Een aparte combinatie van stad en paard

In de wereld van springende paarden is Carry Huis in 't Veld een aparte. De 26-jarige amazone uit Amsterdam houdt van haar sport, maar ook van het Leidseplein....

door Martien Schurink

VOOR deze ene keer is Carry Huis in 't Veld, professioneel beoefenaarster van de springsport, bereid een concessie te doen. Dodelijk saai vindt ze de dressuur en ook nog eens dubieus vanwege het feit dat de beoefenaars zijn overgeleverd aan de grillen van juryleden. Maar omdat het vanmiddag nu eenmaal de finale van de wereldbeker betreft en ene Anky van Grunsven met Bonfire haar kunsten zal vertonen, alleen daarom is ze bereid een oogje te wagen aan de passages, piaffes en pirouettes die het verenigde paardenvolk in Den Bosch krijgen voorgeschoteld. Maar langer dan een paar minuten zal Huis in 't Veld het schouwspel niet laten duren.

Ooit poogde de 26-jarige Amsterdamse zich te bekwamen in het maken van dansjes met paarden. Omdat ze de dochter was van een vader die in Amsterdam discotheken exploiteerde, waaronder de fameuze iT nabij het Rembrandtplein. En omdat ze in die dagen de bezitster was van een pony die niet kon springen of dat eenvoudig vertikte. Vandaar.

Ze herinnert zich als de dag van gisteren haar eerste wedstrijd met die eigengereide pony. Voor haar gevoel reed ze zo beroerd nog niet. Een zesje zat er toch zeker wel in. Kwam na afloop een van de scheidsrechterende bolhoeden naar haar toe, ze was nota bene nog maar negen, en beet haar toe: 'Meisje, je hebt een best paard, maar zelf kun je er niet veel van.'

Vandaar misschien dat ze de wereldbekerfinale in de Brabanthallen goeddeels aan zich voorbij laat gaan. Vandaar ook dat ze piaffe en pirouette uit haar leven bande en zich met hart en ziel bekwaamde in het maken van sensationele zweefsprongen over sensationeel hoge oxers. 'Als ik zin heb om te dansen doe ik dat zeker niet met een paard.'

Ze heeft altijd al aparte ideeën gehad. Wat moest zij, geboren en getogen op het Leidseplein, dochter van ouders die 'beesten helemaal niet leuk vonden', als meisje van acht in hemelsnaam met een pony? Eigenlijk niet zo gek veel. 'Ik wilde zo'n dier alleen maar aaien. Nee, ik hoefde er niet per se op te zitten.'

Ze zeurde haar vader, die in die tijd toch ook al wel een cent te makken had, de kop helemaal gek. Niet dat het wat hielp. 'Het was nee en het bleef nee. Dus besloot ik mijn tactiek te wijzigen. Elke dag schreef ik mijn vader een brief met steeds dezelfde vraag: lieve papa, geef me alsjeblieft een pony.'

Tegen zoveel grrlpower was de stoere horecaman uiteindelijk niet bestand. 'Alsjeblieft, hier heb je jouw pony, maar je moet hem wel delen met je zusje.'

Dat zusje, Lia, was 'ouder, groter, meer mans en had ook nog eens meer talent. We hadden ieder een halve pony en dat betekende dat we altijd ruzie hadden. Die ruzie vonden onze ouders maar niks.' Maar daar werd al gauw wat op gevonden.

Het oudere zusje kreeg, om van het gedonder af te zijn, een eigen pony. Ze ging wedstrijden rijden en deed dat zo succesvol dat de ouwelui langzaam maar zeker in de ban raakten van de sport. Er werden nieuwe pony's gekocht, de volgende was altijd weer beter dan de vorige, en van lieverlee werden ook de prestaties van Carry beter en beter. Ze doorliep op basis van die wonderlijke mengeling van toewijding en talent in hoog tempo alle stadia van de ponysport en was inmiddels een amazone van aanzien toen ze oud genoeg was om haar carrière voort te zetten in de wereld van de grote paarden en dito oxers.

In twee, drie jaar steeg ze vanuit het niets naar een plaats in de topvijftig van de wereldranglijst. Werd ze opgenomen in de A-selectie. Werd ze international en een onmisbare schakel in de nationale ploeg. Werd ze een van de zeven die bondscoach Johan Heins nomineerde voor de Spelen van Sydney. Verzamelde ze in het wereldbekerseizoen zoveel punten dat ze zich morgenmiddag in de Brabanthallen enkele springfouten kan permitteren. Haar deelname aan de finale in Las Vegas, medio april, staat toch al vast.

Het heeft haar (en haar vader) niet eens zoveel geld gekost om zo ver te komen. Amerikanen en drieste Japanners struinen al jaren de Europese markt af en zijn bereid miljoenen te schuiven voor een paard dat een beetje fatsoenlijk over een oxer springt.

Huis in 't Veld volgde een andere, veel goedkopere tactiek. Vader en dochter kopen bij voorkeur vierjarige paarden, betalen daar enkele tienduizenden guldens voor en vervolgens is het aan dochterlief om die jonge paarden op te leiden voor de grote, internationale concoursen.

Zo voerde ze de vurige hengst Hay Guy naar de top en zo is ze doende de bedaarde schimmel Iceberg de fijne kneepjes van het vak te leren. Met die twee heeft ze, weet ze zeker, geluk gehad. 'Als je ze jong koopt, koop je in feite niet meer dan een illusie. Je weet dat het beest kan springen, maar je weet niet of het ook het hart heeft om te springen wanneer de oxers hoger en breder worden. Het is altijd maar weer afwachten hoe zo'n dier zich ontwikkelt.'

H

ET is beter om ze jong te kopen dan oud en kant-en-klaar, weet Huis in 't Veld uit ervaring. 'Jonge dieren hebben alle tijd om aan je te wennen. Ze moeten leren je te vertrouwen en omgekeerd. Een paard heeft gauw in de smiezen of je het beste met hem voor hebt. Ze zijn niet achterlijk. Maar het belangrijkste is toch dat ze aardigheid moeten hebben in springen.'

Of Hay Guy het leuk vindt, dat weet ze nog zo net niet. Maar Iceberg is een uitgesproken liefhebber. 'Na elke oxer bokt hij en hoor je hem piepen, gaan de oortjes naar voren en niet zelden komt het voor dat de witte zomaar voor de lol een meter hoger springt dan nodig is.'

Dat zijn momenten van gelukzaligheid en die momenten zijn nodig omdat het leven in de springsport haar niet altijd kan bekoren. 'Je moet er veel voor doen en nog meer voor laten. Je bent altijd onderweg en dat wil ik eigenlijk niet. Ik wil geen zigeunerleven leiden. Dat stompt alleen maar af. Ik wil wel eens over iets ander praten dan over paarden, wil wel eens een dag een paard niet zien. Wil wel eens geen paardenvolk om me heen.'

Ze staat 's morgens in alle vroegte op om 's middags vroeg klaar te zijn. Kan ze de stad in, de buurt verkennen waar ze opgroeide, shoppen, uitgaan met vriendinnen die god zij geloofd en geprezen van paarden geen sjoege hebben. 'Ik voel me anders dan anderen in de hippische wereld. Nee, niet beter, zo arrogant ben ik niet. Ik leef in twee verschillende werelden, en dat is wel eens lastig.'

Om die ene wereld, de wereld van paarden, te ontvluchten moet ze wel het huis uit, het huis annex landgoed Betlem van twaalf hectaren aan de A 1 bij Diemen, dat haar vader dertien jaar geleden voor een prikje kocht. Want ook dat huis wordt geregeerd door paarden, waarvan ze er nu vijftien heeft. En in niet mindere mate geregeerd door haar vader die in niets meer lijkt op de vader die zo lang weigerde zijn dochter zoiets simpels als een pony cadeau te doen. 'Pa is inmiddels helemaal fanatiek. Kan over niets anders meer denken en praten dan over paarden. Man, zeg ik wel eens, hou je kop nu eens, ik word helemaal gek van je.'

Het stadsmeisje heeft, wil ze maar zeggen, ook andere interesses. Ze is gek op haar paarden en op haar sport, maar niet overdreven gek. 'Op de rug van een paard zitten, eigenlijk vind ik er niet zo heel veel aan. Als ik stop zal ik er nooit meer bovenop klimmen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden