Een bijna vanzelfsprekende opmars

Lewis Hamilton kan zondag als eerste zwarte de wereldtitel in de Formule 1 winnen. Zelf is de Brit er zich zelden bewust van anders te zijn....

Wie geheel blanco de biografie van autocoureur Lewis Hamilton leest, zou denken: niets aan de hand. Opgegroeid in een sjofele buurt, maar omringd door liefdevolle ouders die hem ook na hun scheiding in harmonie grootbrengen.

Gelukkige jeugd, knap stel hersens, leuke kop, sportief en een uitblinker in alles wat op vier wielen wordt gemotoriseerd. Pas op bladzijde 124 van Lewis Hamilton: the full story, als de hoofdpersoon bijna volwassen is en op het punt staat de top te bereiken, roert biograaf Mark Hughes zijn huidskleur aan.

Dit zegt de man die zondag als eerste zwarte de Formule 1 kan winnen: ‘Ik word echt niet elke morgen wakker met het idee: shit, ik ben zwart. Natuurlijk zijn er een paar mensen die me er anders om behandelen, maar het overgrote deel doet normaal. Daarom ben ik me er zelden bewust van anders te zijn dan de anderen.’

En dit zegt zijn baas Ron Dennis op dezelfde pagina: ‘Ik heb Lewis gewaarschuwd dat hij problemen met mij krijgt als hij zijn huidskleur gaat exploiteren. Het gaat puur om het racen, om de ontwikkeling van zijn talent.’

Einde discussie.

Met golfer Tiger Woods en autocoureur Lewis Hamilton lijkt de zwarte emancipatie in topsport haar voltooiing te hebben bereikt. De een is en de ander wordt kampioen in een sport waarin hun ras nooit een rol van betekenis heeft gespeeld. Maar hun opmars is bijna vanzelfsprekend geweest en hun hegemonie onbesproken.

Beiden zijn ze trotse vaklui, sympathiek buiten de arena en meedogenloos erin. Ze willen alleen op hun talent worden beoordeeld en als je hun verhalen leest, gebeurt dat ook; alsof discriminatie voltooid verleden tijd is.

Dat is des te opvallender nu de ene historische gebeurtenis vermoedelijk samenvalt met de andere. Twee dagen nadat Hamilton zijn tweede seizoen in de Formule 1 kan bekronen, doet Barack Obama een gooi naar het ambt van Amerikaans president. De één kan zijn huidskleur vergeten, de ander wordt er elke dag aan herinnerd.

Dat komt vermoedelijk doordat zwarten zich als sporter al veel langer kunnen manifesteren en ze in het publieke leven een vooral symbolische rol speelden.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog boksten de Amerikaan Joe Louis en de Duitser Max Schmeling om de wereldtitel. Het was een gevecht tussen zwart en blank, maar ook tussen het vrije Westen en de nazi-ideologie. Tezelfdertijd tartte de zwarte atleet Jesse Owens ten overstaan van Adolf Hitler de superioriteit van het arische ras op de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn.

Dat lijkt allemaal heel nobel, maar met uitzondering van boksen was de positie van zwarte sporters helemaal niet zo vanzelfsprekend. Baanwielrenner Major Taylor moest in het begin van de vorige eeuw heel wat overwinnen om in de Verenigde Staten zijn krachten te mogen meten met andere sprinters. Ook Owens had, ondanks zijn heldenstatus, in Amerika voortdurend te kampen met alledaags racisme.

In de tweede helft van de twintigste eeuw veranderden de dingen pas echt. Symbolisch was de doorbraak van Jackie Robinson vlak na de oorlog in het honkbal. Amerika had zijn favoriete sport tot dan toe in rassen gescheiden, maar Robinsons talent was zo groot dat de Brooklyn Dodgers hem inlijfde om in de Major League te kunnen uitkomen.

Robinson moest er veel ellende voor doorstaan, maar dankzij zijn vasthoudendheid vonden steeds meer zwarten daarna hun weg in de topsport.

Die eerste generatie eiste in alle bescheidenheid een plaatsje op onder de zon. Maar in de loop van de jaren zestig veranderden de verhoudingen. Zwarten werden militanter en sport werd een podium om rechtvaardigheid op te eisen.

Muhammad Ali was in woord en daad de belangrijkste representant van die beweging. Maar de meeste indruk maakten de atleten Tommie Smith, John Carlos en Lee Evans 40 jaar geleden op de Olympische Spelen in Mexico.

Op de erepodia van de 200 en 400 meter staken zij een gebalde rechtervuist demonstratief in de lucht: black power in optima forma. Acht jaar geleden blikten Evans en Smith in de Volkskrant terug op hun actie. ‘Onze ouders schaamden zich voor hun huidskleur, wij niet. We waren trots op onze afkomst, noemden onszelf zwarten. Trotse zwarten.’

Zo zijn geleidelijk aan barrières geslecht. Althea Gibson en Arthur Ashe werden de besten in het door blanken gedomineerde tennis. Shani Davis kan zich met de besten meten op bevroren water, al die jaren het domein van de doorgewinterde Europeaan.

Fred Fitz James was een van de vele Surinamers die zich in de jaren zeventig in Nederland vestigden. Hij heeft zich in organisatorisch opzicht altijd bemoeid met de sportbeoefening in zijn gemeenschap en kan de Nederlandse ontwikkeling schetsen.

‘Laatst werd ik gebeld door een vriend die vertelde dat hij binnenkort op vakantie ging. Ik ging er meteen van uit dat hij naar Suriname ging. Maar, nee, hij gaat op wintersport, skiën. Pas toen besefte ik het. Dat hoort er nu dus ook bij.’

Fitz James doelt op een ontwikkeling die haar oorsprong vindt in Suriname, waar sport destijds een bijzaak was. ‘Niet iets waarvan je een living kan maken.’ De meest beoefende sporten in Suriname waren destijds voetbal en basketbal omdat ze niets kosten. Van kleren en oude fietsbanden was zo een bal, een doel of een basketbalring gemaakt.

Mannen als Erwin Sparendam en de gebroeders Mijnals bewezen in de jaren zestig dat voetbal wel degelijk een ‘living’ kon zijn. Juist in die sport hebben Surinamers, geboren in eigen land en opgegroeid in Nederland, daarna het meest van zich doen spreken. Antillianen waren een welkome versterking voor het honkbal.

Maar in de meeste andere sporten is nauwelijks of niet sprake van zwarten, uitzonderingen als Enith Brigitha en Anthony Nesty daargelaten. Nesty won in 1988 verrassend olympisch goud voor Suriname op de 100 meter vlinderslag.

Fitz James: ‘Dat kwam echt uit de lucht vallen. Zwemmen stelde in Suriname niets voor en Nesty moest naar een Amerikaanse universiteit gaan om zo goed te worden. Maar zijn succes heeft wel iets op gang gebracht. Bij de Pan-Amerikaanse Spelen doen de Surinaamse zwemmers het nu heel goed.’

Volgens Fred Fitz James is het een kwestie van tijd voordat Surinaamse Nederlanders uitblinken in typisch blanke sporten als hockey, tennis en zelfs schaatsen. ‘We zijn nu aanbeland bij de derde of vierde generatie. Sport is een luxe die men zich kan veroorloven.

‘Als je het bekijkt vanaf de jaren zeventig hebben we eerst een plek moeten veroveren in de maatschappij. Daarna was de eerste prioriteit een goede opleiding voor de kinderen. Nu zijn we economisch gezien een normale bevolkingsgroep geworden. Een paar toppers, een solide middenklasse en een kleiner wordende onderklasse.

‘Er is binnen veel gezinnen dus de tijd en het geld om het talent van kinderen te ondersteunen en dure attributen als hockeysticks of schaatsen te kopen. Onder de tieners heb je nu al goede hockeyers en schaatsers, en niet te vergeten schakers. Het komt er beslist aan.’

De aanstaande titel van Lewis Hamilton beschouwt de 60-jarige Fred Fitz James ook in dat groter verband: geen mijlpaal, maar de voltooiing van een proces. Hij maakt zich meer zorgen over Barack Obama.

‘Zoals wij een ontwikkeling hebben doorgemaakt, zo hebben de blanken dat ook moeten doen. Als Obama het uiteindelijk toch niet redt, is het omdat de oudere man of vrouw met blauwe ogen zich in het stemhokje alsnog bedenkt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden