Column Peter Winnen

De Tour in mijn nachtmerries

Valpartijen wennen niet. Elke keer dat ze op een hoopje vliegen krimp ik ineen op de canapé. Ingebeelde pijn kan zeer hevig zijn. Die over elkaar buitelende lui weten niet wat ze een gewezen tourrenner aandoen. Ik kan er beter meervoud van maken: gewezen tourrenners. Bij zowel Maarten Ducrot als José De Cauwer klinkt, respectievelijk bij de NOS en de VRT, ontzetting door in de stem als het weer eens zover is. Bij de laatste is in woordkeus en intonatie de dreiging van een gevaarlijke passage twintig kilometer verderop, al voelbaar.

Dit is de eerste tourweek, de week waarin traditioneel veel botten gebroken worden en een aardige oppervlakte aan huid wordt weggeschraapt. De gewezen professional ziet er tegenop.

Maar toch, ik bespeur bij mezelf vooruitgang. Vooral ’s nachts. Dit zal ik uitleggen.

Ik stopte met de beroepssport in 1991. Een paar jaar nadien begonnen de nachtmerries. Eentje ervan, die zich bleef repeteren, was exact dezelfde als die ik weleens had tijdens de fietscarrière.

Ik rijd in een voortkabbelend peloton over mooi zwart asfalt. Handjes op het stuur, het zonnetje schijnt. Ineens sla ik over de kop, alsof er een stok in het voorwiel gestoken wordt. Het neerkomen heb ik nooit meegemaakt omdat ik ontwaakte eer het zover was.

De vooruitgang zit hem erin dat ik al zeker vijf jaar geen stok meer in mijn voorwiel heb gehad. Een nachtmerrie is dit trouwens niet te noemen. Misschien dat ik op deze plek nog eens met een echt nachtelijk gruwelavontuur aankom als de touractualiteit erom vraagt.

De nachten zijn oké tegenwoordig. Onlangs zat ik in een kopgroep. In de droom realiseerde ik me dat ik als zestigjarige geen winstkansen had. Maar ik bleef stug mijn kopbeurten doen omdat het me netjes leek. Toen stokte de rechtstreekse reportage van de koers. In een café vroeg ik om Duits witbier – dat er niet was. Ja, de dromen worden steeds vriendelijker.

Ik had vroeger eens een slapie die ’s nachts ontzettend actief was. Hij maaide met armen en benen en produceerde een angstaanjagend gehuil. Soms was ik er bang voor dat hij verongelukte in zijn slaap. Toen ik hem eens naar zijn nachtelijke avonturen vroeg wist hij niet waar ik het over had. Ik ging er verder maar niet op door.

Een actieve coureur parkeert zijn angst liever in een nachtelijke zijstraat, en dat is wijs. Later, op de canapé, is er tijd zat voor verwondering.

Meer over