Analyseafstandschot

De stille dood van het afstandsschot

Schieten van afstand loont niet in modern topvoetbal, scoren gebeurt dicht bij het doel. Tegen Italië kwam Oranje niet vaak genoeg in het zestienmetergebied.

Wesley Sneijder scoort met een afstandsschot tijdens het WK in 2010. Beeld EPA

Aan de nipte zege van Italië op Nederland is maandagavond niets gestolen. De Italianen hebben de bal vaker en langer in de ploeg dan de Nederlanders, en doen vervolgens ook meer met dat balbezit.

Toch toont het scorebord (0-1) geen uitslag die een groot kwaliteitsverschil aanduidt. Ook de balans in doelpogingen (Nederland 11, Italië 18) schetst geen beeld van een eenzijdige pot voetbal. Wat dit vooral aantoont: basale statistieken als de einduitslag of een schotentotaal kunnen nogal vertekenen.

Er bestaan betrouwbaarder manieren om de krachtsverhouding in een voetbalwedstrijd feitelijk op papier uit te drukken. Statistiekenbureau Opta Sports brengt bijvoorbeeld via de metriek Expected Goals de kansenwaarde van beide teams in kaart. De verwachte waarde van elke doelpoging op een voetbalveld is, op basis van historische data, uit te drukken in een cijfer.

Kansentotaal

Of dit nu een schot na een counter is (Donny van de Beeks grootste kans na rust), een snoeiharde kopbal vanaf de rand van het vijfmetergebied (zoals Nicolò Barella’s winnende treffer) of een afstandsknal van een buitenspeler met zijn chocoladebeen (Steven Bergwijns poging met links, het laatste schot van de wedstrijd).

Het kansentotaal van Italië krijgt op maandagavond van Opta een waarde van 1,85 Expected Goals toebedeeld. Oranje blijft haken op een pover eindtotaal van 0,57 Expected Goals. Kortom, redelijkerwijs zat een 0-2 voor Italië er eerder aan te komen dan de 1-1 voor Oranje.

Het meetbaar kunnen maken van de kwaliteit van kansen heeft het moderne topvoetbal van stijl doen veranderen. Wat bleek namelijk uit de cijfertjes? Het schieten van afstand loont simpelweg niet, scoren gebeurt van dichtbij.

In dat opzicht heeft Oranje twee wedstrijden achter de rug die verre van optimaal zijn, qua type kansen die het creëerde. Slechts 11 van de 25 doelpogingen tegen Polen en Italië kwamen van binnen het zestienmetergebied. Een score van 44 procent van de schoten binnen de ‘zestien’ is anno nu te laag. 

Ter vergelijking: Champions League-winnaar Bayern München deed in het voorbije competitieseizoen gemiddeld 73 procent van de doelpogingen binnen het vijandelijk strafschopgebied.

Wonder

Hoe memorabel die ene vuurpijl van 25 meter afstand richting rechterbovenhoek van een favoriete speler ook ooit was, het is geen makkelijk reproduceerbaar schot. Bij een afstandspoging heb je de logica tegen je – het is hopen op een wonder. Een beeldschoon wonder, dat wel.

De harde cijfers tonen juist aan dat schoten van zo kort mogelijke afstand het soort kansen zijn waar een ploeg naar moet streven. Vandaar dat topteams steeds vaker tot aan de doellijn van de tegenstander door combineren.

De winnende treffer van Bergwijn op vrijdag tegen Polen was er een schoolvoorbeeld van, de kopgoal van Barella tegen Oranje op maandag misschien wel nog meer. In een tijd van meetbare werkelijkheid zal de afstandspoeier een steeds zeldzamer soort goal worden.

Oranje krijgt les in modern voetbal
Nederland, dat graag domineert in voetbal, kreeg maandag een nuttige en pijnlijke les in offensieve moderniteit. Italië heeft zich ontpopt tot een offensiever elftal dan Oranje en won volkomen terecht in Amsterdam (0-1), in de tweede speelronde van de Nations League.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden