Een thriller in Manilla ofwel de ontmanteling van een mythe Bart Jungmann

Kwamen we voor de bokser of kwamen we voor het boksen?..

Mijn buurvrouw donderdagavond in de bioscoop, waar Thriller in Manila werd vertoond vanwege het documentairefestival IDFA, koos resoluut voor de bokser, in dit geval de Amerikaan Joe Frazier. Nee, ze zei dat ze was gekomen voor het verhaal en dat brengt ons nog dichter bij de ongekende schoonheid van het vuistvechten.

Toevallig wijdt sporttijdschrift Achilles ook zijn laatste aflevering aan de bokssport. Op het omslag misvormt Nordin Ben Salah met zijn rechtervuist het gezicht van een tegenstander. Binnenin een portret van Fighting Nordin die in 2004 het slachtoffer werd van (vermoedelijk) een criminele afrekening.

Over de bokser schrijft Wiep Idzenga dat hij gespecialiseerd was in de leverstoot. Dat is op papier een mooie zin. Het verheft boksen tot vakmanschap, zoals de slager een keurslager wordt. De hockeyer is gespecialiseerd in de sleeppush, de biljarter in piqueren en de bokser in de leverstoot.

Joe Fazier was vermoedelijk ook een specialist in de leverstoot. Je ziet hem in de documentaire ongenadig beuken op de onderkant van een ribbenkast. Die ribbenkast was van Muhammad Ali. In 1975 troffen ze elkaar voor de derde en laatste keer. Het werd een gevecht op leven en dood dat voor beiden min of meer het einde van hun loopbaan betekende.

Als boksen een verhaal is, dan is Muhammad Ali een legende. Net als veel generatiegenoten werd ik ’s nachts uit mijn bed gehaald voor zijn bokspartijen. Vader vond dat geschiedenis werd geschreven en die kon niet tot de volgende ochtend wachten. Terwijl hij voor de televisie zat, gluurde ik door de gordijnen naar buiten. Waren de huiskamers elders in de straat ook verlicht? Ja, vader had gelijk.

Muhammad Ali werd de icoon van een tijdperk, het gezicht van zwart Amerika en de strijd voor gelijke rechten. Niet voor niets was hij, voor zover zijn gezondheid dat nog toelaat, prominent aanwezig bij de beëdiging van Barack Obama als president van de Verenigde Staten.

In alles was Joe Frazier Ali’s tegenpool. Hij was de lomperik die het levende kunstwerk wilde beschadigen. Frazier had diens plaats als wereldkampioen ingenomen nadat Muhammad Ali werd geroyeerd als dienstweigeraar. Hij werd de favoriet van conservatief Amerika.

Na Ali’s eerherstel troffen ze elkaar in 1971 voor de eerste maal. Joe Frazier won het duel in New York dat werd geafficheerd als het gevecht van de eeuw. Maar de eeuw had al snel meer van dergelijke gevechten in petto.

In 1974 volgde de Rumble in the Jungle. Dictator Mobutu had wereldkampioen George Foreman en uitdager Ali naar Zaïre gehaald voor een historisch gevecht. In 1975 maakte de Filippijnse alleenheerser Marcos goede sier met wat dus de Thriller in Manila zou heten, nu met Frazier in de rol van uitdager.

Ruim dertig jaar later reisde de Engelse regisseur John Dower naar Philadelphia om de bad guy van weleer op te zoeken. Terwijl Muhammad Ali een rijk man is, leeft Smokin’ Joe boven zijn boksschool in een buurt die niet eens in aanmerking zou komen Vogelaarwijk te heten. Joseph Frazier is nooit ontsnapt uit het getto.

Het verhaal dat Dower te vertellen heeft, is er een van onrecht. Muhammad Ali ontleende een deel van zijn magie aan de geestigheden waarmee hij zijn aanstaande tegenstanders kleineerde. Maar de speelsheid ontbrak in Manilla, het ontaardde in een lastercampagne.

Vanwege het rijm heette de thriller al snel een thrilla en dat rijmde weer op gorilla. Joe Frazier was daardoor diep beledigd. Een zwarte man die een andere zwarte man afschildert als een aap, dat was rassendiscriminatie in het kwadraat.

Dower moest de grootste moeite doen om de 63-jarige Joe Frazier nog een keer naar het gevecht te laten kijken. Bij het bekijken van de beelden wordt geen woord gesproken, maar uit Fraziers ogen spreekt woede, minachting en vooral verbijstering. Het gevecht en alles eromheen hebben Frazier voor altijd getekend, psychisch maar vermoedelijk ook fysiek.

Lever en andere vitale organen hebben al talloze opdoffers gehad als zijn trainer Eddie Futch in de veertiende ronde de handdoek gooit. Futch, die al een paar van zijn boksers in de ring zag sterven, kan het niet langer aanzien.

Tijdschrift Achilles noemt boksen in zowat elk verhaal de nobele kunst van zelfverdediging. Als in deze sport sprake is van noblesse, dan ontbrak die in Manilla ten enenmale. Wat een afschuwelijke sport, maar wat een mooi verhaal.

Zie dus deze documentaire en lees in Achilles het verhaal van Erik Brouwer over bokser Leen Sanders die levens redde in Auschwitz. Over noblesse gesproken.

jungmann@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden