Een gedenkwaardige zondag in november

Het wonderkind van Betondorp wordt morgen vijftig jaar. In Betondorp woont hij al lang niet meer en het wonderkind is inmiddels de onovertroffen ambassadeur van zijn sport....

Gedenkwaardig was de zondag omdat het nietige GVAV zijn machtige tegenstander, Ajax, ten val had gebracht. Uitgerekend Ajax, dat enkele maanden eerder de lieveling van het Groningse publiek, Klaas Nuninga, voor het recordbedrag van 250.000 gulden uit het Oosterpark had weggeplukt.

Gedenkwaardig was de zondag ook omdat een houterige Friese reus - Henk Zoetendal - Klaas Nuninga voortdurend voor de voeten liep en aldoende voorkwam dat de oud-Groninger kon schitteren voor het publiek dat hem drie jaar achtereen had gekoesterd en hem nu zijn harteloos vertrek naar Amsterdam wel wilde vergeven.

Voor hém waren we gegaan, want ook al hielden we van GVAV, onze sympathie lag deze middag bij Klaas Nuninga. Hij had zich, nog in zijn jongensdagen, snel populair gemaakt bij de mensen uit zijn geboortestreek; vanwege zijn fluwelen vaardigheid, maar vooral vanwege zijn alom betoonde innemendheid. Maar deze middag was het geweld van zijn oude vrienden ook Nuninga te veel: GVAV gebruikte zijn underdogpositie om alles of niets te spelen en denderde als een wals over Ajax heen.

Zondag 15 november 1964: voor de fans van Nuninga was het een zondag om snel te vergeten. De verbittering over Nuninga's sportieve worsteling smoorde het enthousiasme over het nieuwe perspectief van GVAV dat later FC Groningen zou gaan heten.

Maar zondag 15 november 1964 werd een zondag om nooit te vergeten: de dag waarop Johan Cruijff zijn debuut in de eredivisie maakte. Ajax' Engelse trainer, Vic Buckingham, riep het kwetsbare talent (17) onverwacht op nadat zijn ploeg was weggegleden naar de rand van de gevarenzone.

In het Oosterpark-stadion riep de komst van Johan Cruijff vele vragen op. Martin Koeman, toen spelend voor GVAV en nu werkzaam als technisch manager bij FC Groningen: 'Vlak voor de wedstrijd vernamen we dat ene Johan Cruijff zou spelen. Mij zei de naam niets. Ik had gelezen dat Ajax weer een groot talent had, maar ik wist niet welke naam daar bij hoorde. Cruijff was voor mij de grote onbekende.

'Toen de ploegen samen het veld opliepen zag ik hem en ik dacht: 'Mijn god, wat is dat ventje mager' Eénmaal in het veld vond ik hem nogal druk en opgewonden. Een snotneus met veel praatjes, ook tegen de scheidsrechter, maar ik zag wel dat hij goed kon voetballen. Hij was snel, gewiekst en bovendien voortdurend aanspeelbaar.'

De wereld van het betaald voetbal bezit tegenwoordig, door de permanente media-aandacht, nog maar weinig grote geheimen en spelers met iets meer dan een gemiddelde aanleg moeten er vandaag de dag rekening mee houden dat er in hun ontwikkeling maar weinig gebeurt dat niet meteen op straat ligt. Dat was drieëndertig jaar geleden anders. Wie kenden we dan wel van het in Groningen optredende Ajax-team? Sjaak Swart natuurlijk, Bennie Muller ook en de piepjonge Wimpie Suurbier. Maar spelers als Hoogerman, Ruiter, Den Boer, Schaaphok, Visser en Petersen waren onbekende grootheden.

Wat konden we, in Groningen, weten van het talent dat in Betondorp en in De Meer al jaren voor een vertederende opwinding zorgde bij mensen die hem aan het werk zagen. Bij de Groen van Prinstererschool, op 't Zandje bij de speeltuin, maar ook in De Meer, waar de kleine Cruijff dagelijks te vinden was. Zijn aanwezigheid was zo vanzelfsprekend dat Johan Cruijff waarschijnlijk de enige Ajacied is die zich nooit officieel als lid heeft aangemeld.

Ajax-trainer Vick Buckingham bewoonde in stadion De Meer de hoekwoning, van waaruit later de conciërges het overzicht over het inmiddels verdwenen complex hielden. Cruijff was er kind aan huis en zocht de golfballetjes die Buckingham in zijn vrije tijd door het stadion mepte. Maar met zijn broos postuur zou het nog wel even duren voordat hij de kans kreeg om op de voorgrond te treden.

Tot zondag de vijftiende november 1964.

Drie weken daarvoor had hij proefgedraaid in een oefenwedstrijd tegen Helmondia '55. Na de nederlaag tegen het Utrechtse DOS wilde Buckingham niet meer wachten en posteerde de 17-jarige Cruijff in een voorhoede tussen Sjaak Swart, Klaas Nuninga, Bennie Muller en Peet Petersen.

'Eigenlijk verliep dat ongemerkt', zegt Bennie Muller nu. 'Johan Cruijff maakte deel uit van de familie. Wij, de oudere jongens, kenden zijn vader, 'Ome Manus', die een groetenhandel dreef tegenover De Meer, maar ook zijn moeder en later zijn stiefvader, 'Ome Henk', die terreinknecht was. Als we trainden was Johan er altijd. Dan stond hij achter het doel om de ballen terug te schieten.

'Van het ene op het andere moment trainde hij gewoon met ons mee. Ger van Mourik, toen aanvoerder, bekommerde zich het meest om hem en Cruijff sprak hem nog met 'u' aan. Vriendelijk en beleefd was hij, totdat de training begon. Wij wilden hem nog wel eens ontzien, met dat magere lijf van hem, maar omgekeerd gebeurde dat niet. Hij deelde ook uit.

'Piet Keizer was zijn grootste vriend; die twee waren onafscheidelijk. Voor de wedstrijd tegen GVAV stelde Buckingham Cruijff plotseling op; we keken daarvan op omdat we hem nog zo breekbaar vonden. Maar spannend was het ook omdat we wisten dat hij erg goed kon voetballen.'

Klaas Nuninga kijkt, drieëndertig jaar later, nog steeds met gemengde gevoelens terug op zijn terugkeer naar het Oosterpark in Groningen: 'Ik had aanpassingsproblemen bij Ajax, het elftal was kwalitatief eigenlijk niet sterk genoeg en ik voelde, als de duurste aankoop, een geweldige druk op mijn schouders. Ik kende Johan Cruijff uiteraard, want ik ging meestal bij wedstrijden van het tweede elftal kijken.

'Dat ventje sprak me aan, maar hij had zo weinig kracht in zijn benen dat het hem moeite kostte de bal over een afstand van veertig meter weg te trappen. Pas nadat hij bij Buckingham krachttraining ging doen werd hij sterk en ontwikkelde hij de versnelling die hem ongrijpbaar maakte.

'Johan was nerveus voor zijn debuut. Hij rookte, zoals altijd, zijn sigaretje en dat was niet voor niks. Maar als de bal eenmaal ging rollen dan zag je weinig terug van zijn onzekerheid.

'Hij was bijdehand, ad rem en spontaan, maar ik vond hem niet aanmatigend. Hij was, zeker in begin, een echt Amsterdams straatschoffie. In de competitie waarin we 122 doelpunten maakten, mocht ik van hem het 99ste en 101ste doelpunt voor mijn rekening nam, maar voor de honderdste treffer tekende hij zelf. Daarvoor pakte hij bij wijze van spreken zelfs Piet Keizer de bal van de voet.'

Ondanks de aanwezigheid van Johan Cruijff kon Ajax in Groningen nieuw onheil niet voorkomen. Wel poetste hij zijn debuut op met zijn eerste competitietreffer. Nadat GVAV een onaantastbare 3-0 voorsprong had genomen, zocht Nuninga persoonlijke genoegdoening in twee afstandsschoten. Zowel de eerste als tweede inzet stuiterde doelman Van Leeuwen van de borst en beide keren was Cruijff er als de kippen bij. De eerste kans verzilverde hij.

Bescheiden was de aandacht die Johan Cruijff de volgende dag in de krantenverslagen ten deel viel. Zeker drieëndertig jaar na dato kan worden vastgesteld dat Nederlands grootste voetballer aller tijden ongemerkt de eredivisie is binnengeslopen. Over zijn talent was later minder misverstand dan over de schrijfwijze van zijn naam.

De Volkskrant sprak van 'Johan Kruyff.' 'De nauwelijks 18-jarige debutant van Ajax was de enige Amsterdammer die met lichte passen de kleedkamer bereikte (...) Twee maal ketste de bal voor de voeten van de ongehinderde Kruyff die de score eerst op 3-1 bepaalde, maar bij de volgende kans de juiste voortzetting miste.'

Ook het Algemeen Dagblad noemde Cruijff Kruyff en Het Parool concludeerde dat 'De jonge debutant Kruyff als enige Ajacied prettige herinneringen overhield aan het duel toen Van Leeuwen een hard schot in zijn richting omboog: 3-1.'

Het Algemeen Handelsblad noemde hem Cruijff zoals het hoort en volstond met: 'Ajax had Swart maar weer eens teruggeroepen en de 18-jarige Cruijff een kans gegeven, maar veel maakte dat allemaal niet uit.'

In zijn boek Cruijff, Hendrik Johannes, fenomeen onderscheidt Nico Scheepmaker de drie geboortes in het leven van Cruijff: die van het kind, de voetballer en de ster. Scheepmaker meent dat de ster op 24 oktober 1965 is opgestaan, in de wedstrijd DWS - Ajax (0-2), waarin hij de zieke Klaas Nuninga verving. Bijna een jaar na zijn debuut in Groningen.

'Wat Nuninga miste bracht Cruijff er weer in: vaart, doorlopend gevaar, het laatste ook in letterlijke zin, want Cruijff is een doordouwertje; zo één die de bal weer terugkrijgt' als hij hem heeft afgegeven doordat hij er meteen weer achteraan gaat ...'

In die laatste zin gaf Scheepmaker toen al een schitterende typering van het karakter van Johan Cruijff. Nu hij vijftig is, en hij steeds meer afstand neemt van het voetbal, staat vast dat zijn aanwezigheid grote gevolgen heeft gehad voor het Nederlandse voetbal. Dankzij zijn unieke kwaliteiten, maar ook door zijn hebzucht en vasthoudendheid. Johan Cruijff gebruikte zijn conflicten om nieuwe ontwikkelingen op gang te brengen. In het veld, maar vooral daarbuiten.

'Ik heb nooit op mijn gemak kunnen voetballen, want ik heb altijd de druk van grote verwachtingen op me gevoeld. Wat dat betreft kan ik niet meer verrast worden', zei hij toen hij eerste trainerscontract bij Ajax (1985) net had getekend. Maar dat het eerbetoon bij zijn 50ste verjaardag zo groot zou uitvallen kan hij nimmer hebben voorzien, want enig gevoel van miskenning is hem nooit vreemd geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden