Een wedstrijd in duizenden stukjes ontleed

Vorige week verloren de volleyballers in de EK-kwalificatie van Estland. Waar het misging? Aan de analyse van de tegenstander lag het niet....

Ze wisten waar ze de ballen zouden gaan slaan, wie de ballen zou slaan. Ze wisten welke Esten de ballen zouden gaan krijgen, wie de ballen niet zouden krijgen, en ze wisten waar de Esten die de bal wel zouden krijgen, hem naartoe zouden slaan. Ze wisten welke Est moeite had met welke service: ze hadden een lijst gekregen van Estse spelers, en achter sommige namen stond met dikke rode letters ‘ons target!’. De libero van de Esten was dan wel de beste passer (ontvanger van de service), maar met sprongfloats (langzame zwabberende services) had hij moeite.

En dan wisten de spelers en staf van het Nederlands volleybalteam nog een heleboel dingen van de Esten die ze niet wilden verklappen. ‘Ik ben ervan overtuigd’, zei middenaanvaller Wytze Kooistra vorige week woensdag dan ook, ‘dat we beter weten hoe de Esten spelen dan de Esten zelf’.

Hij besefte dat dit arrogant kon overkomen, en dus lachte hij verontschuldigend en zei hij dat de Esten ‘echt wel redelijke kwaliteiten’ hadden. Maar hij zette zijn betoog consequent door. ‘Als Estland zou weten hoe het speelt, zouden ze niet zo voorspelbaar spelen. Wij zijn trouwens ook niet altijd onvoorspelbaar, maar ik denk niet dat zij dat weten. Want daar heb je een goede scout voor nodig. En als zij een goede scout hadden, zouden ze niet zo spelen zoals ze spelen.’

Drie dagen later versloeg Estland Nederland in de eerste van twee kwalificatieduels voor het EK met 3-1.

En nu staat er enorme druk op de wedstrijd van zondagmiddag in het Topsportcentrum Rotterdam. Haalt de ploeg het EK niet, dan zijn de Olympische Spelen van 2012 – het doel dat bondscoach Peter Blangé bij zijn aantreden uitsprak – praktisch onbereikbaar. In de hal waar het duel plaatsheeft, spreekt Blangé zijn mannen donderdag toe.

‘Wat er ook gebeurt’, zegt Blangé, ‘we gaan door tot de dood.’ De spelers knikken zowaar instemmend. ‘Want alleen als je dood bent, heb je alles gegeven.’

Wat er precies fout ging in Estland, is nog steeds niet helemaal duidelijk. Wel duidelijk was dat het verlies in elk geval niet lag aan de bestudering van de Esten. Die was voor een groot deel gedaan door assistent-bondscoach Arnold van Ree en door Tomaso Totolo. Totolo is de assistent-coach van de Italiaanse club Treviso, en werd deze zomer door Blangé bij het team gehaald voor het registreren en analyseren van alle acties tijdens de wedstrijd: de scouting.

De scout wordt steeds belangrijker in het volleybal. In een sport waarin per wedstrijd honderden punten worden gespeeld, ziet ook een kenner niet alles. Topcoaches, wil het cliché, kunnen de cruciale momenten zo terughalen, maar de volleybalgemeenschap ontdekte in de jaren negentig dat cruciale momenten minder cruciaal waren dan gedacht. ‘Als je je beslissingen gaat baseren op cruciale punten’, zegt Van Ree, ‘vertroebel je je blik. Je kunt een Fingerspitzengefühl hebben over hoe iemand speelde, maar als je het zeker wilt weten, moet je naar de cijfers en de beelden kijken.’

Data verzamelen lukte in de jaren negentig nog wel, maar het samenstellen van een bijbehorende video moest met VHS en was tijdrovend. Nu de beelden digitaal zijn en eenvoudig te bewerken, heeft elke serieuze ploeg een scout. Simpelweg door te scouten kun je geen winst meer boeken: daarom leveren ploegen elkaar de beelden van hun wedstrijden. ‘Linksom of rechtsom kom je toch wel aan de beelden’, zegt Van Ree. ‘Het gaat erom wie er het meeste informatie uithaalt.’

Daarom haalde Blangé Totolo bij het team, want Totolo is een meester in het scouten. ‘Veeee-ry honoured’ was hij dat hij met Nederland mocht werken, en andersom was Nederland hem dankbaar. ‘Had hij een hele nacht achter die laptop gezeten, kwam hij met kleine oogjes aan het ontbijt vertellen dat hij een of ander detail van de Brazilianen had ontdekt’, zegt teamarts Maikel van Wijk.

‘Cijfers kunnen een verhaal vertellen’, aldus Totolo. Maar eerst moet je de cijfers nauwkeurig verzamelen. Hiertoe neemt Totolo elke wedstrijd plaats achter het veld, en registreert hij op zijn laptop elke bal in het programma Data Volley. Elke bal krijgt een waardering: een = (dubbelmin, puntverlies) , een – (min, een slechte actie), een / (slash, een matige verwerking van de service), een plus, of een # (een score). Daarnaast wordt ook nog het soort bal ingevoerd (bijvoorbeeld sprongservice of zwabberbal), en de start- en landingsplek.

Zo genereert elke wedstrijd duizenden stukjes informatie. Soms vertellen die data al tijdens de wedstrijd een verhaal. Maar meestal krijgen de cijfers pas zeggingskracht na een serie wedstrijden, wat mede komt door de structuur van het spel.

Elke volleybalploeg bestaat feitelijk uit zes ploegen: na een gewonnen punt draait elke speler een positie in het veld door, met de klok mee – zo kent een ploeg zes zogenoemde ‘rotaties’. Simpelweg weten of een speler gevaarlijk is, voldoet niet. Je moet weten wie wat doet in welke rotatie, en dat weet je pas na bestudering van een aantal wedstrijden. Dan veranderen data in informatie, en blijkt bijna elke ploeg voorspelbaar.

Zo ook de Esten. In hun eerste twee rotaties spelen zij bijvoorbeeld na een goede pass vaak een ‘eerste tempo’ (snelle) aanval. De aanvaller Oliver Venno bleek meer dan een kwart van alle ballen te krijgen, maar, zo zagen Van Ree en Totolo, hij krijgt de bal relatief zelden in de ‘side-out’ (direct na een service van de tegenstander). Venno krijgt de bal vooral nadat de Esten een aanval hebben afgeweerd, en als ze in de problemen komen.

Tientallen gewoonten legden Van Ree en Totolo bloot, die echter alleen waardevol zijn als de spelers zich de patronen eigen maken. Daarom legde Blangé vorige week tijdens de training van de A-ploeg tegen de B-ploeg, die zich voordeed als Estland (met Kay van Dijk in een glansrol als Oliver Venno), het spel stil.

‘En’, vroeg hij een speler, ‘in welke rotatie staan ze nu?’

De speler wist het niet, tot hilariteit van zijn ploeggenoten. Dat hij daarna wel direct alle gewoontes van de Esten in die rotatie noemde – geen geringe prestatie – deed er niet meer toe. ‘Het is speels bedoeld’, zegt Van Ree. ‘Het effect is dan wel dat iedereen weer weet hoe het met die rotatie zit.’

Wat nu te doen met de informatie? Middenaanvallers baseren er hun verdedigende keuzes op. Als de pass van de tegenstander naar hun spelverdeler goed is, en de spelverdeler dus kan kiezen uit al zijn aanvalsopties, moet een blokkeerder daar van tevoren een keuze tegenover stellen – anders is hij te laat.

‘Als blijkt dat ze dan meestal over rechts gaan, zet je alvast een stapje naar rechts’, zegt middenaanvaller Kooistra. Dit is een zogenaamd commit block. Je committeert je immers aan de informatie die je hebt gekregen. Is de pass matig, dan wordt het een read block – je moet ‘lezen’ hoe de spelverdeler de bal zal spelen, en dat kan ook, omdat de spelverdeler minder opties heeft, en vaak een hoge, trage pass geeft.

Het probleem met de commit blocks is dat de tegenstander waarschijnlijk weet dat jij weet wat zij meestal doen. ‘Klopt’, zegt Kooistra. ‘Maar je blijft dan toch gewoon die kant op gaan. Alleen niet te snel, want dan kan een goede spelverdeler het uit zijn ooghoeken zien. Je moet een beetje spelen met je kennis, een stapje naar de andere kant zetten, en dan toch weer terugkomen. Maar als hij hem dan toch de andere kant opspeelt, is dat zijn verdienste.’

Zo nu en dan komt het dus voor dat een tegenstander tegen een ‘nulblok’ staat – tegen niemand dus. ‘Dat ziet er dan dom uit, maar het is juist het gevolg van een gedegen analyse.’

Volleybal lijkt zo bezien een bizar speltheoretisch experiment. ‘Het wordt een beetje: wat denk ik dat hij denkt dat ik denk wat hij denkt dat ik doe. Maar soms’, zegt de volgende dagan Ree, ‘moet je dat vergeten en spelen. Te veel informatie kan dodelijk zijn voor een volleyballer.’

De laatste tijd is Totolo dat ook zo gaan zien. De revolutie van DataVolley heeft er ook toe geleid dat Italiaanse ploegen veel meer bezig waren met het analyseren en vernietigen van de tegenstander dan met het verbeteren van het eigen spel. ‘Wij zijn het slachtoffer van onze eigen innovatie.’

Aan het eind van de laatste twee Italiaanse seizoenen raadpleegde Totolo de cijfers daarom met een andere insteek. Hij ging naar de ‘datakluis’ van Treviso, sloot zich een paar dagen op in een kamertje en haalde de cijfers van alle ploegen van de afgelopen competitie door de mangel, op zoek naar ‘succesfactoren’.

Toen hij klaar was, kwam hij naar buiten met een aantal brokjes nieuwe volleybalkennis. Bij Treviso paste hij daarmee bijvoorbeeld veranderingen toe in de defensie, en dat systeem transplanteerde hij deze zomer naar Nederland. ‘Onze verdediging is vrij drastisch veranderd’, zegt Van Ree.

Drastisch blijkt een relatief begrip. De verandering blijkt eruit te bestaan dat de drie achterspelers elk een paar centimeter naar binnen waren opschoven, onder meer omdat Totolo had ontdekt dat aanvallers minder vaak recht langs de lijn scoorden. Daarom kon een verdediger net zo goed een ministapje naar binnen staan.

Op zijn laptop laat Van Ree het zien: hij pakt er een aantal punten tegen Brazilië bij, en wijst met de punt van zijn pen naar een plek op het veld. En inderdaad: Yannick van Harskamp, Kay van Dijk, Jeroen Rauwerdink – ze stonden precies op de ballpoint.

Om het verschil te illustreren, pakt Van Ree een wedstrijd van vorig seizoen, en verlegt hij de punt van zijn pen een paar millimeter. En daar stonden ze, Van Harskamp, Van Dijk, en de deze zomer afwezige Robert Horstink: precies op de punt van de BIC. ‘Het oogt marginaal, maar het scheelt. Vergeet niet dat een volleybalveld klein is. Sommige huiskamers zijn groter.’

Het blokkeren was op identieke wijze veranderd, en groeide deze zomer uit tot een sterk punt. Het leidde tot een andere innovatie, die eveneens werd ingegeven door een verhaal dat de cijfers Totolo hadden verteld: teams die niet bij elke smash voor een kill (een direct punt) gingen, hadden steeds meer succes. ‘Spelers hebben de neiging telkens voluit te gaan, maar dat hoeft niet, als je vertrouwt op je systeem. Dan kun je de bal over het blok tippen en de aanval van de tegenstander afwachten.’

Nederland is deze zomer beter geworden. ‘Maar wie weet dat nog, als we zondag verliezen?’, vraagt Van Harskamp retorisch. Het perspectief is dan somber: twee jaar zonder noemenswaardige toernooien.

Wat er dan misging? Het zal misschien nooit duidelijk worden, maar een cijfer noemde vrijwel iedereen: 18. ‘Achttien blocks’, zegt Totolo. ‘Eeiiiigh-teeeeen blocks. That’s im-pooo-si-ble. De waarschijnlijke verklaring is dat ‘we ons eigen blok niet meer vertrouwden, en daarom ballen probeerden te scoren die we niet hadden moeten willen scoren. Terwijl we geleerd hebben om geduldig te zijn’.

Maar Totolo is optimistisch dat de vooruitgang zondag weer zichtbaar wordt. En bovendien: ‘Slechter spelen dan zaterdag tegen Estland, that is im-poooo-si-ble. Trust me.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden