'Geen enkele Van Est huilde, van brullen hield vader niet'

Wim van Est is een van Nederlands meest legendarische wielrenners. Hij zag nergens gevaar, ramde overal tussendoor. 'Die vrijheid, heerlijk.' Met Gerrit Schulte kon hij niet door één deur....

IK WAS ACHT jaar toen Wim van Est in 1951 van de Aubisque afviel. Zijn hart stond even stil, en het mijne ook. Een Pontiac had ik niet. Hij was mijn sportidool, dus schreef ik hem een troostende brief. Per kerende post kreeg ik een gesigneerde foto. Het werd de aanzet tot een uitgebreide handtekeningenverzameling.

Later kruisten onze paden elkaar menige keer. Hij de oud-wielrenner, ik de wielerjournalist. Mijn idool veranderde in een plezante gesprekspartner, een en al bonhomie, een gulle lach, een warme handdruk, en boordevol anekdotes. Dat iemand als Bekende Nederlander naast zijn schoenen kon lopen, was hem volslagen onbekend.

De foto heb ik uiteraard nog steeds. Na jaren kwam ik deze week opeens een ongesigneerde kopie tegen. Van Est met een zweem van een glimlach op de mond, de blik op oneindig, een strakke scheiding in de met brillantine gladgestreken haren, op het wielershirt de naam van sponsor Ceylon.

De foto staat in Het IJzeren Uurwerk - Wim van Est, zijn levensverhaal, opgetekend door John Linse, werkzaam bij Sport International. Het is een verhaal dat al jaren terug geschreven had moeten worden. Maar het schijnt dat de vraagprijs van de Levende Legende geruime tijd een sta-in-de-weg was. Tot opeens het toeval Linse een handje hielp. Misschien gewoon een kwestie van de juiste man op het juiste moment op de juiste plaats.

Het IJzeren Uurwerk is geen biografie; vergeefs zal men bijvoorbeeld naar een geboortedatum zoeken. Het is ook geen autobiografie, al neemt Van Est elk woord voor zijn rekening en is Linse in feite slechts het doorgeefluik, vriendelijker gezegd: de chroniqueur. Het is evenmin de geschiedschrijving van het wielrennen in de jaren vijftig en zestig, al vult dat uiteraard vele bladzijden. Het is ook geen sociaal-geografisch verslag van het armoedige bestaan in West-Brabant vóór de Eerste Wereldoorlog, al vertelt Van Est daar zeer beeldend over.

Nee, Het IJzeren Uurwerk is niets van dit alles, maar tegelijkertijd is het alles van dit alles. Het is een boek met herinneringen - vaak zeer gedetailleerde. Met anekdotes die vragen om geciteerd te worden. Met stoere, ongenuanceerde wielerverhalen. Met ontroerende terugblikken. Met een soms wat gekleurde waarheid. Met een lach en een traan.

Het is een boek waarin veel wordt verteld, maar ook veel wordt verzwegen. En met een slot waarbij ieder commentaar overbodig is: 'Ik heb me voorgenomen om elke begrafenis van een bekende bij te wonen. Dat betekent dat ik elke week wel twee keer op een kerkhof sta. Soms verontschuldig ik me zelfs bij de pastoor voor de mis op zondag. Dan vind ik dat ik te veel kerken gezien heb. Er gaan veel wielrenners en bekenden uit de wielersport dood. Telkens komt dan m'n eigen verdriet aan de oppervlakte. Dan sta ik daar en denk aan Mieke.'

Wim van Est - van 1923 - wist het al vroeg: ik word sporter. Het leverde hem een gulden op van tante Anneke Simons ('een echt sekreet'), die wat hardhorend was, en verstond dat hij pater wilde worden. Zijn oudere broer Adriaan, die aankondigde het vak van boerenknecht te ambiëren, kreeg niks.

Wanneer hij met zijn vrienden op het schoolplein in Fijnaart 'fietste' met hoepels, was hij steevast Cor Wals. Op de baan van Oudenbosch zag hij halfgoden als Valentijn en Braspenninckx, 'maar je wist ook dat het onbereikbaar was' voor de op een na oudste in een gezin van zestien kinderen, een doodgewoon aantal in het toenmalige Brabant, waar de pastoor er nog de wind onder had. 'Als die op weg was om iemand te bedienen, dan wist je: op je knieën. Al kroop je door de modder. Want de pastoor, dat was iemand.'

Dat je van hard werken niet doodging, leerde Wim al vroeg van zijn vader Peet, keuterboer en dagloner, 'die kon afzien, die was van graniet'. De school was bijzaak; om vier 's ochtends zat de achtjarige Wim al op het veld om spinazie te snijden en te kisten. Of om de koeien te melken. Protesteren, huilen? 'Geen enkele Van Est huilde. Van brullende kinderen hield vader niet. Dan kon je nog een paar petatten krijgen.'

In de oorlog werd de handelsgeest vaardig over de opgroeiende Van Est. Als wielrenner zou hij daar later nog veel profijt van hebben. Hoewel onderduiker zette hij met Adriaan thuis een clandestiene groene-zeepziederij op, ze maakten lijnolie, kochten en verkochten banden en ruilden bonnen. 'Alles waar maar geld in zat, alles in het zwart.' En op zondag liep de onderduiker gewoon de cafés af en dan riepen de Duitse soldaten: 'Da ist der Wimme.'

Ten onrechte wordt vaak gedacht dat Wim van Est er een van 't Heike is. Pas tijdens de oorlog leerde hij die nederzetting kennen, èn zijn latere vrouw Mieke. 'Ik ben nooit meer weggegaan. Ik voelde me er direct thuis.' Hij viel voor de hechte gemeenschap, de hartelijkheid, het ruige ook. Hij leerde er smokkelen. 'Heel Willebrord was 's nachts onderweg. Vier, vijf groepen met ieder veertig, vijftig dragers.'

Toen hij werd betrapt, kwam het hem op een half jaar Bredase Koepel te staan. Hij was net zes weken getrouwd en dank zij een weddenschap beginnend wielrenner, die al snel 'eeuwige tweede' heette nadat hij in 22 koersen op een rij tweede was geworden. 'Bij iedere bocht kwamen ze naast je rijden: hun knie onder mijn stuur en daar lag ik weer. Wel vier keer in zo'n ronde. Maar opstaan, hè, bijkomen, knallen.' Afzien had hij immers van zijn vader geleerd.

Valentijn en Middelkamp zagen het: die Van Est, die heeft wat in zijn mars. Alleen pech hield hem in 1948 op de Cauberg - toen nog een echte steile bult - van de wereldtitel af. Het zette hem aan prof te worden 'in een echte krukkenploeg'. Oude, maar slimme coureurs die hem het zware werk lieten opknappen. In de Ronde van Nederland nam hij de een na de ander op sleeptouw, Van Nek, Braspenninckx, Joossen. 'Ik had geen tijd om te vreten.'

Totdat Middelkamp tegen hem zei: 'Je moet ze de kloten kussen, joh. Ga voor jezelf rijden.' Die raad heeft hij altijd voor ogen gehouden.

De koers hard maken, solorijden, hij kon het als geen ander. Doe het niet, zei hij tegen amateurs die met hem wilden trainen. Maar ze waren eigenwijs en bleven in zijn wiel hangen. Dagen waren ze uitgeschakeld. Het bleef niet onopgemerkt. Namens Garin bood ploegleider Lomme Driessens hem een contract aan, 680 gulden per maand. Hij tekende. Waarna het addertje opdook: of hij meteen wilde doorreizen naar de Giro om Fausto Coppi bij te staan.

In Milaan - twee dagen per trein onderweg - maakte de Brabander kennis met het fenomeen sportheld. 'Coppi was een afgod voor z'n fans. Zoiets had en heb ik later nooit meer meegemaakt. De mensen legden zakdoekjes op de weg, in de hoop dat hij eroverheen reed.' Iedere avond, tot diep in de nacht, liep het volk te hoop voor het hotel. Aan de voorkant lagen de knechten wakker van de herrie, aan de achterkant sliep Coppi in alle rust.

Coppi was nerveus, serieus en leefde in zijn eigen wereld. Nee, dan Bartali. dat was een pias die nooit voor twaalven naar bed ging. 'En dansen, hè. Bartali deed niets liever dan dansen met een mooi wijf.'

Coppi was een groot coureur, maar 'Driessens maakte hem nog groter'. En hij werd zo goed geprepareerd. Onomwonden: 'Die nam gewoon een handje pillen en spoelde het voor de koers met een drankje weg. Een echte slikker.' Anquetil, Bobet, Derijcke. Allemaal dood, allemaal 'pakkers, dat zeker'. En hoe zat het met Serge Coppi? En met zijn grote vriend Koblet? Of neem zijn eigen (fietsende) broer Piet. Die leende vijfduizend gulden om de handel van een Belgische coureur over te nemen, 'een echte drogeur'. Ook Piet stierf vroeg, aan kanker.

'Ik heb altijd rustig aan gedaan. Ik pakte als ik presteren moest. Niet uit gemakzucht, dan gaat het fout. En nooit te veel.'

Ook: 'Ik ben altijd een handelaar geweest.'

Wim van Est hield van het fietsen, van het afzien, van lekrijden en toch weer terugkomen in het peloton, van demarreren. 'Maar je was beroepsrenner. Je deed het voor de poen.' Merkwaardig daarom dat iemand met zoveel handelsgeest, met zoveel oog voor geld, zich zovele tienduizenden door de neus heeft laten boren. Door ploegleiders, door sponsors en door medecoureurs. Hij noemt ze met naam en toenaam: Pellenaars ('wij trapten, hij vulde zijn zakken'), Kubler, Driessens, Post.

Vele beloften onderweg, maar de meeste bleken aan de eindstreep loos. Behalve die van Rik van Steenbergen. Over hem geen kwaad woord. Die betaalde altijd en prompt. Drie keer maakte Van Est hem volgens eigen zeggen wereldkampioen. 'Ik zorgde wel voor mezelf, ik heb altijd veel verdiend bij het wk. Soms wist ik al maanden tevoren voor wie ik zou rijden. Meestal voor Van Steenbergen, een enkele keer voor Coppi.'

Nooit voor Schulte. Met hem kon Van Est eigenlijk niet door één deur. 'Die werd groot geschreven en groot gemaakt. Op de baan was hij klasse. (. . .). Maar gewoon op de weg, dan had ik geen oog voor Schulte. Ik kon veel harder rijden.' Behalve die ene keer, in de Ronde van Nederland waarin hem tijdens een tijdrit in vliegende vaart een bestelwagen passeerde. Tussen de opengeslagen deuren: Schulte. Op dat moment had Van Est een voorsprong van een minuut of vijf.

En de Nederlandse wielerunie? 'Die uitvreters! Die gangsters' Drie Nederlandse titels hebben ze hem onthouden, dat weet hij zeker. Die van 1948, 1949 en 1950. 'Ik zou voor hen moeten rijden? Voor die amateurs? Daar had ik het kak aan.'

Bordeaux-Parijs, de Vlaamse klassiekers ('ik voelde me Belg onder de Belgen'), maar vooral de Tour waren Van Est's lust en leven. 'Ik zag geen gevaar, ramde overal tussendoor, ik ging binnendoor en buitenom. Die vrijheid, heerlijk.' Hem viel als eerste Nederlander de eer van de gele trui te beurt. Dat was onder Pellenaars, met wie hij later zwaar gebrouilleerd raakte, maar met wie hij zich op diens sterfbed verzoende. 'Voor hij stierf gaf hij me z'n jachtgeweer. Jagers weten wat dat betekent.'

Het wielereinde kwam in 1964. Hij won dat jaar nog vier koersen. Kon zelfs bijtekenen. 'Ik wilde wel, het was m'n lust en m'n leven. Maar je moest er een keer een streep onder zetten.' Ik was dat jaar 21 en hij was nog steeds mijn idool.

Frans van Schoonderwalt

John Linse: Het IJzeren Uurwerk - Wim van Est, zijn levensverhaal.

De Arbeiderspers; f 25,-.

ISBN 90 295 2783 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden