Gedeporteerd, verdwenen en vergeten

De Nederlandse sportbonden hebben hun oorlogsslachtoffers vaak vergeten. Vandaag wordt bij het Olympisch Stadion in Amsterdam voor het eerst echt werk gemaakt van een nationale herdenking voor de in de Tweede Wereldoorlog omgekomen sporters, onder wie de leden van de joodse turnploeg van 1928....

Ze waren een vergeten ploeg, van ver voor de Tweede Wereldoorlog, die slechts mondjesmaat in de herinnering terugkeerde. Toen teamlid Ali van den Bos de honderd jaar naderde en uit Lausanne een orde van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) ontving, stond de kampioensploeg van de turnsters die in 1928 in Amsterdam het olympische goud kregen omgehangen, eindelijk weer eens in de belangstelling.

Dat vijf turnsters en de coach van die ploeg joods waren en de gevolgen van de holocaust zo zeer aan den lijve ondervonden, was slechts een voetnoot in de Nederlandse sportgeschiedenis. In 1997 werd dat goedgemaakt door de International Jewish Sports Hall of Fame uit Israël.

De Nederlandse olympische kampioenen van 1928 – vijf van de twaalf waren joods – werden door het Wingate Instituut als ‘Dutch Olympians’ in de eregalerij der groten uit de joodse sport opgenomen. Daarin stond Mark Spitz, de gouden zwemmer van 1972, vooraan. Hij werd in 1979 gekozen. De Nederlandse turnsters kwamen achttien jaar later aan de beurt: Stella Agsteribbe, Anna Polak, Lea Nordheim, Judikje Simons, Elka de Levie en coach Gerrit Kleerekoper.

De prijs, een plaquette van goud, kwam in handen van het ministerie van Sport (VWS). Er waren van de joodse turnsters geen familieleden te vinden. In 1999 werd de plaquette overgedragen aan Herinneringscentrum Kamp Westerbork en enige tijd tentoongesteld. Van de plaquette is een digitale afbeelding beschikbaar.

Jeanne Tielrooij, oud-turnster en oud-bestuurslid van de Amsterdamsche Turn Bond ATB, en haar man John, oud-voorzitter van de ATB en van het grote gymnastiekverbond, de oude KNGV, kennen maar één openbaar herinneringsteken van joodse turnsters. Het is een klein beeld van een mannelijk naakt, met daaronder in steen gebeiteld: ‘Aan onze gevallen makkers, 1940-1945’. Het hangt in een verloren hoekje aan de gevel van een voormalig turngebouw aan de Nieuwe Passeerderstraat in Amsterdam, onttrokken aan de aandacht.

Op 3 mei 1952 werd het onthuld. John Tielrooij (82): ‘Er was een behoorlijke belangstelling. Elk jaar op 4 mei keerden we terug op die plek. Tot we, in 1965, nog met zijn tweeën daar stonden. Evert de Bie en ik. De betrokkenheid dooft, een generatie sterft uit. Toen zijn we er mee opgehouden.’

Bij de onthulling werd gesproken over de honderden turners die in de Tweede Wereldoorlog waren omgekomen. Zoals bij de overwegend uit joodse turners en turnsters bestaande vereniging Vlugheid & Kracht. Jeanne Tielrooij, destijds met nog drie ‘christenen’ lid, herinnert zich de heroprichtingsvergadering die na de oorlog werd belegd nog goed.

Jeanne (86): ‘We waren met dertig oud-leden samengekomen. Dat waren de overlevenden. Onze joodse sportvrienden waren verdwenen. Dat is hard aangekomen. Voor de oorlog bestond Vlugheid & Kracht uit een kleine tweehonderd leden. Het HBS-gymlokaal aan de Mauritskade was ons clublokaal, het was een echt fijne gymclub.

‘Van die bloeiende vereniging herinner ik me Johnny Coster, hij was een heel goede turner. Hij zat in het Nederlandse team. De club is uiteindelijk niet heropgericht. De vergadering is een reünie geweest. Met dertig man viel de club geen nieuw leven in te blazen. De oorlog had een enorm gat geslagen in het ledenbestand.’

Ook de toesteltrainer van de nationale vrouwenploeg, Gerrit Kleerekoper, die zijn team voorbereidde op de Spelen van Amsterdam 1928, was joods. Hij besloot buitentrainingen in te lassen. De olympische wedstrijden werden in de buitenlucht gehouden.

In Kroniek van de Olympische Spelen neemt Ali van den Bos het later nog eens op voor Kleerekoper die niet op de officiële kampioensfoto stond. ‘Aan Kleerekoper dankten we de overwinning. We hadden hem erbij moeten halen toen de foto werd gemaakt. Daar hebben we toen in de opwinding even niet aan gedacht.’ Na de oorlog werd Kleerekoper door de Amsterdamsche turnbond ATB herdacht met de Gerrit Kleerekoper Beker, een officieel toernooi.

De naam van Kleerekoper wordt ook genoemd in de geschiedschrijving van de ATB. Daarin worden in de alinea’s over de oorlogsjaren uitsluitend de in de vernietigingskampen omgekomen bestuursleden, trainers en coaches genoemd. Over de actieve leden, toch olympische kampioenes, wordt gezwegen.

Voor het turnen was de oorlog een moeilijke tijd. De ATB werd ‘tot wanhoop gedreven’, zo staat beschreven. ‘In september 1941 kwam het verbod dat de joden geen openbare gebouwen meer mochten betreden. Op 1 november werd bovendien in een verordening bepaald dat het aan joden niet was toegestaan functies in het openbare en het verenigingsleven te vervullen.

‘Voor de ATB een funeste bepaling, vooral als wij bedenken dat in het bestuur de makkers A. Montanjees en A. Posener moesten aftreden en de Technische Commissie haar leden, mej. Rosien van Praag en Jac. Gobes van verder werken voor de lichamelijke opvoeding moest uitsluiten.’

De vier zouden sterven in de vernietigingskampen van de nazi’s.

De deportaties troffen ook de turnsters van de nationale ploeg van 1928 ongenadig. Via Westerbork werd Lea Nordheim afgevoerd. De olympisch kampioene was de echtgenote van Abraham Kloot en de moeder van Rebecca Kloot. Ze was kapster en 39 jaar oud, toen ze eind juni 1943 uit Drente op transport werd gesteld, naar Sobibor in Oost-Polen. Op 2 juli werd het hele gezin, waarschijnlijk al een uur na aankomst, met gas om het leven gebracht.

Een andere olympische kampioene, Anna Polak, maakte enkele weken later dezelfde reis. Ze was, 36 jaar oud en gehuwd met Barend Dresden uit de Van Woustraat in Amsterdam. In Westerbork moet Anna herenigd zijn met haar zesjarige dochter Eva die met het kindertransport uit Vught was aangevoerd. De twee stierven op 23 juli 1943 in Sobibor, het kamp waar in vierënhalve maand tijd 38duizend Nederlandse joden de dood vonden. Barend Dresden stierf op 30 november in Auschwitz.

Er was één Nederlandse jodin uit de turnploeg van 1928 die de vernietigingskampen overleefde. Elka de Levie, in 1926 Amsterdamse kampioene bij de befaamde Steenwedstrijden, kwam terug naar Nederland. Haar naam, later Elka Boas, zegt de turnwereld nauwelijks iets. Ze stierf in 1979 in betrekkelijke anonimiteit.

Wel wordt de gouden verrichting van toen nog wel eens aangehaald, zoals bij de opening van een grote wedstrijd als de Europese kampioenschappen van vorig jaar, in Amsterdam. KNGU-voorzitter Frans Koffrie: ‘Toen heb ik herinnerd aan de eerste olympische vrouwenwedstrijd, die van Amsterdam in 1928. Door de Nederlandse ploeg gewonnen. Daarna hebben we eigenlijk nooit meer iets gewonnen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.