Eindelijk erkenning voor de sprint

Sprinten, het weeskindje van de Nederlandse schaatssport, kreeg zondag een volwassen gezicht in de persoon van Jan Bos en in zijn spoor trok hij een handvol talenten mee....

Van onze verslaggever

AMSTERDAM

Uitgerekend Bos staat symbool voor de gereserveerde houding die de Nederlandse schaatsfamilie steevast innam ten aanzien van het sprinten. De huidige wereldkampioen bekeerde zich pas tot de korte nummers, nadat een poging om furore te maken in het allrounden gestrand was. Ook Bos groeide op in het besef dat hij pas voor vol wordt aangezien als hij als schaatsenrijder de lange afstanden beheerst.

Vanzelfsprekend is die attitude historisch gegroeid. De KNSB mag zichzelf daarom verwijten dat het jaren achtereen verzuimd heeft de negatieve aspecten van de vaderlandse schaatstraditie te corrigeren. Kennelijk tevreden met de triomfen van Ard en Keessie en hun opvolgers, weigerde de schaatsbond de sprinters financieel en facilitair een gelijkwaardige behandeling te geven.

Illustratief is dat in het verleden eenzame, maar rijk getalenteerde diamanten als Ykema, Aaftink en Van Velde waren overgeleverd aan bestuurlijk opportunisme. Meermalen werd de sprintploeg met het grootste gemak opgeheven en bondscoaches stonden voor de onmogelijke opgaaf in een of twee jaar de scepsis bij de officials weg te nemen.

Geduld om aanzien te vergaren in de schaatsdiscipline die mondiaal gezien aanmerkelijk breder is dan het allrounden was de behoudende schaatsbond volstrekt vreemd.

Ykema en Aaftink werden zelfs op een moment dat zij door de internationale concurrentie werden beschouwd als potentiële kampioenen, verzocht hun heil te zoeken in de allroundselectie. Dat maakte de bewondering voor hun successen - respectievelijk olympisch zilver en tweemaal derde op een WK - des te groter. De vraag welke status zij bereikt zouden hebben bij een volwassen behandeling, zal hen ongetwijfeld nog incidenteel kwellen.

Pas na het echec van 1994, waar Aaftink en Van Velde figureerden, leek de schaatsbond tot inkeer te komen en werden de eerste voorzichtige pogingen gedaan om een nieuwe cultuur te scheppen. Uit Amerika werd twee jaar geleden een gerenommeerd sprintcoach gehaald, Peter Mueller, nadat eerder al was besloten tot de introductie van een Jong Oranje voor sprinters. Voor allrounders bestond dat opleidingsinstituut uiteraard al veel langer.

De primeur van een nationale jeugdselectie sprint vond plaats in het seizoen 1994/'95 en tot die eerste lichting behoorden onder anderen Jan Bos en Erben Wennemars. Afgelopen weekeinde bewezen zij op 22-jarige leeftijd dat sprinten een apart metier is, waarvoor reeds op jonge leeftijd met de scholing begonnen moet worden. In Rusland en Canada was die stelling al langer bekend.

IJdele officials van de KNSB zullen zich ongetwijfeld trots op de borst kloppen dat zij het klimaat hebben geschapen waarbinnen Bos tot bloei kon komen. Uiteraard is dat ten dele waar, maar evenzo goed dient de schaatsbond te beseffen dat Bos en Wennemars twee zeldzame parels zijn die slechts een sprankje licht nodig hadden om te glanzen. Opvallend is dat beide sprinters zich nog altijd ondergewaardeerd voelen bij de allrounders.

In de aanloop naar Nagano gaat naar hun zeggen nog altijd de meeste zorg uit naar de allrounders, de beoogde gouddelvers, maar Bos heeft aangetoond dat die voorkeursbehandeling niet langer gepast is. Hun coach Mueller verdient de komende seizoenen dezelfde financiële en facilitaire middelen als zijn collega's Gemser en Van der Lende, opdat de successen van Berlijn een vervolg krijgen waaraan toekomstige generaties zich met gepaste trots kunnen spiegelen.

Wybren de Boer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden