Geugelhaai, guigelheil of hagelgeul?

Spellen is topsport, vooral voor Vlamingen. Altijd hebben ze moeten vechten voor hun taal, en vechten is ook wat ze doen tijdens het jaarlijkse Groot Dictee der Nederlandse Taal....

Ten oorlog, roepen de Vlamingen in de bus op weg naar Het Groot Dictee der Nederlandse Taal, de taalcompetitie in de Nederlandse Eerste Kamer der Staten-Generaal. Spelling is voor Vlamingen een heilige missie, een opdracht. Het is voetballen, België tegen Nederland, Oranje versus de Rode Duivels. In 1996, toen het eerste dictee op basis van de nieuwe spellingregels werd gehouden, zwaaide de Vlaamse schrijver en dicteedeelnemer Ward Ramaekers op het Haagse Binnenhof met een van huis meegenomen Belgische driekleur. Om zijn schouders had hij de Vlaamse Leeuw gedrapeerd. De Vlaming roffelt in de Eerste Kamer trots op zijn borst. Hij wint het dictee, omdat hij beter spelt.

Het Groot Dictee is taalsport, met winnaars en verliezers, supporters en hooligans. Dit jaar is het Binnenhof voor de tiende keer het toneel van de Dictee Gekte. Honderdduizenden Nederlanders en Vlamingen hebben de afgelopen jaren in de huiskamer ijverig en plichtsgetrouw aan het dictee deelgenomen. Niet zonder leedvermaak zagen ze op het televisiescherm de ene na de andere bekende Nederlander of Vlaming sneuvelen in de spelling strijd, terwijl zij thuis aan tafel zegevierden.

Het is niet zomaar een spelletje, maar een ernstige zaak. Je moet oefenen, woordje na woordje juist leren spellen. Het is een folkloristisch 'verbaal palingtrekken', meent neerlandicus Herman Pleij, 'een officiële weifelstrategie in de omgang met de taal'. Dat kunnen weifelende Vlamingen wellicht beter dan zelfverzekerde Nederlanders, want kruistocht na kruistocht hebben ze voor hun taal gevochten. Dat blijkt ook telkenmale wanneer met enige plechtstatigheid de jury na afloop van het dictee het resultaat bekendmaakt. Ze steken met kop en schouders boven de Nederlanders uit, misschien niet in voetballen en zeker niet in schaatsen, maar wel in het spellen. Ze kennen het Groene Boekje uit het hoofd.

'Het zijn topsporters in taal', zegt Ludo Permentier, redacteur van de Vlaamse krant De Standaard en mede-organisator van het dictee. 'Misschien nemen ze net zo goed middeltjes als voetballers en wielrenners. Ze letten op voldoende slaap, ze oefenen en trainen, ze hebben een programma, ze bereiden zich voor op de wedstrijd.' In 1997, tijdens het dictee met de intussen memorabele instinker 'antimakassartje', had de Vlaming Johan van Dam uit Heindonk bijna een foutloos parcours gelopen: tot op heden is hij de enige met maar één fout in het Groot Dictee. Van Dam had geaarzeld of pluchen wel met een n moest in 'pluchen fauteuil'. De ongelukkige schrapte ten onrechte.

De Grote Gekte begon in Frankrijk. Op een vermoedelijk landerige, regenachtige dag rond 1860 verveelde men zich op het Franse Château de Compiègne, schrijft Dictee-presentator Philip Freriks in het boek Tien jaar Groot Dictee. De schrijver en hofdienaar Prosper Mérimée moest wat bedenken. 'Hij kwam met het idee van een dictee als gezelschapsspel en dat werd kennelijk met enthousiasme omarmd.' Maar het spel werd een keizerlijke deconfiture: de gekroonde hoofden hadden zestig, vijftig, veertig fouten.

Aan het hof in Compiègne is nooit meer een dicteemiddagje gehouden, maar het Dictée de Mérimée 'is in Frankrijk befaamd geworden'. Meer dan honderd jaar later, begin jaren tachtig, organiseerde de hoofdredacteur van de Nouvelle Revue Pédagogique, Micheline Sommant, bij wijze van persconferentie voor een speciaal op spelling gericht nieuw woordenboek, een dictee voor journalisten. Mérimée kon zich in zijn graf verheugen in een al even groot taaldrama als dat van die groezelige middag in het kasteel van Com piègne. Het foutenaantal was bedroevend hoog, maar de Franse journalisten vonden het amusant. Het bracht Som mant op de gedachte zo'n dictee voor televisie te maken, met de Franse boekenpaus en literair mandarijn Bernard Pivot als presentator. Het dictee kwam voor het eerst in 1985 op het scherm, en 'het werd een jaarlijks terugkerende hype', een veel bekeken hilarisch spellingkampioenschap.

Op zaterdag 15 december 1990 werd het eerste Neder landse Nationaal Dictee op de televisie uitgezonden, een nog landelijke spellingwedstrijd zonder Vlamingen, met het verreweg grootste dicteestruikelblok aller tijden: 'przewalskipaard'. Misschien, wie weet, is dat wilde paard door het televisiedictee voor uitroeiing behoed. Steeds meer Nederlanders, en sinds 1991 ook Vlamingen, nemen deel aan het dictee. Sindsdien is de schrijfproef waanzinnig populair, en niet alleen op het televisiescherm, en ook niet langer uitsluitend in Nederland.

In Vlaanderen ontmoeten taalsportievelingen elkaar geregeld op toernooien en competities van de Ver eniging Algemeen Nederlands of van het Davidsfonds - het grootste dictee van de Lage Landen - of op het Groot Lim burgs Dictee of het Vlaams ambtenarendictee. De Jonge Kamers van Koophandel trekken ten strijde tijdens hun 'dictee van de toekomst', of zelfs tijdens dictees in andere talen, wedstrijden waar vaak mooie prijzen zijn te winnen.

'De dicteesporters kennen elkaar', zegt Permentier, 'ze wisselen ervaringen uit, geven lijsten met moeilijke woorden aan elkaar door, concurreren, maar zijn ook solidair in de strijd.' Naast 'huis-tuin-en-keuken-spellers' zijn er in Vlaanderen steeds meer specialisten, kampioenen die zich op een olympische manier bekwamen in de kennis van de Van Dale en het Groene Boekje, 'hun Statenbijbel'. En daarom winnen ze. Vlamingen zijn spellingatleten.

'Dat er in Vlaanderen meer dictees zijn dan in Neder land, spreek ik tegen', corrigeert Diederik van Collie uit het Vlaamse Hechtel-Eksel (dicteewinnaar in 1995 met twee fouten). 'Dat wordt overal geschreven, maar het is helemaal niet waar. Ik heb een verzameling dictees uit Rotterdam, Maastricht, Leiden, Oostkapelle en Eind hoven.' Er wordt overal gescrabbeld en geworsteld met taal en spelling. Het is een regelrechte zelfkastijding. Weliswaar is het een spel, meent mede-opsteller van het Groot Dictee, Han van Gessel van de Volkskrant, 'maar dan wel een spel met een serieuze ondertoon'. Nederland is nu eenmaal een volk van dominees en schoolmeesters; in Vlaanderen is het niet anders. Niet iedereen heeft de spel ling in de vingers, dat blijkt uit de resultaten, en dan moet de schoolmeester hard en meedogenloos optreden.

Van Gessel gaat voor de jaarlijkse plichtpleging op spellinggebied op zoek naar instinkers en taalhindernissen. Het is 'metselwerk'. In het boek Tien jaar Groot Dic tee legt hij zijn keukengeheimen bloot. Ook de opsteller worstelt met spelling en taal, met de melodie en de cadans van de tekst, want presentator Freriks moet het in de Eerste Kamer allemaal soepel kunnen uitspreken. Soms, zoals in 1998 met 'guichelheil', geraken Vlamingen door Freriks' tongval in verwarring en maken - zoals winnaar Joost Verheyen uit Heusden-Zolder - fouten. Was het nu geugelhaai, guigelheil of hagelgeul? Van Gessel legt lijsten aan met woorden, een greep uit de dagelijkse journalistieke praktijk, en maakt een concepttekst die hij aan een aan tal vertrouwelingen voorlegt. Dan volgt 'het grote schaven en vijlen'. De oorspronkelijke tekst wordt herschreven, onderweg verandert er nog een en ander, en in december gaat de tekst naar het gebouw van de technische afdeling van de Neder landse Programma Stichting (nps), de omroep die het Groot Dictee uitzendt. 'Dat moet het maar zijn', zucht Van Gessel dan. 'God zegene de greep.'

Aurel Sercu, samensteller van het Groot Nederlands Dictee van het Davidsfonds, werkt helemaal anders. Verheyen verklapt het dicteerecept van de Vlaamse opsteller: 'Het is een andere en veel moeilijker wedstrijd, een echte taalproef met lijsten en invuloefeningen. De Vlaamse winnaars van het Groot Dictee in Den Haag maken in dat moeilijkere dictee gemiddeld nog tien tot vijftien fouten, soms meer, en dat is dan nog een goede score in de uitputtingsslag van het Davidsfondsgezelschap.'

In Onze Taal vroeg ene Portegies Zwart zich af 'of zo'n dictee vol voetangels en klemmen, en woorden die slechts sporadisch worden gebruikt, wel zinvol is'. Een dictee, zo vond Portegies, kan toch 'geen koorddanstest zijn om te weten of iemand goed ter been is'? Verheyen, Van Collie, Van Dam, Arthur Jacob uit het Vlaamse Marke - 'de ware Jakob onder de spellers' - of Jean Spelmans uit Kuringen, zijn Vlaamse kemphanen. Ze nemen deel aan alle taalconcoursen, ook in Nederland en op televisie. En ze hebben maar één doel voor ogen: het dictee winnen.

Thuis liggen de spelwijzers, de Van Dale en het eeuwige Groene Boekje binnen handbereik, want het blijft zwoegen. Ze zijn, verzekert Verheyen, 'een groep gelijkgestemden die rotsvast geloven in competitiegeest'. Het is 'een hobby, een passie'. Advocaat Verheyen heeft een systeem, een uitgekiend trainingsprogramma. Hij gebruikt een dictafoon en leest zichzelf het hele Groene Boekje voor, in stukken, zoveel als op zijn bandje kan, alle woordjes, en dan klapt hij het blunderboekje dicht en luistert. Bij elk woord haalt hij het schriftbeeld voor de geest. Als hij twijfelt, zet hij het apparaat uit, zoekt vervolgens het woord op en plaatst er een kruisje bij. In een tweede, een derde of een vierde ronde herhaalt hij alleen nog de woorden waar zo'n kruis bij staat.

Ook ambtenaar Van Dam heeft een leermethode. Hij leest het Groene Boekje. Helemaal. 'Alles onderstreep ik: rood voor de buitenlandse woorden, zwart voor werkwoordsvormen en woorden met een hoofdletter in potlood.' Vlamingen zijn spelfanaten die alle hindernissen uit het hoofd kennen. Straks, zo gelooft Van Collie, 'schrijft iemand het dictee foutloos op, dat is zeker'. Het zijn gedreven spellers. Maar moet je daarom als hanen vechten, Ne der landers tegen Vlamingen?

De spelbolleboos en taalvorser Marc de Smit won twee keer het Groot Dictee, in 1990 als Nederlander en in 1996 als Vlaams deelnemer. 'Ik heb de Nederlandse nationaliteit', antwoordt De Smit op de vraag of de Vlaming nu beter spelt, 'maar ik woon in Gent. Mijn moeder was een Vlaamse, en ik heb een Vlaamse vriendin. Je zou het dus kunnen zien als een gelijkspel.'

Taalcolumnist Jan Kuitenbrouwer noemt het dictee 'een requiem voor krasse knarren'. Het is onzin, vindt hij. Je moet toch een dwangneuroot zijn om woordenboeken uit het hoofd te leren om greep te krijgen op de spelling?

Het dictee van 1992 met de culinaire hutspot van kalfsfricassee, karwijnzaad en savooiekool riep bij velen ongenoegen op. De tekst zat vol geniepige leenwoorden die onkundigen in de gastronomie niet konden thuisbrengen. De redactie van Onze Taal vond het 'in de huidige opzet niet geslaagd'. Het was een potje 'woorden die in de voorkeurspelling precies anders geschreven worden dan wij allen al veertig jaar doen'. De Vlamingen kenden die woorden, want ze vechten al jaren tegen de franskiljons, maar voor de Nederlanders was het meer Neder-Frans dan Neder lands. Als het dictee nu maar ging over de regels. 'Probeer eens een tekst op te stellen waarbij de kans bestaat dat mensen hem foutloos opschrijven', vindt directeur Peter Smulders van het Genootschap Onze Taal. 'Kijk naar regels en regelmatigheden, en poets niet allerlei buitenissigheden op, woorden die je geen twee keer in je leven gebruikt.'

Het Genootschap Onze Taal 'is een soort consumentenorganisatie voor taalgebruikers', geen club voor taalfreaks of bekende Nederlandse en Vlaamse spellers. 'Het lijkt wel of onze spelling pervers is, of allerlei woorden precies anders geschreven worden dan je ze overal om je heen ziet staan.' Laatst nog zat Smulders met Freriks in een discussieprogramma op televisie. 'Het is toch een aardigheidje', zei Freriks, 'leuk om het zo moeilijk mogelijk te maken, dan blijft het toch spannend? Dan lijkt het alsof niemand het dictee kan winnen.' Daar was Smulders het niet mee eens. 'Je moet een tekst maken die op regels gebaseerd is, want dan kan tachtig procent van de deelnemers een foutloos dictee maken. Dan kunnen mensen zeggen: met mijn schrijfvaardigheid zit het wel goed.' Freriks kiest het spel, met winnaars en verliezers; Smulders onderstreept het edu catieve aspect.

'Spelling is niet maatgevend, is geen graadmeter voor taalbeheersing', zegt Smulders. 'Wij hebben gelukkig veel bijval gehad voor dit standpunt. Men is snel geneigd om te denken: als ik maar een goede score haal in het dictee, dan zit het ook goed met mijn taalbeheersing; als ik maar voldoende woorden in mijn hoofd heb zitten, en de woorden niet hoef op te zoeken, dan beheers ik mijn taal. Waarom bestaan dan al die naslagwerken, die woordenboeken en spellinggidsen? Ik ken geen Nederlander die het Groene Boekje uit het hoofd leert, maar ik ken veel Vlamingen die dat wel doen.'

Vlamingen kunnen wel spellen, hoor je dan, maar ze beheersen hun taal niet. Je had vroeger tientallen 'taalzuiveringsboekjes', de Paardekopertjes, de Heidbucheltjes, de Maarten van Nierops, een echte zeg-niet-dit-maar-dat-cultuur. Op televisie werden in Vlaanderen clowneske programma's uitgezonden, Hier spreekt men Nederlands (met Joos Florquin) of Voor wie haar soms geweld aandoet (met Marc Galle), taalwenken over het juiste woord, de juiste zinswending. 'Een taalkundige in Nederland', preciseert Permentier van De Standaard, 'is een bioloog die dingen constateert, heel veel nieuwsgierigheid opbrengt, daarover schrijft en taal analyseert. Een Vlaamse taalkundige is een bio-ingenieur die het Nederlands in goede banen leidt.' Een Nederlandse taalkundige heeft een botaniseertrommeltje, verzamelt taal zoals Kuitenbrouwer het Hedenlands; zijn Vlaamse collega zeult met zijn gereedschapskist, zijn taalboekjes en het Groene Boekje met niet minder dan 56 duizend trefwoorden. De Vlaming 'leert' het Nederlands; zijn Vlaams - eisen de taaltuiniers en de taalpuriteinen - moet met wortel en tak worden uitgeroeid. 'De Vlamingen hebben er helemaal geen behoefte aan zich een taal te laten opleggen vanuit Den Haag, zij zijn oud en wijs genoeg om op hun eigen benen te staan', rebelleert de Gentenaar Charles Vanderhaegen, die werkt aan een Vlaamse spelling, grammatica en syntaxis, en aan een Vlaams woordenboek. 'Vlamingen zijn Vlamingen en geen Nederlanders. Men kan het Vlaams tegenover het Nederlands zo ongeveer situeren zoals het Catalaans tegenover het Spaans, het Noors tegenover het Deens, het Ests tegenover het Fins, of het Macedonisch tegenover het Bulgaars.' Ben jij een Hollander of zijt gij een Vlaming? De Friezen verdedigen hun taal en hebben die ontwikkeld tot een internationaal erkende aparte taal van het Nederlands. Waarom zouden de Vlamingen dat niet kunnen, 'zoals de Noren, de Friezen, de Basken, de Esten en de Kroaten hebben gedaan'? In zijn 'manifest ter verwezenlijking van een Vlaamse standaardtaal voor alle Vlaamse contreien' komt Vanderhaegen op voor een eigen Vlaams vocabularium en eigen taalregels. Vlamingen moeten 'zich vrij maken van alle mogelijke neerlandofilie'.

Er bestaat volgens hem een complot tegen het Vlaams, dat door Bataafs snobisme en door een kleine groep pro-Nederlandse fanatiekelingen wordt ondermijnd. Het Vlaams 'wordt gefarceerd met Nederlandse woorden'. De Vlamingen hebben hun ziel verkocht. 'Vlaanderen moet afstappen van de vernederlandsing die het via alle soorten van organisaties, waaronder in de eerste plaats de Taalunie, wordt opgedrongen. De Vlamingen moeten beseffen dat hun taal Vlaams is, dat Vlaams voor Vlaanderen de taal is van de vrijheid.'

Vlaanderen 'heeft het juk gedragen van de Spanjaarden, de Oostenrijkers, de Fransen, de Hollanders en de Duit sers'. De taal, verdedigt Vanderhaegen zijn Operatie Vlaam se Taal, 'is gans het volk, en de taal en het volk vormen de natie'. Ten oorlog, roept Vanderhaegen. Het Groot Dictee van Nederlanders én Vlamingen is in gevaar. 'Degelijk en correct Vlaams schrijven' wordt in de spelling van de taalploeteraar Vanderhaegen 'deegeleik ên korêkt Vlaams schreiven'. Zo wint de Vlaming altijd het Vlaams dictee, en de Nederlander het zijne. E(r is geen spellingstrijd meer. 'De eenvaud zêlve!'

Het Groot Dictee der Nederlandse Taal wordt georganiseerd door productiemaatschappij Men at Work, in opdracht van de nps, in samenwerking met de Volkskrant en De Standaard. De opnamen van het dictee worden maandag 20 december uitgezonden, om 19.58 uur op Nederland 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden