WedstrijdverslagNK schaatsen

Eerste serieuze krachtmetingen tussen schaatsrivalen op NK afstanden

Bij de opening van het schaatsseizoen troffen de nodige rivalen elkaar vrijdag voor een eerste serieuze krachtmeting. Zijn er al verrassingen op de NK afstanden? In ieder geval een opvallende afwezige op het erepodium.

Jorien ter Mors ziet Ireen Wüst starten in de afsluitende rit op de 1.500 meter. Ter Mors' tijd blijft overeind, Wüst wordt vierde,Beeld Klaas Jan van der Weij

Ter Mors voelt zich langzaam weer de oude

Vijftien winters achtereen stond Ireen Wüst op het podium bij de nationale kampioenschappen over 1.500 meter. Die reeks eindigt vrijdagmiddag als de regerend olympisch kampioen op 0,06 seconde van het brons blijft steken. De vrouw die vorig seizoen nog als tiende eindigde, wint: Jorien ter Mors.

Het tekent de ontwikkeling die Ter Mors het afgelopen jaar heeft door­gemaakt. ‘Ik voel me langzaam weer de oude Jorien’, zegt de kampioen na afloop. Na haar olympische titel op de 1.500 meter in 2014 begon een periode van blessureleed die jarenlang aanhield. Eerst had ze zichzelf over de kop getraind. Het kostte haar een heel jaar om terug te keren.

Daarna, in 2017, was het haar knie die opspeelde. Ondanks de pijn won ze in 2018 de olympische titel op de 1.000 meter. Ze liet zich opereren, stond weer een winter aan de kant en ondervond er vorig seizoen nog steeds veel last. Dat is nu eindelijk ­gedaan. Ze heeft een goede zomer achter de rug. ‘Dat heb ik al vijf jaar niet meer gehad.’

‘Het schaatsen gaat meer als vanouds’, zegt ze. Het was te zien in haar race. Hoewel het pas haar eerste 1.500 meter van het seizoen is, gaat ze er agressief in. Misschien iets te, in de laatste 100 meter is er weinig over van de souplesse van het begin. ‘De laatste ronde ging wat stroef.’

Het is desalniettemin ruim voldoende voor de winnende tijd: 1.55,50. Achter Ter Mors wordt Antoinette de Jong tweede in 1.55,98. ­Melissa Wijfje, de winnaar van vorig jaar, rijdt met 1.56,66 naar het brons.

Wüst komt met 1.56,72 net tekort voor het podium. ‘Ik baal wel van die zes honderdsten’, zegt ze na afloop. ‘Mijn opening was goed, maar daarna reed ik met een te lange slag.’ Het ritme van haar slagen gaat omlaag en haar rondetijden omhoog. Extra jammer is het dat haar tegenstander, Reina Anema, steeds achter haar rijdt. ‘Ik had niemand om mee te battelen. Maar dat zijn excuses en die wil ik niet zoeken. Ik had harder moeten rijden.’

De laatste keer dat Wüst het podium niet haalde, was in 2005. Ze was toen nog junior. Toch mag het eigenlijk niet verbazen dat Wüst buiten de prijzen valt. Ze is meestal in het begin van de winter nog niet op haar best en dit jaar werd haar voorbereiding ernstig verstoord toen Kjeld Nuis in ­Inzell ­besmet bleek met corona. Sinds beiden dit voorjaar naar de ploeg van ­Gerard van Velde overstapten, zijn ze ploeggenoten. Dus betekende Nuis’ positieve coronatest dat ook Wüst tien dagen in zelfisolatie werd gedwongen.

‘We zitten sowieso in de ploeg waar de klappen vallen’, stelt Wüst vast. Na de besmetting van Nuis bleek twee dagen voor de NK dat haar ploeg­genoot Michelle de Jong ook corona onder de leden had. Daarnaast ­belandde Ronald Mulder met ernstige keelklachten – geen covid – in het ziekenhuis.

Toch is de sfeer goed in haar nieuwe team, vertelt de 34-jarige Wüst. Op de avond voor de NK was de hele ploeg, inclusief de zieken, digitaal nog bij elkaar gekomen om het toernooi toch nog gezamenlijk te beginnen. ‘Dat kenmerkt onze ploeg.’

Hoewel het er op de 1.500 meter nog niet uitkwam, is Wüst blij met haar verhuizing naar Team Reggeborgh. Begin oktober, voor ze in quarantaine moest, reed ze met 1.15,70 een snelle 1.000 meter in een trainingswedstrijd. Ze heeft best wat in haar mars, concludeert ze daarom. ‘Het is jammer dat ik dat nu niet heb kunnen laten zien.’

Ntab verteert de coachwissel het best

Allebei verkasten Dai Dai Ntab en Kai Verbij afgelopen voorjaar van de ploeg van coach Gerard van Velde naar Jac Orie. Die overstap lijkt Ntab beter te verteren. Hij pakt de titel op de 500 meter, Verbij wordt derde.

Een paar jaar geleden speculeerden Ntab en Verbij samen over een toekomst, waarin de oude rotten verdwenen zouden. Dan zouden zij, de aanstormende talenten, het rijk ­alleen hebben. Ntab: ‘Dan zou het wat relaxter worden, grapten we.’

Het heeft even geduurd, ze zijn allebei inmiddels 26 en niet meer de jongste, maar hun voorspelling lijkt inmiddels uit te komen. Waren er in de afgelopen jaren steeds minstens een man of zes die om de zege streden, op deze NK zijn het er eigenlijk maar drie.

Jan Smeekens en Michel Mulder zijn inmiddels gestopt met schaatsen. Ronald Mulder ontbreekt in ­Thialf vanwege een keelontsteking, die hem in het ziekenhuis deed belanden. De druk op Ntab en Verbij was daardoor minder. ‘Je kunt je nu eerder een foutje permitteren’, zegt Ntab.

Ntab maakt ze nauwelijks, foutjes. Eentje maar, tijdens de tweede omloop, als hij in de laatste bocht een kleine misslag heeft. Na een snelle opening blijft hij op 34,84 steken, niet eens veel trager dan zijn eerste rit van 34,80.

Het zijn tijden waar Verbij, de ­wereldkampioen sprint van 2017, niet bij in de buurt komt. Hij blijft steken op 35,13 en 35,24. Het is genoeg voor het brons. Het zilver gaat naar Hein Otterspeer (35,02 en 34,86).

‘Ik heb wat opstartproblemen dit seizoen’, vertelt Verbij. Hij is een man die van vastigheid houdt, maar met zijn oversteek naar Orie juist het ­onbekende opzocht. Dat werkt nog door. ‘Het is een nieuw team, een ­andere omgeving.’

In het voorjaar kwam Verbij ten val tijdens een fietstraining. Voor zijn neus was Otterspeer onderuitgegaan en Verbij kukelde eroverheen. Hij brak zijn sleutelbeen. Dat zit hem al lang niet meer dwars. ‘Fysiek ben ik wel goed, maar technisch is er iets verkeerds ingeslepen.’

Anderhalve week voor de NK was Verbij erachter gekomen dat bij een van zijn schaatsen de brug, de verbinding tussen ijzer en schoen, ­gebroken was. Die breuk had er al een tijdje ­gezeten en ongemerkt had hij zijn techniek aangepast aan het rijden op een defecte schaats. Een techniek die hem op twee goede schaatsen juist ­tegenwerkte. ‘Dat moet eruit, maar dat is niet met een weekje weg.’

Verbij vertelt het, op een afstandje van achter een plexiglazen spat­scherm, bedaard. Hij laat zijn emoties niet snel zien, maar tevreden is hij niet. ‘Ik baal wel. Ik ben gewend om mee te doen. En ik ben nu wel derde geworden, maar dit was geen meedoen’, zegt hij. ‘Maar daar wordt aan gewerkt.’

Voor het eerst sinds 2015 moesten de mannen weer twee 500 meters rijden. De dubbele omloop was dat jaar voor de internationale toernooien ­afgeschaft door de ISU en de KNSB had het overgenomen. Op verzoek van de schaatsers, die graag meer races wilden rijden, kwam de KNSB daar afgelopen zomer op terug.

Het is even wennen voor Ntab als hij zich na de eerste race opnieuw moet opladen. Hij heeft zijn drie eerdere titels veroverd in de jaren dat hij maar één keer hoefde te vlammen. ‘Ik wist niet wat me overkwam’, zegt hij. ‘Ik ben wel blij dat het terug is, maar na de eerste omloop dacht ik toch nog even: laat het hier maar bij.’

Patrick Roest en Sven Kramer voor de start van hun duel op de 5000 meter. Roest wint de 5000 meter met afstand. Kramer wordt 2e.Beeld Klaas Jan van der Weij

Kramer biedt Roest niet veel partij

Helemaal gerust is Patrick Roest er vrijdagmiddag niet op. Hij mag de regerend ­nationaal kampioen zijn op de 5 kilometer en de snelste seizoens­tijd op zijn naam, een direct duel tegen Sven Kramer is nooit een gedane zaak. ‘Ik ben altijd een beetje bang.’

Onterecht is het niet dat Roest nog altijd benauwd is voor Kramer. De afgelopen twee edities van de NK was hij weliswaar de snelste, maar op de WK van vorig jaar moest hij zijn meerdere erkennen in de Fries. In Salt Lake City reed Kramer naar het zilver achter de Nederlandse Canadees Ted-Jan Bloemen. Roest werd gediskwalificeerd omdat hij zijn armbandje vergeten was, maar hij was sowieso blijven steken op de vierde tijd.

Roest weet bovendien dat zijn oudere ploeggenoot zich als geen ander kan vastbijten in zijn tegenstander om er in de laatste ronde voorbij te stomen. En dus vertrekt hij als een speer. Zo snel zelfs dat hij even onder het schema van zijn eigen baan­record belandt. ‘Ik begon wat te ­enthousiast’, zegt hij later met een lachje. Hij ruilt de rondjes 28 snel in voor de duurzamere 29’ers.

Onderweg merkt Roest al gauw dat Kramer ditmaal niet veel partij biedt. Elke ronde wint hij een paar tienden van een seconde om uiteindelijk op de winnende tijd van 6.10,16 uit te ­komen. ‘Toen ik wist dat ik een mooie voorsprong had, hoefde ik niet meer alles op alles te zetten.’ Hij is dik tevreden, met zijn tijd en met zijn titel. ‘Je weet dit seizoen nooit wat je laatste wedstrijd zal zijn en dus wil ik elke keer de beste zijn.’

Voor Kramer draait de 5 kilometer meer op een strijd met Marcel Bosker uit dan met Roest. De 23-jarige Bosker heeft twee ritten eerder met 6.15,46 een snelle tijd op het scorebord gezet. Kramer moet alle zeilen bijzetten om het zilver te bemachtigen. Tegen het einde van zijn race geeft hij steeds meer terrein prijs. Bij de bel heeft hij nog maar 0,02 seconde voorsprong over, maar met een beter slot dan Bosker hengelt hij het zilver nipt binnen: 6.15,26.

Ontevreden is Kramer niet. ‘Nee, dit is een goede progressie. Zeker als je bedenkt dat ik zes dagen geleden nog 6.24 reed.’ Dat was tijdens een trainingswedstrijd waar hij helemaal ­alleen op het ijs had gestaan, zonder tegenstanders. ‘Dat was onder de maat, maar dat soort potjes zijn dan ook niets voor mij.’

Vorig jaar werd Kramer geplaagd door blessures. Hij werd vlak voor het seizoen aangereden door een auto. Hij hield er een knieblessure aan over en als gevolg daarvan speelde zijn rug weer op. Hij overwoog zelfs een rugoperatie, maar zag daar uiteindelijk van af. Afgelopen zomer bleef hem dergelijke ­ellende bespaard. Desalniettemin moet hij ruim 5 seconden moet toegeven op Roest.

Kramer maakt zich geen zorgen over die achterstand. ‘Ik denk dat het snel goedkomt.’ Hij zegt met vertrouwen uit te kijken naar de rest van het seizoen. Het is even alsof het een normale winter is waarin de corona­pandemie de internationale kalender niet op losse schroeven heeft gezet, maar zo benadert de 34-jarige Kramer de winter ook.

Zijn uitgangspunt blijft het volgen van een normaal trainingsprogramma waarbij het zwaartepunt bij de WK afstanden in februari ligt. Dat is niet alleen met het oog op die kampioenschappen, maar vooral om volgend jaar. Dit pre-olympische seizoen moeten dienen als blauwdruk voor de olympische winter. Het geeft houvast in onzekere tijden. ‘Je moet toch ergens van uitgaan.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden