Column Peter Winnen

Een snotneus was ik, die de Alpe d’Huez won

Ja, ik ben er medeschuldig aan dat Alpe d’Huez de Nederlandse berg wordt genoemd. In 1981 en in 1983 kwam ik er als eerste boven. Ik ‘bezit’ dus ook twee bochten, nummer 13 en nummer 15. Elke winnaar ziet zijn naam bijgeschreven op een bord in een van de 21 hairpins.

Omdat er intussen meer etappewinnaars zijn dan bochten moet ik sinds eergisteren mijn laatste private eigendom (nr. 13, er wordt naar beneden toe afgeteld) ­delen met Geraint Thomas. Niks mis met Thomas. Hij heeft humor. Toch had ik liever Dumoulin of Kruijswijk als huisgenoot gekregen voor barre winters.

Alpe d’Huez is bij lange na niet de moeilijkste col in de Alpen, maar omdat hij vaak beklommen wordt na een lange tocht over een paar ander bergreuzen – een viaduct kan dan al scherprechter zijn – heeft hij een mythische status verkregen.

Bocht 13, mijn eerste bord, is me het meest dierbaar. In 1981 was ik een snotneus van 23 die bij zijn debuut in de Tour nog niet eens wist of hij het wel drie weken lang op een fiets zou kunnen uithouden. Toen kwam die dag in de derde tourweek.

Niet te geloven hoe vaak ik daaraan wordt herinnerd. En op de gekste plaatsen. Hoe lang geleden is het al niet. Mensen weten nog ze waar ze waren. Voor de televisie in de campingkantine. Met de radio aan achter het stuur van een vrachtwagen. In een fabriekshal. Ter plekke op de berg. Hoe spannend het was.

Dit verhaal vergeet ik nooit meer: Een jaar of tien geleden is het. Een mevrouw spreekt me aan in een winkelpassage. Dat zij en haar man toen voor de televisie zaten. Dat hij de langzaam stilvallende Winnen duwtjes in de rug begon te geven. En dat hij toen opeens dood naast haar zat.

‘Maar we hebben nog wel samen de finish afgewacht’, zei ze.

Wat zeg je dan terug? In elk geval niet: ‘Misschien was ik wel de oorzaak van zijn infarct.’

Ik zag twee mensen zitten op een bankstel. Zij pakt een witte hand in de hare, en neemt gewoon zijn honneurs waar.

‘Het was een mooie dood’, concludeerde ze.

Ik herinner me dat in 1981 de door mijn soigneur gealarmeerde ploegarts mijn volledig uitgedroogde ­lichaam van een infuus voorzag – wat tegenwoordig niet meer mag.

Het was me de ontgroening wel die dag. Mensen blij maken kost wat, realiseerde ik me pas veel later.   

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.