AnalyseTeamsprint

Drietrapssprintraket naar goud op de baan

De Nederlandse baanwielrenners blinken uit op de teamsprint. Woensdag kunnen ze in Berlijn voor de derde achtereenvolgende keer wereldkampioen worden. Ze streven er en passant naar een wereldrecord. Dat dateert uit 2013: 41,87 seconden, gereden door Duitsland, op hoogte in Mexico. De echte bekroning moet olympisch goud worden, komende zomer in Tokio.

De Nederlandse mannen worden Europees kampioen in 2019. Van voor naar achter : Roy van den Berg, Harrie Lavreysen en Jeffrey HooglandBeeld Klaas Jan van der Weij

Op deze discipline, die vaak op minieme verschillen wordt beslist, mag niets misgaan. Twee ploegen met elk drie deelnemers die elkaar aan kop aflossen, rijden in drie ronden van 250 meter om het hardst. Het moet in krap 42 seconden. Hoe werkt de drietrapsraket van deze krachtpatsers? De hoofdrolspelers geven inzicht in de anatomie van hun specialiteit: de starter, de tweede man en de afmaker.

Roy van den Berg, baansprinter. Beeld Klaas Jan van der Weij

Roy van den Berg (31), starter

‘Dat ik in Berlijn rij, is vorige week besloten op een testdag tijdens een trainingskamp in Zwitserland. Dat ging goed. Hoe snel het was? We mogen eigenlijk niet over tijden praten. (…) Ach, wat kan mij het ook schelen, het gemiddelde van mijn ritten was 17,19 seconden. Dat is knetterhard. Het was heel constant, het liep maar zo’n driehonderdste uiteen.

‘Ik ben er blij mee. Ik heb een periode gehad waarin het wat minder ging. Vorig jaar juni overleed mijn moeder. Ik kon me niet goed focussen, ik kon niet leveren. Dat zag je terug in de tijden. Een psycholoog heeft me geholpen, daar heb ik veel baat bij gehad. Het moet ook gewoon slijten, natuurlijk.

‘Op zo’n start komt alles bij elkaar. Kracht, explosiviteit, snelheid, timing, aerodynamica. Het is best een pittig ding. Ik spreek mezelf altijd toe. Kom op, Berg! Gas erop. This is the moment. Die eerste meters zien er heftig uit, ja. Maar het is ook heftig. Je moet precies op tijd uit de startmachine schieten en dan in 250 meter van 0 naar 70 kilometer per uur zien te geraken. Ik begin omdat ik loeisterk ben, op een legpress in de gym duw ik 700 kilo weg. Maar daar draait het niet alleen om.

‘Het is ook souplesse. Ik rij geen uitzonderlijk zwaar verzet, daar kom jij ook nog wel op weg. Alleen zal bij jou de fiets alle kanten opgaan. Ik moet hem de hele tijd op de zwarte lijn op de baan zien te houden van, wat zal het zijn, vier centimeter breed. Ik wil 250 meter fietsen en niet 250,5. Het kan soms om duizendsten van seconden gaan.

‘Er zijn in die ronde enkele punten waarop ik me kan focussen. Na 150, 160 meter ga ik op het zadel zitten. Daar heb ik de afgelopen tijd veel winst geboekt. Ik verloor bij die overgang van het staan op de trappers nogal veel vermogen, je zag echt een dip in de metingen. Nu neem ik er meer de tijd voor, ik pak een paar omwentelingen extra mee. Dat werkt hartstikke goed. In mijn laatste bocht probeer ik mijn armen zoveel mogelijk naar binnen te houden. Ik wil een vloeiende lijn rijden, de fiets mag niet naar boven of naar beneden gaan, je wil dat die alleen maar naar voren gaat. Daarna zit het erop en stuur ik uit.’

Gewenste tijd voor het wereldrecord: 17,2 seconden.

Harrie Lavreysen, baansprinter.Beeld Klaas Jan van der Weij

Harrie Lavreysen (22), tweede man.

‘Wat mij geschikt maakt voor deze positie is dat ik redelijk rustig start. Dat heeft te maken met mijn schouders, die zijn nogal gehavend in de tijd dat ik nog op de BMX reed. Ze schieten niet zo snel meer uit de kom als vroeger, maar ik ben daar gewoon wat minder sterk.

‘Mijn sterkste punt komt later: zittend versnellen, van 60 naar bijna 80 kilometer per uur. Waar ik me op richt is eerst een mooi gat met Roy te houden. Dat rij ik pas dicht in de tweede helft van de eerste ronde. Dat ziet er misschien wat onlogisch uit, maar op het moment dat de starter stopt, ligt mijn snelheid hoger dan die van hem. Roy zet ons af als hij op pakweg 70 kilometer per uur zit, ik kom dan met 78 aan. Als ik direct zijn wiel zou pakken, zou ik dus veel trager zijn. Toch profiteer ik van zijn slipstream. Tot 20 meter heb je er voordeel van. Hij is een mooi richtpunt en vormt zo mijn springplank voor de tweede ronde die ik dan supersnel kan beginnen.

‘Het is wel wonderlijk: in de eerste ronde is het voor mij net of alles in slow motion gaat, ik voel me ook heel rustig. Pas in mijn eigen ronde komt het besef van snelheid en slaat de stress toe. Het zal er wel mee te maken hebben dat ik de eerste ronde van tevoren veel visualiseer. Dan krijg je in werkelijkheid ook het gevoel dat je naar jezelf zit te kijken.

‘Zittend versnellen klopt eigenlijk niet helemaal. Ik zweef meer net boven het zadel. Dat komt door het hoge beentempo, ik haal 154 omwentelingen per minuut. Dat hou ik dan in mijn ronde iets meer dan 12 seconden vol. Ik verlies wel wat aan snelheid, het scheelt een paar kilometer. Ik weet onderweg doorgaans wel in te schatten of het goed gaat. Als ik alles heb moeten geven om het gat met de starter dicht te rijden, weet ik dat de eerste ronde naar wens is gegaan. In de tweede voel ik wel aan mijn beentempo hoe het zit.

‘Nee, ik zie de derde man niet. Alleen maar heel kort bij de start, hij zit dan even naast me. Zo weet ik of hij goed weg is. Daarna duikt hij achter me en zie ik hem pas terug als ik na 500 meter ruimte voor hem maak. Dan is het aan hem.’

Gewenste tijd voor het wereldrecord: 12,1 seconden.

Jeffrey Hoogland (26), afmaker.

‘Die positie was eerst niet mijn doel. Ik ben begonnen als starter en wilde daarin de snelste ter wereld worden. Één ronde knallen en dan mag de rest het zelf opknappen. Zo dacht ik er eerst over. Daarna vond ik plek twee ook wel mooi. Het is wat meer spelen: wat kan ik richting de starter doen, hoe kan ik de derde man zo goed mogelijk meenemen. Maar wat ik nu doe, is ook wel vet. Niemand kan het op dit moment zo goed als ik. Het is zo mooi om samen de teamsprint te rijden. Als ik het terugzie, vind ik het elke keer weer gaaf, hoe het onderling werkt, de power die je levert, de snelheden die je haalt.

‘Ik probeer echt in het startschot te vallen en goed mee te komen. Ik moet gelijk weten waar Harrie zit en dan zo dicht mogelijk in zijn wiel kruipen, op 10 à 20 centimeter hooguit. Ik ben er op voorbereid dat als hij aan de beurt is, er een flinke versnelling komt. Daar moet je alert op zijn. Als het goed is, kun je bijna gratis mee op dat hogere tempo. En dan is het voor mij rustig blijven zitten, rustig blijven ademhalen. Hij neemt mee me als het ware mee.

‘Ik moet zoveel mogelijk zien over te houden voor mijn laatste ronde. Alles wat ik daarvoor heb gedaan, dient zo efficiënt mogelijk te zijn. Daarin ben ik kennelijk het beste. Hoe gecontroleerder dat proces verloopt, hoe harder mijn eindschot zal zijn. Als Harrie de laatste bocht uitkomt, gaat hij iets omhoog in de baan om me af te zetten. Dat zit hij op zo’n 75 kilometer per uur en dan kan ik er onderdoor accelereren. Vanaf dat moment is het all out.

‘Als ik het gevoel heb dat het goed trapt, dat mijn cadans in orde is, weet ik wel dat het hard gaat. Of het genoeg is, blijft de vraag. Juist tijdens mijn beste teamsprints had ik het minst het benul hoe het erbij stond. Dat betekende dat ik zo dicht op Harrie reed dat het me niet zoveel energie kostte. Ik was ineens aan de beurt, alsof het me overkwam.

‘Ik eindig  mijn ronde met zo’n 73 kilometer per uur. Het is alleen maar: hou vol, man, hou vol! Nu de laatste bocht nog! En eenmaal over de streep kijk je zo snel mogelijk naar het scorebord. Pas dan weet je het zeker.’

Gewenste tijd voor het wereldrecord: 12,5 seconden.

Totaal 41,8.

Het spel tot Tokio

De precieze rolverdeling op de teamsprint staat nog niet vast. Na een testdag op de baan in Grenchen, Zwitserland, koos bondscoach Hugo Haak voor Roy van den Berg als starter op de WK in Berlijn. Nils van ’t Hoenderdaal aast op dezelfde plek en krijgt in juni nog een kans zich te kwalificeren voor de Olympische Spelen in Tokio.

Harrie Lavreysen is als tweede man zeker van deelname op beide evenementen. Op de plek voor de afmaker zal Haak in Berlijn zowel Matthijs Büchli als Jeffrey Hoogland laten rijden, in de kwalificatie en de halve finale. Wie de snelste tijd neerzet, rijdt de finale.

Voor de Olympische Spelen is er op de teamsprint normaal gesproken plek voor drie renners. Maar er is een kans dat er toch vier zullen deelnemen. Dat kan door een baanrenner de wegwedstrijd te laten rijden. Waarschijnlijk zal dat Jan Willem van Schip worden, die in Japan ook het omnium en de koppelkoers fietst. Dan moet er wel een wegrenner in de selectie wijken. De KNWU heeft al bij de internationale wielerfederatie UCI gepeild of dit is toegestaan en kreeg groen licht.

Volgens Haak snijdt het mes aan twee kanten. Door vier renners op de teamsprint in te zetten, kan hij in de opstelling wisselen. Dat spaart krachten. Bovendien kan hij dan zowel Lavreysen, wereldkampioen op de sprint, als Hoogland, Europees kampioen op de sprint en Büchli, wereldkampioen op de keirin, op de individuele sprintnummers laten meedoen. Dat vergroot de medaillekansen. Na de WK in Berlijn neemt de KNWU een beslissing.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden