ze heel boos zijn, zonder dat iemand het ze heeft geleerd. Maar je pakt hun handje en zegt: nee, dat mag niet. Het mag alleen in de sport.

De meeste klappen kreeg ik tijdens de training. Ik was gewend aan harde klappen omdat ik altijd met mannen trainde. Dat maakt je mentaal sterker. De rust die je erin vindt, maakt jou een betere bokser. De agressie is een opbouw van energie en angst. Je denkt: ik wil winnen en de pijn zo veel mogelijk vermijden, en dan ga je. Ik heb geprobeerd om niet onnodig slaag te krijgen. Ik ben nooit zo bang voor mijn gezicht geweest. Wel voor mijn hersencellen. Op trainingen heb ik veel klappen op mijn hoofd gehad.

Ik heb 24 jaar lang mijn lichaam tot het uiterste gedreven. In de training verleg je voortdurend je grenzen, dat maakt je een betere atlete. Ik ben een type van alles of niets. Ik word wereldkampioen; ik zeg het niet, ik denk het. Als kind al werd ik altijd gezien door leraren. Niet alleen omdat ik talent had, maar omdat ik alles gaf. Ik zie dat terug bij sommige leerlingen, dat is prachtig om te zien, zo iemand gun je alle aandacht.

Dat fanatisme, die ontzettende bewijsdrang... hou het er maar op dat ik kracht uit alles put, ook uit het slechte in m’n leven. Ja, ook uit mijn beschadigingen. Maar ik probeer van het verleden te leren en mezelf en anderen te vergeven.

Boosheid is mijn drive geweest. Ik denk dat veel succesvolle performers in hun jeugd beschadigd zijn geraakt en dat ze hebben geleerd die emotionele pijn om te zetten in prestaties. Je kunt beter afzien en je hebt iets te bewijzen. Als je dat niet hebt, denk je bij de eerste de beste klap voor je hoofd toch: ik lijk wel gek. Je wilt iets bewijzen: je onafhankelijkheid, laten zien dat jij die kracht hebt.

Ik had een leerlinge, Michelle uit Engeland. Ze was even in Nederland toen er tussen mij en mijn trainer heel veel problemen waren en ik dat vooral verbaal uitte. Zij zag me lijden en op een goed moment ging ze chanten: het herhalen van de titel van de Lotus Sutra. Wat heeft dat nou voor zin, dacht ik. Ze nodigde me uit voor een bijeenkomst van boeddhisten. Waarom niet, dacht ik. Ik nam een paar vriendinnen mee. Ik zie het nog voor me, boven een Japans restaurant in Amsterdam.

Bij de deur voelde ik al een enorme vibratie, alsof het hele gebouw bewoog. Doedoetoedoetoedoetoe. Binnen zaten allemaal mensen; wij kregen de slappe lach natuurlijk. Doedoetoedoetoedoetoe. Iemand duwde me een kaartje in de handen, waarop de woorden stonden die al die mensen zo snel achter elkaar opzegden: Nham Myo Ho Renge Kyo*. Heel snel, en in mijn belevingswereld heel lang achter elkaar. Je wilt meedoen, maar het is als touwtje springen. Je staat aan de kant en je wacht op het moment dat je in kunt springen, en dan aarzel je en deins je terug. Als je wel springt, vlieg je even in het ritme van het touw en door het geluid voelt het alsof je samensmelt met de groep. Ik kon het niet bijhouden, ik moest alleen maar lachen.

We zijn weggegaan. De dag dat ik heel boos was, ben ik naar dat restaurant gegaan. Ik kwam er verwilderd binnen, niemand keek ervan op. Ik heb daar gevraagd of ze me konden leren chanten. Drie keer in de week om zes uur ’s morgens, soms om half zes. Mijn leven veranderde. Kort daarop verhuisde ik naar Amerika, waar ik overal boeddhisten tegenkwam. Ik was een keer aan het hardlopen op het strand, toen ik zag dat een man zijn vrouw mishandelde. Ik stopte en ging hard chanten. Hij schrok en hield ermee op.

Het was eigenlijk een vakantie naar een vriendin in Los Angeles. Maar ik vond het leuk daar. Zij zei: blijf toch. Wat heb ik te verliezen, dacht ik. Mijn leven bestond alleen maar uit het naar de sportschool gaan. Ik heb de trainer gebeld dat ik niet terugkwam. Als ik had geweten waaraan ik was begonnen, had ik het nooit gedurfd. Het was ontzettend zwaar. Ik sprak wel Engels, ik kende de woorden wel, maar als je de cultuur niet kent, ben je nog nergens.

Er is altijd een weg terug, maar ik geef niet zo snel op. Het was heel confronterend om volledig op mezelf teruggeworpen te zijn. Ik moest opnieuw beginnen en proberen te ontdekken wie ik ben. Mijn imago was gebouwd op mijn bokscarrière. Ik liep letterlijk met een harnas aan spierbundels om me heen, de bescherming die ik had opgebouwd voor dat gevoelige kind. In topsport kun je veel kwijt, maar je onderdrukt ook heel veel. Het uiten van je gevoel past daar niet bij. Het heeft jaren geduurd voordat ik kon erkennen en verwoorden wat ik voel en dat ik op tijd kon aangeven waar voor mij de grenzen liggen.

Ik ging niet naar LA om te boksen, maar als je daar bent, moet je doen waar je goed in bent. Vechten. Ik vond het een uitdaging. Vroeger was vechtsport een soort cult, je trainer was je sensei, een strenge meester tegen wie je opzag als kind. Hij leerde je de technieken. Als je prof bent, moet je met de besten werken en ga je op zoek naar de besten. Dat heb ik in Amerika moeten leren. In Nederland was dat niet mogelijk, ik zat onder de plak.

Je moet heel brutaal zijn. Ik was dat niet, eerder passief. Ik heb geleerd dat je bescheiden moet zijn, maar in Amerika had ik aan die wijze raad niet veel. Ik ging een cursus volgen om te leren spreken voor groepen mensen, het resultaat daarvan was dat ik een totaal andere kijk op m’n leven kreeg. Ik pakte mijn bokscarrière met twee handen vast, ik liet me niet meer beperken door wat andere mensen van me denken en verwachten, gooide alle regeltjes overboord en volgde mijn droom. Make it happen!

Het lukte. Als je niet beperkt denkt, lukt het. Ik ging recht op mijn doel af. Klopte aan bij Don King en Bob Arum, nog steeds de twee grootste bokspromotors. Boem! Tape op tafel, gaan zitten en praten. Dan willen ze wel luisteren.

Met audities voor film of tv gaat het net zo. Als ik denk: dit is voor mij, deze rol is mij op het lijf geschreven, krijg ik hem ook. In Million Dollar Baby had ik liever de rol van Hillary Swank gehad, niet van het kreng dat ik uiteindelijk speelde. Ik had toen nog onvoldoende ervaring. Maar voor een A-film met topacteurs kon ik een rol als bad girl niet afslaan. Het was geweldig om te doen. Als Clint Eastwood regisseert, laat hij jou kiezen. Hij doet zijn huiswerk, cast je, gooit alle ingrediënten in de soep en laat het verder gewoon gebeuren. Hij zegt niet wat je moet doen, hij geeft je zoveel zelfvertrouwen; dat maakt dat je je voor honderd procent geeft.

In het script stond dat ik Hillary na de bel van achteren moest aanvallen. Na de bel slaan, wordt bestraft met diskwalificatie en is in een echt gevecht dus niet mogelijk Maar het moest erin om drama en een shockeffect te creëren. Ik heb Hillary leren bewegen, natuurlijke combinaties leren maken zodat zij geloofwaardig was als bokser.

Acteren is heel erg leuk. Ik heb nu een paar films en tv-series gedaan. Een rolmodel heb ik niet, of het moet Oprah Winfrey zijn. Ik vind haar een keizerin; sterk en gevoelig. Zo’n baan als die van haar zou ik wel willen hebben, een praatprogramma – bij voorkeur met jongeren. Zij hebben nog passie voor het leven, staan open voor de dialoog.

Zelf moet ik nu ook een besluit nemen over het krijgen van kinderen. Ik ben net veertig geworden en niets in mijn leven staat vast. Als je kinderen wilt, moet je wel een nest hebben. Ik leef nu als een vrijgezel, ik reis veel, heb geen vast inkomen. Maar ja, kinderloos door het leven... ik weet het niet.’

* Ik wijd mezelf aan de mystieke wet van oorzaak en gevolg door geluid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden