Een zee van lood

De Noordzee is een onbestemd geval, met golven als bultruggen en duizend kleuren groen. Toine Heijmans zeilt zes jaar op nukkig water en ontdekt langzaam het Noordzeegevoel....

Halverwege mocht het ophouden. Daar dreef een dode vinvis. De zee tilde het kadaver op en liet het zakken, het vlees gebleekt door zout en zon, de meeuwen erboven. Vijftig meeuwen krijsend boven een chagrijnige Noordzee, een zee van lood: warrig en misselijk van zichzelf.

Dapper was dit bootje begonnen aan de oversteek. De Eerste Echte Grote Oversteek, van Engeland naar Huis. Honderdzes zeemijl pal oost de Noordzee over, van het bleke stadje Lowestoft naar de schoorstenen van IJmuiden. Dat was de droom, zes jaar geleden.

Iedereen zeilde zomaar naar Engeland en terug, hele gezinnen, alsof ze naar de Efteling gingen. Zo moeilijk moest het dus niet zijn. Het bootje was klein maar stoer genoeg, de bemanning achtte zich voorbereid. Dagenlang zeekaarten bestudeerd, de wolken bekeken, nachtenlang nagedacht over de zee en de overkant, over een sterrennacht en over het juichend binnenlopen van de haven.

Vierentwintig uur zou het gaan duren – maar halverwege mocht het ophouden. De vinvis lag daar dood te drijven met zijn witte buik omhoog, de wind was laf, het water nukkig; het bootje zakte weg tussen bultruggen van golven. De marifoon bleef stil en Shimry, het zeiljacht van David en Eleine dat geruststellend had meegevaren, was opgelost in het grijs. Hier was dus niemand meer – alleen die gierende meeuwen boven de beroerde bemanning.

Ze bleven naar de horizon kijken. Ze bleven hun wachten draaien. Er moest geplot worden, elk uur de positie tekenen op de kaart zodat er een lange lijn ontstond naar de overkant. Er moest gegeten worden. Er moest geslapen worden. Maar de uren grepen in elkaar tot de ochtend middag werd en de middag avond, en kijken op de zeekaart maakte misselijk. De zee werd er maar niet gezelliger op. Het was een grijze rotzee geworden, heel anders dan de zee in die droom.

Na de eerste oversteek van dit bootje zouden er nog vele volgen. De kortste duurde vier uur – van Dover naar Calais, zenuwachtig tussen high speed catamarans en flatgebouwen van containerschepen. De langste duurde drie etmalen, van Vlieland naar Thyboron, in een verlaten, uitgebleekte Noordzee. Toen het bootje daar de haven zag, wilde het niet eens meer naar binnen. Uren is het doorgezeild, de bemanning gewend aan vier-uur-slapen-vier-uur-sturen. Ook die had ineens geen zin meer in het land. Die wilde op zee blijven, en nooit meer ergens anders zijn.

Het bootje zeilde langs Normandische kapen en naar de kop van Denemarken, langs Britse kliffen en boven Duitse Wadden; rond Cowes en voorbij eindeloze Belgische stranden: de halve Noordzee kwam voorbij de afgelopen jaren. En telkens als het bootje dacht de zee te kennen, was-ie anders.

Het Noordzeegevoel moet langzaam groeien. Dat komt niet vanzelf, met zo’n zee zonder romantiek. Een werkzee is het, waar je moet zoeken naar blauw. Het water is er doorgaans bruin of grijs en ondoorzichtig. Het weer en de wind zijn er altijd onbestemd. De golven vierkant en brutaal. Het getij stampt en stiert door het Kanaal – soms sleurt de eb het bootje mee, dan duwt de vloed het bootje terug. De vissers rammen met hun kotters overal doorheen. De containerschepen racen blind hun vaargeul door en reageren niet op marifoonverkeer.

‘Eh – containervessel Athena Highway, this is the Dutch sailing yacht on your portside. Do you see us on your radar?’

Geen antwoord.

Wie op de Noordzee zeilen kan, zeggen ze, kan overal ter wereld zeilen.

De Noordzee, zeggen ze, waarom zou je? Die is voor vissers en matrozen; een vakantiezeiler heeft er niks te zoeken. Die zee is te rauw.

Toch waren nergens en nooit de golven hetzelfde. Nooit en nergens had de Noordzee hetzelfde humeur. Er waren bleke nachten op weg naar Dover, er was zompige mist voor de haven van Duinkerken, er waren spitse groene golven bij Dieppe waar het bootje tegenin moest beuken als een bokser, er waren bliksemschichten die uit de hemel vielen, midden in de maanloze nacht, en er waren drie etmalen waarin helemaal niets gebeurde – maar als je goed keek veranderde het water elke minuut van kleur.

En al die kleuren waren groen.

[Pagina R05]

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
[pagina R01]

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Daar dreef het bootje dan. Midden op de Noordzee, honderd mijl van Esbjerg. Er was geen land te zien, geen schip, geen boortoren, geen boei, er was geen wind te voelen. De bodem lag tweehonderd meter diep. En als je dan in het water sprong en in de Noordzee dreef voelde je hem ademhalen, de hele zee tegelijk: het ging omhoog en omlaag als een groot grijs sprookjesdier dat je opslokte als je niet snel weer aan boord klom. Het benam je de adem, alsof je ineens wist wat verdrinken was. Alsof je wist dat deze vijand je grootste vriend moest blijven.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
En in de haven was alles weer normaal.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Uiteindelijk wil je altijd naar de zee. De zee is mythisch en nooit genoeg. Leer het van de echte zeilers. Bernard Moitessier, de Franse zeeman-filosoof, nam eind jaren zestig deel aan de eerste solozeilrace om de wereld toen hij besloot door te varen, helemaal alleen. Hij wilde op zee blijven, nooit meer aan land (‘die slangenkuil’). Moitessier was tijdens de tocht overvallen door een ‘niet te beschrijven gevoel van genade’ en stuurde zijn agent het volgende bericht (dat hij met een katapult op het dek van een vrachtschip schoot): ‘Ik blijf non-stop doorvaren naar de eilanden in de Stille Zuidzee, omdat ik op zee gelukkig ben en misschien ook wel om mijn ziel te redden.’

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Zijn zeiljacht was de Joshua. Moitessier had het vernoemd naar de eerste en meest beroemde van alle wereldomzeilers, Joshua Slocum. Drie jaar en twee maanden was de Amerikaan alleen op zee, met zijn tot jacht omgebouwde oestervisser Spray. Hij keerde terug in 1898, maar kon aan land nooit meer aarden. ‘Ik was de gewoontes en gebruiken bijna helemaal vergeten’, schreef hij.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Of lees Alain Gerbault, de Franse praatjesmaker die in de jaren twintig jarenlang de wereld rondging in zijn Firecrest: ‘Toen het einde van mijn reis naderde, voelde ik een toenemende neerslachtigheid. Mijn reis was bijna voorbij, alsmede de gelukkigste jaren van mijn leven.’

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Dat geluksgevoel komt voor zeilers meestal in de buurt van Polynesië – over de Noordzee hoor je ze minder. Te klein misschien, of te grijs, maar voor dit bootje voldoende. En juist omdat de zee zo grauw kan zijn, hoeft er voor een geluksmoment maar weinig te gebeuren.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Net toen het saai begon te worden, op weg langs de Britse kust van Dover naar Cowes, sprong een tuimelaar onder de boeg vandaan. Een jonge nog, glimmend van het water, die bij elke sprong met een schuin oog keek of de bemanning ‘m wel zag. Een uur lang spoelde hij door het boegwater, dook onder de kiel door, maakte buitelingen als was hij afgericht in het Dolfinarium.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
En na een slaperige nacht, op weg van Ouistreham naar Saint-Vaast-la-Hogue, schilderde een nieuwe zon de lucht paars – hele penseelstrepen trokken de hemel open en smeten hun gloed op de golven.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
En net toen de zeeziekte kwam, landde bij Zeebrugge een jonge buizerd op het dek, die de onweersbui zag aankomen en op het bootje schuilde, de bemanning aldoor aankijkend.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
En als er echt niks meer te doen was ging de bemanning vissen, haalde een paar makrelen uit de Noordzee en at ze op.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Toch zal die Eerste Grote Oversteek, zes jaar geleden, altijd de Grootste blijven. In Lowestoft lonkte de sprong. De jachtclub was er in verval. De stad lag dagenlang onder depressies en zelfs de vissers op de kademuren, die allemaal werkloos waren en daarom dagenlang konden vissen, vingen niets. Pas op dat je niet gevangen raakt in Lowestoft, zeiden ze. Hier kom je moeilijk weg.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
De storm duurde vier dagen. De kajuit raakt vol met weerkaarten en vuile was. Alles wilde naar huis – het begon zelfs al naar herfst te ruiken toen de wind wat afnam en het bootje tussen de zandbanken door naar buiten stoof.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Het was vijf uur ’s ochtends. Het bootje zeilde alsof het op de hielen werd gezeten; het grootzeil helemaal opengeklapt en voorop een bejaarde spinnaker die de romp door grijs water trok. Nog honderd mijl. Er stonden golven van de storm, dwarsscheeps en zo hoog dat de wind soms uit de zeilen viel. Ze tilden het bootje op als een blok schuimplastic, en legden het weer neer.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Daar dreef de dode vinvis, een rottend eiland, je had er een waarschuwing in kunnen zien, of een dreigement, maar waarschijnlijk dreef hij daar bij toeval. Nog vijftig mijl. De kuip was klein. De marifoon was stil. De nacht werd zwart. Een boot zeilt altijd harder in het donker. Het grootzeil moest gereefd, het siste en suisde en achter de boot lichtte de zee op; een streep groen licht. De lichtgevende algen die je ook in de brekende golven zag.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Geen slaap. Zeeschepen voor anker. De schoorstenen van IJmuiden; ze kwamen niet langzaam in zicht maar in één keer was daar die hele kermis van rode schoorsteenlampen, knipperboeien, schijnwerpers, vuurtorens, boordlichten, koplampen. Nog vijftien mijl. Daar op de wal waren mensen die sliepen of feestvierden of rustig in een stoel zaten. Nog meer wind. Viskotter op ramkoers zette het bootje in een zee van licht. Stuivend water tussen de pieren en toen was het stil.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
De jachthaven sliep.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Misschien lonkt de Noordzee omdat je er alle kanten op kunt kijken zonder iets te zien. Misschien vanwege de leegheid die alles zo complex maakt. Maar vooral lonkt de zee omdat het een vluchtweg is uit het alledaagse.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
Lees Moby Dick, waarin hoofdpersoon Ismaël vertelt waarom hij de zee zoekt.

Noordzee Net toen het saai werd, sprong een dolfijn onder de boeg vandaan
‘Wanneer ik me grimmig voel rond de mond; wanneer het een vochtige, druilerige november is in mijn ziel; wanneer ik onvrijwillig halt hou voor winkels met doodskisten en aansluit bij elke rouwstoet die ik tegenkom (*) – dan wordt het hoog tijd voor me om de zee op te gaan, zo snel als ik kan.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden