Ernesto Hoost: Op tijd gestopt

Hij heeft in zijn carrière veel klappen gehad, maar nog niet teveel, denkt Ernesto Hoost. Dus stopt hij met kickboksen....

De tranen waren hartverscheurend. De wanhopige Japanners krijsten. Ze sprongen op en neer en sloegen wild om zich een. Nog een keer wilden ze hem aanraken. Hoosto! Hoosto! Please!

In de Tokyo Dome liep Ernesto Hoost door, overmand door emoties, op weg naar de uitgang van zijn carrière. Maanden kon hij zijn gevoelens wegstoppen, nu drong het ineens tot hem door. Dit was de laatste keer geweest. Nooit meer zou hij in de ring staan. Nimmer zou hij doen waar hij 23 jaar lang in uitblonk. Hij was held af.

Na de finale van de World Grand Prix, het K1-toernooi dat hem groot maakte en dat hij vier keer won, werd de Nederlander gehuldigd. Mannen tegen wie hij had gevochten, omhelsden hem. De nieuwe wereldkampioen Sem Schilt overhandigde hem een paar gouden handschoenen. Het deed hem wat.

Eigenlijk was hij helemaal niet van plan geweest nog eens mee te doen aan de World Grand Prix. Hoost wilde in 2006 geen toernooien meer vechten. Hij zou alleen nog de zogenoemde ‘supergevechten’ doen. Met zijn 41 jaar werd het tijd zichzelf in bescherming te nemen. In zijn baard waren grijze haren gekropen en het gestaalde lijf bleek blessuregevoelig.

Maar zijn laatste optreden in eigen land, het land dat hem toch al nooit in de armen sloot, liep in mei op een fiasco uit. Zijn beoogde tegenstander, aartsrivaal Bob Sapp, kwam niet opdagen. De Nederlander Peter Aerts, drievoudig wereldkampioen K1, werd op het allerlaatste moment bereid gevonden de plaats van de Amerikaan in te nemen. Hij leende een broekje en stapte ongetraind de ring in. Het gevecht werd een farce.

Toen daarna ook nog eens een geplande tweekamp in juli geen doorgang vond, liet Hoost zich overhalen tot een laatste avontuur in Tokio. Hij strandde er vorige week zaterdag in de halve finale.

Een uur na dat gevecht vroeg iemand of hij interesse had in een eindejaarsoptreden. Geen denken aan, was het antwoord van Hoost. ‘Ik heb bewust afscheid genomen. Ik wist waar ik mee bezig was. Ik vind het wel goed zo.

‘Ik kan nog een partij doen, en nog een, en nog een. Maar dan is het wachten tot het een keer flink misgaat. En misschien gaat het niet in één keer mis, maar krijg je door een verminderd reactievermogen gewoon te veel klappen en gaat het over tien jaar mis.

‘Ik heb veel dreunen gehad in mijn carrière. Maar als ik naar andere vechters kijk, die heel goed kunnen incasseren, dan denk ik: ik ben blij dat ik dat niet wil of kan. Sommige jongens vinden het bijna prettig klappen te krijgen. Ik niet. Ik vond het leuk om uit te delen, maar niet om te ontvangen.’

Hij heeft in al die jaren zijn pijngrens verlegd. Dat ging vanzelf. De adrenaline verzachtte de opgelopen schade en de roes van een toernooi werkte als morfine. Misschien is dat wel het gevaarlijkste geweest al die jaren.

Hoost zegt niet voor niets dat hij het altijd belangrijk heeft gevonden dat hij is blijven nadenken. Hij wil de komende tijd veel boeken gaan lezen. En hij blijft Japans studeren. Dat heeft hij altijd gedaan. Aan de ene kant omdat hij zich graag verstaanbaar wilde maken in het land waar de mensen hem aanbidden, aan de andere kant omdat hij zijn hersens wilde blijven trainen.

Hij maakt zich zorgen dat hij straks niet in staat zal zijn zijn kinderen te helpen bij hun huiswerk. Zijn grootste kwaliteit is dat hij in staat is geweest relatief weinig klappen te incasseren, vertelt hij. Anders zou hij het ook nooit zolang hebben volgehouden. ‘Ik kan gelukkig nog normaal praten, maar af en toe vergeet ik wel eens wat. Dat heeft zeker te maken met het feit dat ik vaker op mijn hoofd ben geraakt dan normaal.’

Zijn hersenscans brachten nooit problemen aan het licht. Maar bij geheugentests bleek dat zijn korte-termijngeheugen slechter was geworden. ‘Dat heeft me beziggehouden. Ik schrok er niet van, maar ik heb wel gedacht: ik moet hier serieus over gaan nadenken. Aan de andere kant was het ook zo dat ik het gevecht gewoon weer aanging. Mijn drijfveer won het van het gezonde verstand.’

Bang is hij ook nooit geweest. De knop ging automatisch om. Er zijn wedstrijden waarvan hij op voorhand dacht: als dat maar goed afloopt. ‘Misschien is dat een bepaalde vorm van angst. Maar op het moment dat je in de ring staat, is het toch anders. Als je echt bang bent, kun je geen gevecht aangaan. Dan weet je dat je gaat verliezen.

‘Ik heb altijd gedacht: wat hij bij mij kan doen, kan ik ook bij hem. Kickboksen is een groot psychologisch spel. De tegenstander kijkt je aan en wie het eerst zijn ogen wegdraait, heeft verloren.’

Het is hem een keer overkomen. ‘Twee jaar later stond ik tegenover dezelfde tegenstander. Ik besloot hem niet aan te kijken of anders recht in zijn gezicht uit te lachen. Ik won met overmacht.’

Hoost was nimmer de verpersoonlijking van de brute kracht. Hij onderscheidde zich van de anderen door zijn technische vaardigheid. Hij dankte er zijn bijnaam Mr. Perfect aan. Maar zijn grootste kracht, vindt hijzelf, was dat hij in de ring nooit in paniek raakte.

‘Een vechter die zich emotioneel niet onder controle heeft, denkt als hij een harde klap krijgt: ho wacht even, die krijg je terug. Daar ga je juist de fout in, dan ben je ongecontroleerd en laat je zien wat je gaat doen. Voor een tegenstander is het heel eenvoudig om daar op in te spelen.’

Emoties mogen geen rol spelen in de ring. Het is de kunst om ze uit te schakelen. ‘Ik kon dat goed’, zegt Hoost.

In januari van dit jaar overleed zijn vader. Hij werd in Suriname op zijn fiets geschept door een politiewagen. Eerder verloor Hoost een broer bij een verkeersongeval. ‘Ik heb vorige week af en toe in mijn hoofd gehad hoe mooi ze mijn afscheid gevonden zouden hebben, zeker als ik nog een keer had gewonnen. Maar ze waren er maar zijdelings bij betrokken. Dit moest ik zelf doen, dit was mijn gevecht.’

De namen van zijn broer en zijn vader gingen vorige week niettemin mee de ring in. Hoost liet ze op zijn broekspijpen stikken. ‘Het zijn mensen die een belangrijke rol in mijn leven hebben gespeeld, die wil ik bij me hebben. Maar in hoeverre hun dood mij positief of negatief heeft beïnvloed, kan ik niet zeggen. Dat gevoel komt later pas, denk ik. Ik heb het diep weggestopt, onbewust.’

Dat hun beider dood onverwacht kwam, heeft het rouwproces bemoeilijkt, geeft hij toe. Zeker dat van zijn vader.

‘De medische wetenschap in Suriname is niet hetzelfde als in Nederland’, zegt hij. ‘Misschien is het valse hoop en geen eerlijke gedachte, maar ik denk dat mijn vader in Nederland het ongeluk zou hebben overleefd. Hij is niet goed behandeld.

‘Mijn band met Suriname werd ook minder vanaf het moment dat hij overleed. Het is het geboorteland van mijn ouders, ik heb er nog familie, maar ik zou er niet willen wonen. Dan ga ik liever naar Japan.’

Daar wordt hij aanbeden als een held. In Nederland wordt hij steevast gepasseerd voor de sportverkiezingen van het jaar. ‘Ik heb al die jaren in twee werelden geleefd’, zegt hij.

Liefst zou Hoost zich maanden terugtrekken op het Japanse platteland om er de taal goed te leren spreken. Daarna zal er een wereld voor hem openliggen. Hij kan overal optreden. In Japan is hij naast sportman ook entertainer. Hij trad er regelmatig op in televisieprogramma’s.

‘In die programma’s word je geacht grappig te zijn. Maar Japanse humor is anders dan Nederlandse. Daar vinden ze het al leuk als er een neushaar van mij wordt uitgetrokken, of als ik een klap op mijn achterwerk krijg.’

Hoost probeert in zijn twee werelden een evenwichtig mens te zijn. Hij heeft wel eens op straat gevochten, lang geleden, maar de ontvanger had zijn klappen meer dan verdiend, vindt hij.

Dat hij zo lang is doorgegaan, heeft te maken met geld, dat hoeft hij niet te verhullen. Een overwinning in de K1 World Grand Prix leverde 400 duizend dollar op. ‘Maar ik was geen vechter die zich voor een pak centen nog eens in elkaar liet slaan. Ik heb mezelf nooit voor de gek heb gehouden.’

Hij wist als jager precies wanneer hij de trekker overhaalde. ‘Als ik een stoot gaf, voelde ik op het moment dat die stoot vertrok: deze gaat raak, dit is een knock-out.’

Hij kende zijn kracht, maar ook zijn grenzen. ‘Ik heb een paar keer de tegenstander zo zwaar geraakt dat hij bleef liggen. Sommige vechters vinden dat prachtig, ik niet. Ik vind mezelf menselijk. Ik wilde een tegenstander knock-out slaan, ik wilde graag dat hij tien tellen bleef liggen, maar bij de elfde tel mocht hij van mij weer opstaan. Zolang ik maar had gewonnen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.