Een memorabele bergetappe

OM IN wielertermen te blijven: de tweede roman van Mart Smeets, De kopgroep, is als het profiel van een zware bergetappe....

Kwalitatief een afwisselend parkoers dus, waarover zich een kopgroep beweegt die slikt en flikt, liegt en bedriegt, spuit en fluimt, en die weinig of geen overeenkomst vertoont met de wielerwereld waarover Smeets ons al meer dan 25 jaar via het tv-scherm bericht.

Is De kopgroep de afrekening van een verslaggever die vele jaren zijn ogen grotendeels gesloten hield, hoewel hij wist dat er méér meereisde in de achterzak van een coureur dan alleen een geplet puddingbroodje? Die nu echter, mede vanwege de gebeurtenissen van de voorbije twaalf maanden in en rond het peloton (EPO!), niet langer mag en kan zwijgen? Het heeft er alle schijn van. Een late afrekening derhalve, maar meteen ook een meedogenloze. Aan het wielermilieu dat Smeets schetst, zal geen enkele ouder zijn zoon willen afstaan.

Fictie? Maak dat het peloton maar eens wijs!

En toch is Smeets niet echt uit op de dolkstoot in de rug van de coureurs. Hij laat althans zijn alter ego, tv-verslaggever Stijn Miller, nadrukkelijk diens liefde voor het wielrennen belijden. Het kan als een verzoenend gebaar naar de wielerwereld worden opgevat: 'Omdat ik, ondanks veel gesjoemel en getruc, de wielrennerij altijd heb gezien als een harde en eerlijke sport. Ik weet dat jullie de boel soms mooi konden belazeren, maar toch bleef het presteren voor mij altijd overeind. (. . .) Ik heb me altijd prettig gevoeld in de nabijheid van echte kerels op de fiets: stoempers, duwers, waaghalzen.'

Stijn Miller, inmiddels 'veteraan-wielercommentator', kenden we al uit Smeets' eerste roman, De lange ontsnapping. Renners heetten in dat boek nog gewoon Virenque en Ullrich, ploegleiders droegen namen als De Rooy en Priem.

Aan het noemen van man en paard doet Smeets dit keer niet. De lezer kan zich zodoende aan menig gokje wagen met alle risico's van dien. Nemen we de kopgroep waarom het verhaal draait, een groep van zeven renners, zeven nationaliteiten, zeven ploegen vertegenwoordigend, die een Ronde van Frankrijk gedenkwaardig maakt door in een zware bergrit (naar Sestriere) het klassement totaal op zijn kop te zetten. Tot wanhoop van de Tourdirecteur, want geen van zevenen is favoriet voor de eindzege.

De Nederlander heet Tim van der Meer, die vooral gewiekst is, níet de Tour wint, maar wel aan die spectaculaire etappe het meeste geld (vijf ton) overhoudt. Naarmate het verhaal vordert, doet hij steeds meer aan Jan Raas denken. België is vertegenwoordigd door Frankie van Geneugden, ooit winnaar van Parijs-Roubaix, clown van de koers en sterk gelijkend dus op Dirk de Wolf. De Duitser Horst Kupfernagel, tijdritspecialist met oorringetje en gestaald in de DDR-school, lijkt een mixture van Jan Ullrich en Didi Thurau. Uiterlijk heeft de Fransman Jean-Pierre Dutronc wat weg van Laurent Fignon; als klimmer doet hij denken aan Richard Virenque.

Maar dan? De Italiaan Ottavio Dazan is mogelijk opgebouwd uit een heel pelotonnetje Italiaanse coureurs, die vaak slimmer dan slim zijn. Chris White, de Amerikaan, bezit wat Smeets zo bewondert in iemand als Greg LeMond: lef, een nonchalante levenshouding en opnieuw lef. Nummer zeven ten slotte, de onervaren Noor Erik Andersen, de enige die zegt zonder doping door het wielerleven te gaan, kan ik niet thuisbrengen. Misschien heeft Smeets zich in dit geval door een schaatser als Johan Olav Koss laten inspireren. Zijn val tijdens de afdaling van de Mont Cenis is in ieder geval een kopie van die van Johan Bruyneel in de Tour van 1996.

Wie er in de huiskamer een gezelschapsspel van maakt, komt misschien op een heel andere kopgroep uit.

Net als de fietsende kopgroep raakt het boek De kopgroep hoge toppen, maar belandt het ook menige keer in diepe dalen. Het basisidee is bijna subliem: zeven jaar na dato komen de Zeven op uitnodiging (en kosten) van multimiljonair én cijferfreak Van der Meer in Amsterdam bijeen. De hoofdstukken met hun herinneringen en bekentenissen-achteraf wisselt Smeets af met een van-kilometer-tot-kilometer-verslag van de memorabele rit. Het tempo van het verhaal ligt daardoor aangenaam hoog en de spanning loopt, net als in een echte bergetappe, geleidelijk op. Letterlijk op de eindstreep van het boek wacht een volstrekt onvoorziene ontknoping.

Jammer daarom dat Smeets in zijn poging het wielerleven zo realistisch mogelijk op de lezer over te brengen, soms vastloopt in het karikaturale. De dalen liggen voor De kopgroep daar waar de coureurs niet meer zijn dan fluimende, boerende, winden latende schuinsmarcheerders. Tijdens, maar óók na hun carrière. Zelfs Stijn Miller kan dit niet met de mantel der liefde bedekken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden