De vliegende huismoeder

'Zo moeten de oude Grieken hun winnaars hebben binnengehaald', zei burgervader D'Ailly na een grootse huldiging. De drie estaffeteloopsters, die Fanny Blankers-Koen vijftig jaar geleden in Olympisch Londen voorgingen in haar vierde triomf, waren iets nuchterder....

DE Hollandse houding tegenover succes is nogal gespleten, het was vijftig jaar geleden niet anders. Uitzinnigheid zodra iets bijzonders werd verricht, koelheid bij tegenvallers. En achteraf: vooral niet te veel eren en véreren, snel van de waan weg en terug naar de werkelijkheid. Maar vast staat dat het commentaar dat de Volkskrant in 1956 leverde op de plannen een beeld van de Atletische vrouw te laten houwen, nu niet meer zou kunnen.

Acht jaar nadat Fanny Blankers-Koen vier maal had gezegevierd in Olympisch Londen, maakte Rotterdam bekend bij Diergaarde Blijdorp een beeld te willen plaatsen als hommage aan 'de Nederlandse vrouw'. Fanny Blankers-Koen had voor Han Rehm geposeerd, ze finishte in brons, op een voetstuk waarvoor natuursteen uit Duitsland was gehaald.

Het tijdschrift Beeld noteerde in januari 1956 de opvattingen van de Volkskrant. Het katholieke dagblad van toen vond het beeldhouwwerk een monstrum, had ook op de keuze van de persoon kritiek: 'Maar ons derde bezwaar is het ernstigt. Dit geldt het symbool waarvan het beeld in Rotterdam getuigen wil. Dit symbool luidt: ''De flinkheid der Nederlandse vrouw.'' Ik geloof niet dat de Nederlandse vrouw en deze vrouw in het bijzonder hiervan gediend zullen zijn. De ''flinkheid'' van mevrouw Blankers-Koen geldt niet allereerst haar sportieve prestaties, maar het feit dat zij een goede moeder is en het huishouden van de heer Blankers op een voortreffelijke wijze bestiert. Dat zij wat harder gelopen heeft dan andere vrouwen, is niet de kern van haar bestaan. Haar ''flinkheid'', om dit ellendige woord te gebruiken, schuilt veeleer in het feit dat zij voor déze taak niet is gaan lopen, dat zij hier is blijven staan met de honkvastheid die de redding is van elke man. En wat voor haar geldt, geldt voor alle vrouwen in Nederland. Wie de mate van hun kordaatheid afmeet naar de ontwikkeling van dij- en kuitspieren, maakt zich schuldig aan een schromelijke misvatting waarin de kracht van de vrouw gelegen is. Deze ligt niet in het vermogen zich gezwind van het ene punt naar het andere te verplaatsen, maar in de vasthoudendheid waarmee ze zich op één punt concentreert en daar onwrikbaar blijkt. Kortom, de grote ''horde'' in het bestaan van een getrouwde vrouw is de dagelijks terugkerende, weinig roemvolle en somtijds dodende routine van het gezinsleven. Die horde elke dag opnieuw te nemen is de opgaaf van elke huismoeder, vliegend of niet. En zo wij van vrouwelijke flinkheid spreken, dan is het déze volharding, die waarlijk een monument verdient.'

Toen Fanny Blankers-Koen na de Olympische Spelen in Amsterdam terugkwam, kreeg ze een fiets. Omdat ze altijd met de herenfiets van haar man naar de trainingsbaan moest. Ook werd haar een kruidkoek gezonden, uit Meppel, door het gilde van Drentse kelners. In een begeleidend schrijven groetten de tafeldienaars de trots van naoorlogs Nederland als volgt: 'Ook in ons beroep moeten we veel lopen.'

De ploeggenotes met wie Fanny haar vierde gouden medaille haalde, ze zijn onverminderd strijdlustig. En al heeft Gerda van der Kade-Koudijs nooit meer iets van Fanny willen weten, bitter is niemand. Ze waren gewoon geen van allen makkelijke tantes, en Fanny al helemaal niet. Kampioenes zijn nooit gemakkelijk.

Fanny werd door haar man en ontdekker, Telegraaf-verslaggever Jan Blankers, een onaardige richting ingedwongen. Ze mocht van Jan niet lopen, als duidelijk werd dat ook de Friezin Foukje Dillema aan de start zou verschijnen. Dillema had een opvallend masculien voorkomen, maar er was nog geen seksetest. Het vergeten van de 'narigheid', van de controverses in de ploeg, moet zeker na zo lange tijd ondergeschikt zijn aan het respect.

Het talent van Fanny was natuurlijk verbazingwekkend, maar de mede-atletes keken er vooral van op dat Fanny niet alleen op de vlakke sprint 's werelds snelste was, maar ook op de 80 meter horden. De afstand tussen twee hordes was destijds acht meter, een halve meter minder dan nu. Koen, de 'vliegende huismoeder', de snelste housemam ter wereld, had eigenlijk te lange benen. Ze knalde tegen de obstakels op, ze sloeg in Londen bij de vijfde horde bijna tegen de sintels, maar ze won wel.

Op een van de laatste dagen van die Olympische Spelen in 1948, gisteren precies vijftig jaar geleden, liepen de drie atletes die haar in de 4 x 100 meter-estafette voorafgingen, een aanzienlijke achterstand op tegen de teams uit Australië en Canada. Kansloos leek de ploeg, maar Fanny vloog opnieuw naar voren, haalde voor de vierde maal goud en werd niet veel later Nederland binnengehaald als een vorstin.

In een open, roodgelakte landauer met vier bepluimde appelschimmels, geëscorteerd door palfreniers met versierde zwepen, welkom geheten door spreekkoren van de duizenden mensen op het Damrak. De toeschouwers klommen op balkons, zaten in bomen en lantaarnpalen, ze stonden op trams en bussen. Bedolven werd ze onder de geschenken. Suiker was nog op de bon, zo kort na de oorlog. Een vrouw langs de route gaf haar bonnen weg: 'U zult de komende dagen wel veel thee moeten schenken.' De eenvoudige Fanny, ofschoon al moeder (van Jan en Fanny) was perplex. Ze antwoordde een omstander dat ze niet een béétje nerveus was: 'Nee mijnheer, wel twee beetjes.' De echtgenoot 'trok somber aan z'n sigaret', zeggend: 'dat wórdt vanmiddag wat. En ze heeft haar rust zo nodig.'

De medeloopsters van toen kijken zeker niet weemoedig terug naar die unieke dagen van 1948. Er was veel gebeurd. De Olympische Spelen in het Hitler-Berlijn van 1936 hadden littekens nagelaten, de Spelen van 1940 en 1944 waren door de oorlog niet doorgegaan. Nog steeds heerst iets van gramschap over 1936. De levenden - en ze leven allen nog - zeggen: 'Laat ik er mijn kop er maar over houden.'

Het grote raadsel heet Gerda van der Kade-Koudijs. Ze heeft zich na 1948 afgewend van Fanny en Jan Blankers. De anderen laten ook wel iets van misprijzen doorklinken over dwingelandij, maar wat ze allen gemeen hadden, was die enorme wil, de wil om te lopen. Op die wil zijn ze trots. 'We hadden niets anders.'

Ze moesten een kuiltje graven in de sintelbaan, dat kuiltje was hun startblok. Ali Gerritsen liep tot haar 43ste, ze was talloze malen ploegleidster van de atletiekunie, maar ze wil niet zeggen waar het in 1936 misging tussen Fanny en de rest van de Nederlandse equipe. 'Zoek dat zelf maar uit, ik wil er niets mee te maken hebben.'

Het had niet te maken met de naderende oorlog, met het fascisme, noch met Hitler die tandenknarsend de zwarte Amerikaan Jesse Owens vier maal zag winnen. Er was gewoon ruzie tussen Jan Blankers en de vrouwenploeg waarvan hij als coach fungeerde. Het waren de eerste Spelen van Fanny, de estafetteploeg met haar in de gelederen werd vijfde. 'Ach', zegt Ali Gerritsen, 'terughalen van die verhalen heeft geen zin. Laat toch.'

Na 1948 bleven de onderlinge wrijvingen, ze werden in het geval van Koudijs zelfs nog sterker. De Nederlandse atletiek bestond sinds de Spelen van Londen niet meer. Alleen Fanny Blankers-Koen bestond nog. Ze werd geridderd, in 1982 zelfs bevorderd tot Officier in de Orde van Oranje. De medeloopsters uit 1948 vonden het best maar toonden telkens weer distantie en waren, al wilden ze het niet zo noemen, toch ietwat kregelig door de miskenning.

Het 'gewoonste meisje' was Nettie Witziers, of zoals ze officieel heet: Jeanette Josephina Maria Witziers-Timmer. Ze is naast de dit jaar tachtig geworden Fanny nog de enige die lid is van de 'Vrienden van de KNAU'. 'We doen elk jaar nog aan die klootschietdag op Papendal mee. Laten we maar zeggen dat het mooie herinneringen zijn. Met Xenia, onze startloopster in Londen, kon Fanny niet opschieten. Gerda werd Europees kampioene verspringen en niemand weet dat nog. Onze namen werden tijdens de inhuldiging op het stadhuis niet eens genoemd, zoiets zou nu niet meer gebeuren. We waren voorlopers in de vrouwensport, ik zat ook nog in het Nederlands handbalteam, helaas viel het WK samen met de Olympische Spelen. Maar oké, Fanny kon nu eenmaal het best haar woordje doen, het was een geweldig gezellige meid, wíí waren gewoon iets bescheidener.'

Timmer weet niet meer precies waarom Gerda Koudijs afhaakte. Xenia Stad-De Jong: 'Gerda had gelijk: wij telden niet voor Fanny. Alles draaide om haar. Het beste konden wij maar op de tribune blijven zitten. Zelfs toen Ellen van Langen olympisch kampioene werd en wij een uitnodiging kregen, konden we blijven zitten. Dat doen we dus nooit meer. Daar ga ik geen mooi bloesje meer voor aantrekken. Je wordt niet eens genoemd. Gerda wilde geen huldiging en ontliep die ook. Het is geen wrok, want zo waren we zeker niet, en het klinkt ook te naar, maar niet voor niets zeiden we dat Fanny in 1948 het estafettestokje aan zichzelf heeft doorgegeven.'

Gerda van der Kade-Koudijs liet zich nooit meer zien. Het was haar best hoe fraai en lyrisch de viervoudige zege van Fanny beschreven was, maar zijzelf voelde zich in een leeg huis, op een verkeerde plaats. Ze was ook de ruzies van 1936 niet vergeten, die iedereen verdrongen leek te hebben. Jan Blankers was tijdens de 'Hitler-Spelen' ploegleider en trainer. 'En hij was er dus gewoon nooit', zegt Ali Gerritsen. 'We hebben nooit naar buiten gebracht wat daar gebeurde. Dat had niets te maken met Hitler, we waren jong, ik was met 21 jaar al een van de oudsten, we hadden van politiek geen benul, maar Jan Blankers was als onze begeleider aangewezen en we zagen hem niet.'

Gezamenlijk schreven ze een brief. Blankers moest eruit. Het kwam ze een enorme reprimande te staan: want wat hadden ze voor praatjes, nu Nederland voor het eerst na twintig jaar olympisch gepruttel weer iets voorstelde? Hun mond werd gesnoerd.

In 2001 verschijnt een boek over honderd jaar atletiek, van Aad Heere en Bart Kappenburg. De KNAU bestaat dan een eeuw. De auteurs stellen vast dat Fanny Blankers-Koen de (Nederlandse) vrouwensport met haar vier gouden medailes een 'onschatbare dienst' heeft bewezen. Twintig jaar eerder hadden de Spelen plaats in Amsterdam en nadat twee vrouwen uitgeput van 800 meter hardlopen de finish hadden bereikt, werd het nummer door de mannen van het Internationaal Olympisch Comité alsnog geschrapt. Fanny Blankers, op haar 17de een goede zwemster, en door haar grote longinhoud als atlete door de badmeester verwezen naar diezelfde 800 meter, won vier maal goud. Als een van de 385 vrouwen, een bedroevend kleine minderheid tussen 4099 deelnemers in Londen.

Wat misschien ook enige afgunst wekte, was de lengte van haar loopbaan. Ze vestigde al haar eerste record, toen haar vader, Hoofddorper, nog bij de Crisis Controle Dienst werkte. Op bruine bonen en levertraan behaalde ze 58 nationale titels en vestigde ze 21 wereldrecords op zes verschillende onderdelen. De gedienstige huisvrouw, die ook op haar 80ste nog uiterst kwiek is, kon met één ding moeilijk overweg, met teleurstellingen. Dat bleek vooral tijdens de Spelen van Helsinki in 1952. Ze probeerde het daarna nog een keer maar gaf het op vanwege een knieblessure ('Een soort tennisarm maar dan aan m'n knie') en stopte in 1955. 33 Jaar later was ze nog één keer prominent aanwezig, op campagne in Lausanne, met Lubbers, Cruijff en Geesink. Amsterdam kreeg de Olympische Spelen van 1992 niet. Het natuurtalent 'Fanny' was een beetje vergeten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden