Een goudmijn aan zwemtalent, maar 'verkeerd selectiebeleid'

Interview..

Van onze verslaggever John Volkers

Kopenhagen Hij was een topcoach in Spanje en is nu bondscoach in Denemarken. Zwemtrainer Paulus Wildeboer, die deze zomer Lotte Friis wereldkampioen op de 800 vrij maakte, heeft recht van spreken. Vandaag zal hij de Nederlandse zwemtrainersvereniging NVZT in Brakel confronteren met zijn inzichten.

‘Ik heb geen geheimen. Ik vertel alles. Ik ben ook altijd gevoed door collega’s, kwestie van kruisbestuiving. Ik heb altijd de mogelijkheid gehad te leren van andere, meer ervaren coaches. Ik heb de morele plicht dat door te geven.’

Nederland heeft een goudmijn aan zwemtalent. Zelf kijkt Wildeboer, vader van een Spaanse ex-wereldrecordhouder (Aschwin), zijn ogen uit in Kopenhagen. Lange, ranke meiden. ‘Kijk dan, zeg ik tegen Winnie, mijn vrouw. Binnen tien minuten kun je een superteam samenstellen. Maar de clubcoaches, ook de zwemleraren in het Deense model, pakken de 8-jarige meisjes die dan al kunnen drijven.

‘Ze snappen niet dat ze in de douche moeten kijken, waar die dunne lange staat die het koud heeft gekregen. Er wordt helemaal verkeerd geselecteerd.’

Nederlanders hebben een aangeboren voorsprong. Wildeboer legt uit. ‘Als je in Spanje iemand zwemmen leert en hem 25 meter op tijd laat zwemmen, komt hij in 14 of 15 seconden aan de overkant. Doe je dat in Nederland, blijkt die getrainde Nederlander de 25 meter in 13 seconden af te leggen. Omdat hij groter en sterker is.

‘De Nederlander heeft veel meer aanleg, ook meer dan de Denen.’ Volgens Wildeboer is het simpel. ‘Breng talentvolle Nederlandse meisjes van 11 en 12, en 13 tot 14-jarige jongens samen in een trainingscentrum, en binnen de kortste keren heb je de beste zwemploeg van de wereld.

‘Het is niet nieuw. Dat heb ik eerder gezegd tegen Jacco Verhaeren, de technisch directeur. Dat was in de tijd dat een trainingscentrum nog taboe was. Nu hebben jullie er twee, in Eindhoven en Amsterdam. Dat is duidelijk de volgende stap die Nederland nodig had.’

Niet dat hij die gaat zetten. Hij heeft in 2006, toen hij het in zijn ogen corrupte sportlandschap van Spanje na twintig jaar zat was, gesproken met de Nederlandse zwembazen Verhaeren en Cees-Rein van den Hoogenband. ‘De plekken waren al bezet, er waren net afspraken gemaakt met Martin Truijens en Marcel Wouda. Er was geen ruimte in het budget.

‘Voor het bedrag dat in Nederland aan een zwemtrainer wordt uitgegeven, kun je geen toptrainer halen. Het is in Europa minimaal het dubbele: 100 duizend euro dus, en soms nog meer.’

De Nederlandse coaches zouden een ander model moeten aanhangen, meent Wildeboer. Die kritiek zal hij vandaag nog eens spuien. ‘De tendens in Nederland is dat zowel de topper als de gemiddelde zwemmer veel beter is op de korte afstand, dan op de midden- en langeafstand. Dat is niet zo positief voor een zwemland.

‘Je hebt één 50 meternummer op de Olympische Spelen, de 50 vrij. Dan heb je vier individuele en twee estafettenummers op de 100 vrij. Zeven in totaal. Daarna heb je zes 200 meternummers, vier 400 meters en dan nog de 800 en de 1500 meter. Is twaalf. Er zijn dus veel meer andere disciplines dan sprints. Als je de 100 al een sprintnummer wil noemen? Dat is een duidelijke middenafstand.

‘Daarom gok ik duidelijk op de middenafstand. Van daaruit kun je de afstandzwemmers en de sprinters bedienen. Zwom Pieter van den Hoogenband niet de 100 vanuit zijn capaciteit op de 200? Voor mij moet de 100 meter worden gezwommen vanuit de 200. En niet vanuit de 50. Het is altijd van lang naar kort. Het is van volume naar intensief.’

Wildeboer houdt van een gevarieerde aanpak. ‘Zwemmen is niet leuk, ‘t is een stomme sport. Steeds maar heen en weer in dat bad. Daarom doe ik minimaal 25 procent droogtraining. Zelfs langlaufen. En niet teveel aan de gewichten hangen. ‘Ooit zwommen we veel meer kilometers. Daar heb ik zelf lang aan meegedaan. Te lang.

‘Wel vindt ik dat de basis in Nederland verbeterd moet worden. Met vijf, zes uur trainen in de jeugd kom je er niet meer. Dat moet duidelijk meer zijn.

‘Internationaal wordt er tussen de 2000 en 2800 kilometer getraind per jaar. In Nederland niet. Maar de rest van de wereld zwemt ook een compleet olympisch programma. ‘En Pieter dan?’, zeggen sommigen. Die deed het met 1600. Dat is geen systeem, dat is een uitzondering. Die zijn er altijd.

‘Ik leg in de jeugd nadruk op de algemene training. Hartvolume wordt goed ontwikkeld als je in de groei bent, in de prepuberale fase. Doe je het niet, kun je het later nooit meer zo ontwikkelen.

‘Ik sta op afstand, maar ik denk dat bij Marleen Veldhuis die basisconditie niet zo sterk is. Zij is te laat met zwemmen begonnen. De basis leg je tussen je elfde en achttiende. Toen heeft zij niet gezwommen. Veldhuis polode.

‘Als die basis er niet is, verlies je snel conditie. Daarom is het moeilijk taperen bij haar, het prepareren in de laatste fase voor een toernooi. Ik zeg altijd: je kunt de intensiteit weghalen uit training, maar niet de extensiteit, de omvang.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden