Analyse Uitblijvend zwemsucces

De stroom talenten is opgedroogd op de WK langebaan

De medailleoogst tijdens de WK langebaan zou zomaar nul kunnen worden. Waar komt die teleurstellende score vandaan?

'Toevallig' toptalent Ranomi Kromowidjojo. Beeld ANP

De toestand

Nul, nul, nul. Het wordt al dagen hardop gezegd, op wat cynische toon. Het is de voorspelling van de Nederlandse medailleoogst in het fraaie Nambu Zwemstadion van Gwangju, waar de strijd om de WK langebaan (50-meterbad) zich afspeelt.

Vrijdagavond, met nog twee wedstrijddagen voor de boeg, was die stand nog steeds correct: nul goud, nul zilver, nul brons. Die ene vierde plaats van de estafettesprintploeg 4x100 vrij, ooit een mondiaal toonaangevend vrouwencollectief en zelfs sportploeg van het jaar in Nederland, was de beste verrichting.

Er werd de voorbije week met regelmaat verwezen naar de WK-toernooien van 1978 (West-Berlijn) en 1994 (Rome), toen de Nederlandse ploeg ook nul medailles uit het water haalde. Het waren barre tijden van ‘droogte’ voor het Nederlandse zwemmen dat zich, na een knappe restauratie in Sydney 2000, in de jaren erna met Hongarije altijd het best presterende onder de kleine zwemlanden mocht noemen.

In Zuid-Korea is die tijd definitief voorbij. Hongarije oogst medailles, zelfs wereldrecords. Nederland spartelt en blijft als prestatienatie niet boven. Het was, vrij naar het Zeeuwse motto, veel luctor, weinig emergo.

Vorige week was de Nederlandse oogst in het openwater, de 5, 10 en 25 kilometer marathon in zee, ook al in drie nullen voor de komma uit te drukken. In die sport krikte Nederland zijn faam de laatste jaren stevig omhoog. Sharon van Rouwendaal en Ferry Weertman waren in 2016 olympische kampioenen. Hun terugval lijkt vooralsnog een incident.

Het Nederlandse verval geschiedt een maand na de Elfstedenzwemtocht van Maarten van der Weijden, de olympisch kampioen 10 kilometer van 2008. Hij dreef met zijn 195 kilometer van Leeuwarden naar Leeuwarden de collecteopbrengst van het KWF tot boven de 6 miljoen op en genereerde tegelijkertijd grote aandacht voor de zwemsport. In die sport, dat wisten de toeschouwers op de oevers zeker, worden louter bikkels geboren.

Van der Weijden, taai geworden door als twaalfjarige de 100x100-metertest van trainer Ids Gobes te volbrengen, is een bijzonderheid qua uithoudingsvermogen. Opvallend genoeg zijn er in het Nederlandse baanzwemmen nauwelijks stayers te vinden. De nationale ploeg herbergt maar één man die in Gwangju 400 meter zwemt. Het is Arjan Knipping, een halve amateur die bij een Albert Heijn werkt, en zondag de 400 meter wisselslag afwerkt.

Van het zwemprogramma van 42 nummers, onmogelijk veel in de ogen van de buitenwereld, hebben de Nederlanders er in de Koreaanse stad 25 bezet. De langste nummers, 800 en 1.500 meter vrije slag, kennen geen Nederlandse deelnemer. Zoals Nederland ook, iets te gemakkelijk, afzag van de estafettes 4 x 200 meter vrije slag.

De twee kwartetten hadden zich gemakkelijk kunnen kwalificeren voor de Spelen van volgend jaar, overigens zonder medaille- dan wel finalekansen. Maar de verruimde NOCNSF-eis van toptwaalf had gerust benut mogen worden om jonge zwemmers olympisch perspectief te geven. Beginnen sportmensen daarom niet aan een met duizenden trainingsuren geplaveide weg in de topsport? Om naar de Spelen te kunnen. Het is lonkend en wenkend.

Een fors bemande ploeg kan de training ondersteunen van de twee toppers die Nederland nog bezit: Ranomi Kromowidjojo (28) en Femke Heemskerk (31). Voor drievoudig olympisch kampioen Kromowidjojo lijkt het gouden tijdperk voorbij. Het zal niemand verbazen als zij zich in de herfst van haar loopbaan puur op de 50 meter vrije slag gaat concentreren, al is dat een risicovol bestaan. In Rio viel ze in de laatste tien meter van positie 1 naar 6 terug: geen medaille.

In Gwangju toont Heemskerk nog vorm. Zij schrapte de 200 vrij uit haar repertoire en haalde de finale van de 100. Kromowidjojo is in de huidige vorm geen wereldtop meer op die 100 meter vrije slag. De Nederlandse zwemwereld maakt zich ernstig zorgen of er over een jaar in Tokio nog wel een boven zichzelf uitstijgende nationale ploeg gaat verschijnen.

De oplossingen

In Nederland, zo betoogde oud-coach Jacco Verhaeren aan de vooravond van de WK, is zwemsucces altijd verbonden geweest met ‘een of twee’ uitzonderlijke talenten. Er was het tijdperk-Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn. Zij haalden in Sydney vijfmaal olympisch goud, nadat Nederland sinds 1984 zonder dat grootst denkbare succes was gebleven. Marleen Veldhuis, Inge Dekker, Femke Heemskerk en Ranomi Kromo­widjojo passen in die observatie dat het Nederlandse zwemmen vooral uit eenlingen bestaat die bij toeval komen bovendrijven.

‘Kromo’ benadrukte deze week nog eens, als ambassadeur van haar sport, dat zij met een gelukje – de goede genen, een fanatieke familie en zwembadpersoneel dat iets in deze kleine parel zag – was komen bovendrijven. Hoe kon zo’n ‘waterratje’ uit Sauwerd anders in beeld zijn gekomen?

Nederland wil al sinds 2000 aan een systeem bouwen om talenten systematisch naar boven te halen. Het begon met de Stichting Topzwemmen Zuid-Nederland (TZZN). Het was een initiatief van de vader van Pieter van den Hoogenband, Cees-Rein. Die startte in 1993 met zo’n semiprofessionele aanpak, met de jonge ambitieuze trainer Jacco Verhaeren. Deze week verklaarde VdH-senior in Korea, een beetje der dagen zat: ‘We zijn weer terug bij af.’

In het vervolg van de succesvolle Spelen van Sydney kwamen er twee commerciële ploegen, Philips in Eindhoven en TZA in Amsterdam. Later werden dat topsportcentra, onder de vlag van zwembond KNZB en gefinancierd door het Nederlands olympisch comité NOCNSF. Er zijn er nu nog steeds twee die HPC heten: High Performance Center. Dat zijn Amsterdam en Eindhoven. Daaronder zijn vijf opleidingscentra (OC) gestationeerd: Amsterdam, Eindhoven, Drachten, Den Haag en Hengelo.

Het zijn systemen om trainingsachterstanden van jonge zwemmers bij te timmeren. Een van de grote manco’s van de Nederlandse zwemopleiding is, aldus technisch directeur André Cats, de gebrekkige trainingsomvang voor Nederlandse zwemtalenten. Jongeren van 15 jaar horen veertien tot zestien uur per week in het water te liggen. Dat moet bij de clubs, maar die zuchten onder een gebrek aan badwater en trainers.

Zwembaden zijn duur in huur. Een grote topsportvereniging is zomaar 100 duizend euro per jaar kwijt aan gehuurd water. Er is ook een gebrek aan professionele zwemtrainers. Nederland heeft er zo'n vijftien, allen in dienst van de bond. Verhaeren vertelde vorige week dat een grote Australische school er net zo veel in dienst heeft. Dat land, topland in het zwemmen, telt liefst 1.500 zwemtrainers, fulltimers wel te verstaan.

In Nederland staan bij de verenigingen louter amateurs aan de rand van het bad. Kromowidjojo vroeg deze week in een soort van noodkreet in de Volkskrant nog eens aandacht voor de positie van die gepassioneerde coaches die ’s ochtends en ’s avonds training geven en overdag de kost moeten verdienen. Het NOCNSF stort per jaar 1,4 miljoen euro in het Nederlandse topzwemmen, maar het is geoormerkt geld. Het moet naar de topsport, voor medailleplannen, niet naar het fundament, de clubs.

In de aanvoer van talent wordt ­Nederland inmiddels afgerekend op het verdwijnen van schoolzwemmen en op de aparte status van het diplomazwemmen. Schoolzwemmen is in Australië en de VS vooral schoolcompetitie. In Nederland was het bekwamen in de schoolslag. Het diplomazwemmen, voor A, B en C destijds, komt voor rekening van andere zwemorganisaties dan de KNZB. Er mag niet geflyerd worden bij diploma-uitreikingen. De doorstroom naar de zwemclub bedraagt ­daardoor tussen de 1 en 2 procent; 98 jonge diplomazwemmertjes gaan of blijven een andere sport doen.

Namens de bond sprak André Cats vorig jaar nog eens de wens uit dat er in Nederland meer zwembaden zouden komen. De vierhonderd van dit moment – voor 95 procent 25-meterbaden – worden druk bezocht door de triatleten die ook de crawlcursussen van de KNZB overspoelen. Ook de zwemmers die de vele cityswims van tegenwoordig aandoen, bevolken de zwembaden. Voor het hardzwemmen in de 25- en 50 meter-baden betekent die toestroom niets.

Cats, als eindverantwoordelijke een geplaagd mens in Gwangju, pleitte na zijn aantreden in 2016 ook voor meer wedstrijden en een kortere zomerstop voor de clubzwemmers. Hij bouwt tegen de huidige stroom in aan een nieuw zwembeleid. De zwembond beproeft nieuwe initiatieven, maar de realiteit van dit moment is dat de aantrekkingskracht van zwemmen onderuit wordt gehaald door de matige verrichtingen van de eigen, zwaar gesubsidieerde topzwemmers.

Over zwemmen gaat het momenteel niet in voetbal- en wielerland Nederland, zoals het in 1999 wel daarover ging, toen Pieter van den Hoo­genband in een week tijd in Istanbul zes keer Europees kampioen werd. Sportgeïnteresseerden wilden die bijzondere knul uit Eindhoven wel eens zien ‘gassen van het startblok’. De NOS bouwde terstond een live programma rond dat toernooi. Twee decennia van verhoogde zweminteresse kondigden zich aan. De afstandsbediening wordt nu anders gehanteerd. Wie was vrijdagmiddag bezig met de WK-finale 100 meter vrije slag? 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden