Fascinatie voor menselijk potentieel

Peter Murphy nam op 1 juni afscheid als prestatiemanager van NOC*NSF. Nu is hij op olympisch niveau vooral de coach van de coaches....

Het was misschien een ietwat vreemde ontmoeting op het landgoed Culitsrode in het Brabantse Hooge Mierde, de thuisbasis van de hippische familie Bartels. Een voormalig volleybalbondscoach en een ploegleider van de wielerploeg van Rabobank troffen er elkaar. Frans Maassen sprak, Peter Murphy luisterde vooral. Maar de laatste stuurde de eerste ongemerkt de richting uit waar hij hem hebben wilde.

Murphy was al coach van de olympische coaches, sinds dit seizoen is hij ook opleider van de ploegleiders van Rabobank. Weer een bastion omver.

‘Ik vond het wel een goede zet dat ze belden’, zegt Murphy daarover. ‘Het getuigt van visie. Hoeveel het zal bijdragen aan succes? Dat weet je nooit.’

De ploegleiders zijn in elk geval enthousiast. ‘Misschien is het niet gebruikelijk dat bij ons de deur wordt opengezet voor buitenstaanders’, erkent Frans Maassen. ‘Het zou normaler moeten zijn. Waarom? Ik heb als renner zelf met Jan Raas en Hilaire Vanderschueren te maken gehad, daar hoorde je vaak dezelfde dingen. Door Murphy heb ik mezelf beter leren kennen en heb ik in mijn benadering naar de renners geleerd dat niet iedereen hetzelfde op mij reageert. Dat karakters verschillen.’

De ploegleider moet bij Rabobank een rennercoach worden. De coureur die van de fiets in de auto stapt en alleen maar achter de nieuwe generatie aan scheurt, voldoet niet langer aan de eisen van deze tijd. Die ambitie sprak Murphy aan. Hij stelde een programma op, bezocht het trainingskamp van de wielerploeg, volgde wedstrijden en kwam tot de conclusie dat het een professionele organisatie betrof die zich bereid toonde de blik naar buiten te richten zoals de paardensport dat pakweg tien jaar geleden deed.

‘Ik heb een groot respect voor de mensen gekregen. De openheid is opmerkelijk, er is veel vertrouwen en ze zijn bijzonder leergierig. Niemand vroeg zich af wat ik te zoeken had in de wielersport. Als dat wel zo was geweest, had ik dat ook geweldig gevonden. Ik noem dat altijd de arrogantie van de domheid. Zoiets gaat zich namelijk altijd tegen je keren. Het is een kwestie van tijd. Uiteindelijk zal de arrogantie verdwijnen en haken ze aan, omdat ze anders op achterstand raken.’

Murphy heeft de sportcoaching het laatste decennium naar een hoger plan getild. Daar is hij zelf ook onbescheiden over. ‘Ik denk dat ik daar wel een stempel op heb gedrukt de afgelopen jaren’, zegt hij.

Murphy ontwikkelde het zogenoemde ‘action type’, waarin hij gebruikmaakte van bestaande assessments, maar die hij toepasbaar maakte voor de topsport. Zijn visie op coaching is in de Nederlandse sport de laatste jaren gemeengoed geworden.

De oud-volleybalcoach schreef er in 2006 een boek over, Totaalcoachen, de noemer waaronder hij zijn model schaarde. Zijn tweede boek ligt bij de drukker.

Na zijn afscheid als prestatiemanager bij NOC*NSF ligt voor Murphy de nadruk nog meer op zijn rol als coachopleider. Samen met Joop Alberda initieerde hij de MasterCoach in Sports, een speciale opleiding voor bondscoaches. Technisch directeur Maurits Hendriks heeft hem onlangs gevraagd een olympische masterclass te ontwikkelen voor de topcoaches.

Maar de directe betrokkenheid met wat in 2012 op het olympische speelveld gebeurt, verdwijnt. Missen gaat hij dat niet. Op die manier denkt hij niet. Zijn leven is gewoon in een andere fase gekomen, met andere uitdagingen.

Toen hij in het volleybal het coachschap opgaf, vroeg hij zich ook niet af of hij ooit nog naar de interactie met de spelers zou verlangen. ‘Ik kom nu in een fase dat ik meer de coach van de coach ben geworden. Die rol past me. En ik zal die Spelen van Londen heus wel meemaken.’

De voormalige fysiotherapeut heeft een bijzondere fascinatie voor het coachen. Begin 20 was hij, toen hij stopte als spelverdeler. Hij vond dat er te weinig werd getraind. Drie keer in de week zette geen zoden aan de dijk, dan zou hij 30 zijn als hij het spelletje eindelijk een beetje onder controle kreeg. Als speler kon hij niets aan die situatie veranderen, als trainer wel.

Kwaliteit uit mensen halen, dat fascineert hem. ‘Als je twintig mensen op straat vraagt wat hun talent is, weten ze dat niet. Talent heb je van nature, dat is een kenmerk van talent. Zelfkennis is daarom de basis van succes. Het zelfbeeld is essentieel voor een coach en sporter om verder te komen.’

Hij raakt geïnspireerd door mensen met dromen, die iets willen bereiken maar niet weten hoe en wat. Die mensen wil hij op weg helpen. Op welk niveau die mensen acteren, is van minder belang. Wel moet er het aspect van winnen en verliezen inzitten.

In het bedrijfsleven had Murphy zonder twijfel meer kunnen verdienen, hij doet er ook wel ‘dingetjes. Maar naar de sport keer ik altijd terug. De druk van winnen en verliezen, met alle gevolgen, moet er zijn, anders wordt het saai.’

De Udenaar zegt dat hij een positief mensbeeld heeft. Hij zet geen stempels vooraf. ‘Even iemand een stapje laten zetten waarvan hij niet in de gaten had dat hij dat kon, daar gaat het voor mij om. Het menselijk potentieel is onuitputtelijk. Ik zie vrij snel waar de mogelijkheden liggen. In die sfeer voel ik me goed. Maar ik heb mezelf ook veel moeten leren. Ik ben self made. Het is een ontdekkingsreis waarbij je af en toe palen moet slaan waar je bent geweest.’

Murphy is altijd de man op de achtergrond. Hij is overal, maar valt nooit op. Hij leest, hij luistert, hij observeert en volgt de bewegingen op het speelveld.

Hij is ook de man van de grote verbanden. ‘Je hebt mensen die de koers bepalen, en er zijn mensen die achter de schermen opereren. Dat heeft mijn voorkeur. Ik neem niet graag de leiding. Maar ik kan die rol wel spelen.’

Het was Anky van Grunsven, zijn absolute tegenpool, die hem dat tien jaar geleden leerde ontdekken. ‘Zij is extraverter, veel praktischer gericht, een actieve doener. Door haar heb ik mijn niet-voorkeurskant leren kennen. Om met haar te werken, heb ik me haar stijl eigen moeten maken.’

Andersom hield hij de amazone een spiegel voor. Murphy analyseerde de motorische stijlen van Van Grunsven en concurrente Isabell Werth. De olympisch kampioene bleek een voorkeur te hebben voor rijden met haar handen, de Duitse bleek met haar hele lichaam te sturen. ‘Van Grunsven dacht: iedereen rijdt zoals ik rijd. Toen ging er een lamp branden. Ze is stijl-flexibeler geworden. Ze heeft haar lesmethode aangepast.’

De moderne topcoach, in de terminologie van Murphy de ‘3.0-coach’, moet op allerlei niveaus kunnen schakelen. Het topsportklimaat vraagt erom. Coachen is een geaccepteerd en gerespecteerd vak geworden. ‘De coach moet ook gids, trainer, mentor, inspirator zijn. Ik denk dat we in die ontwikkeling de afgelopen jaren de cirkel rond hebben gemaakt.

‘De copycat, be like me, ben ik veel tegengekomen. De coach die spelers wil met zijn eigen voorkeuren, die niet uitging van het talent van de ander. Maar dat leidt tot niets, hooguit tot kortetermijnresultaat. Je moet maatwerk leveren, gedragsvoorkeuren weten en vinden, tendensen, en die gebruiken om te coachen. Het gaat er bij een smaakvol gerecht ook om de verschillende ingrediënten op het juiste moment toe te voegen.’

Zo ontwikkelde hij zijn ‘action type’-model. Hij gebruikte het onder meer om, op verzoek van bondscoach Foppe de Haan, een profiel te schetsen van de voetballers van Jong Oranje voor het EK 2007. ‘Ik kijk naar vaardigheden, naar persoonsontwikkeling. Hoe zit het met je zelfkennis, leer je van je fouten? Dan gaat het erom: wat kun je verbeteren, wat kun je als coach uit je sporter halen?

‘Het is een misverstand dat coaches dingen in sporters stoppen. Die bronnen zitten al in die persoon, alleen moeten ze op een bepaalde manier worden ontwikkeld. Dat is de uitdaging.’

Op de vraag of coaches sporters of ploegen kampioen maken, laat hij een stilte vallen. Dat AZ zonder Louis van Gaal ook kampioen zou zijn geworden, vindt hij ten minste twijfelachtig. Murphy speculeert niet graag. ‘In het vak van coaching moet je ingetogenheid en terughoudendheid betrachten.’

Hij wil best constateren dat Van Gaal een topcoach is, die kan schakelen op alle niveaus. ‘Of Van Basten dat niet kon? Bij Ajax heb ik er geen kijk op. Van het veld naar de coaching is een omschakeling, maar mogelijk. De een doet het snel, de ander langzaam. Blijkbaar heeft Marco gekozen voor een pas op de plaats. Hij zal zelf wel met het antwoord komen.

‘Ik weet niet of ik hem had kunnen helpen. Ze hebben het nooit gevraagd. Punt. Je lost dingen ook vaak niet even op, het gaat om processen. En in een sport als voetbal overschaduwen de resultaten het proces en is de coach als hij niet uitkijkt de klos. Maar als je je als coach fixeert op de resultaten, ga je er als coach ook af.’

In sport zit veel angst, constateert hij. Angst om te winnen, om te verliezen. ‘Als je in het coachschap wilt slagen, moet je met jezelf de afspraak hebben gemaakt dat je een leven lang leert. Elke dag maak ik ook fouten. Je ontkomt er niet aan. Je mag er alleen geen angst voor hebben. Als je angst maskeert, ga je ten onder. Je moet gewoon willen, kunnen, durven en doen. Dat is de truc een beetje.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden